2010/36 gegrond

Bij klaagschrift van 14 april 2010 met drie bijlagen heeft mr. R.D. Chavannes, advocaat te Amsterdam, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen M. van den Broeke, F. Müller, M. van Geest en de hoofdredacteur van Quote (hierna: verweerders). Hierop heeft mr. Chr.A. Alberdingk Thijm namens verweerders geantwoord in een brief van 1 juni 2010 met vier bijlagen. Ten slotte hebben verweerders bij e-mail/faxbericht van 9 juni 2010 nog een bijlage overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 11 juni 2010. X was daar aanwezig, vergezeld door mr. Chavannes en mw. mr. D. Verhulst. Aan de zijde van verweerders zijn S. van Stokkum, hoofdredacteur, Van den Broeke en mr. Alberdingk Thijm verschenen.
Mr. Chavannes en mr. Alberdingk Thijm hebben de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities.
 
DE FEITEN
 
In het tijdschrift Quote is in het novembernummer van 2009 een artikel van de hand van Van den Broeke en Müller verschenen onder de kop “Sjoege van zaken”. Het artikel is op de cover aangekondigd met de tekst “Koosjere zaken – ‘ik heb nog nooit een cent aan een jood verdiend’.
De intro van het artikel luidt:
“Joodse ondernemers doen opvallend vaak goede zaken. Maar bestaat er ook zoiets als een ‘joods zakennetwerk’? Die vraag blijkt omstreden, al is er volgens veel telgen van het oude volk wel degelijk een voorkeur voor gelijkgezinden. ‘Als ik met iemand ben opgegroeid die ook een joodse achtergrond heeft, bel ik hem net iets makkelijker voor zaken.’”
Het artikel bevat onder de tussenkop “Oesters en garnalen” de volgende passages over klager:
“‘Ik doe soms zelfs liever geen zaken met joden, het draait onderling vaak uit op ruzie’, meent hij.”
en
“X: ‘Je hebt wel eens joden die tegen me zeggen “Joh X, doe je even wat leuks voor me? Morgen is het Rosj Hasjana.” Dan heb ik gegeten en gedronken, kan ik je zeggen. Daar heb ik toch helemaal geen tijd voor?’”
en
“X benadrukt dat het joods-zijn zich bij hem slechts manifesteert tussen zijn benen. Helemaal waar is dat niet, want twee dagen later zit hij bij Van Dam, favoriet ontbijtadres van de in Oud-Zuid residerende joodse incrowd, samen met zijn vrouw (…) het draaiboek van de op handen zijnde bar mitswa van zijn zoontje door te spreken.
Tv-presentatrice Nicolette van Dam is ook aangeschoven. Zij zal als surprise-act een bar mitswa-quiz komen presenteren. De gasten, onder wie (…), moeten een keppeltje op hun hoofd zetten als ze denken dat het antwoord ‘ja’ is, en afzetten bij het antwoord ‘nee’. ‘Leren jullie me nog even wat Jiddische woordjes?’ denkt Van Dam gewillig mee. ‘Dan gebruik ik die gezellig in mijn presentatie.’”
en
“‘Ik heb nog nooit een cent aan een jood verdiend. Voor de grap hebben we wel eens de plattegrond erbij gepakt, om te kijken welke van de deelnemers nou joods waren. (…)’”
 
Voorafgaand aan de publicatie heeft Van den Broeke op 9 september 2009 de volgende sms aan klager verzonden:
“Hoi X. Alles goed? Ik ben bezig aan een verhaal ‘joodse zaken’ over joodse zakenmensen en het joodse zakennetwerk (zo dat al bestaat). Zou ik jou hier als media tycoon, ook even mogen bellen vandaag of morgen? Zo[u] ik erg waarderen. Liefs, Mirjam.”
Hierop heeft klager direct per sms gereageerd:
“Dag lieve schat, ik ben besneden en that’s it. Dat soort netwerken bestaan niet. Vroeger misschien wel. Ik ben gewoon X en niks meer. dikke kus.”
Daarop reageert Van den Broeke die dag nog per sms:
“Ah. Raar, ik hoor alleen maar mensen die zeggen dat het juist een ijzersterk netwerk is. Nou, veel plezier dan maar op de Bar M van je zoon zaterdag.”
 
Vervolgens heeft klager telefonisch contact opgenomen met Van den Broeke.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Allereerst stelt klager dat in het artikel ten onrechte is gesuggereerd dat hij zich heeft laten interviewen. Naar aanleiding van de opmerking van Van den Broeke in haar sms over de bar mitswa van zijn zoon, heeft hij diezelfde dag telefonisch contact met Van den Broeke opgenomen. In dat telefoongesprek heeft hij benadrukt dat hij niet aan het artikel wilde meewerken, omdat een joods zakennetwerk naar zijn mening niet bestaat. Uit dat telefoongesprek en de eerdere door klager verzonden sms zijn vervolgens door verweerders bewerkte citaten opgenomen in het artikel.
Klager wijst erop dat hij meermalen expliciet heeft kenbaar gemaakt dat hij niet wilde meewerken aan het artikel. Gelet op de tweede sms van Van den Broeke blijkt dat zij dat ook heeft begrepen. Klager mocht er daarom op vertrouwen dat hij in het telefoongesprek niet ‘geïnterviewd’ werd en dat daaruit geen citaten in het artikel zouden worden opgenomen. Daarbij had het op de weg van verweerders gelegen klager over de uiteindelijk gekozen insteek van het artikel te informeren en zijn instemming te vragen voor het publiceren van de door hem gedane uitspraken.
Verder stelt klager dat het artikel voorafgaand aan de publicatie niet aan hem is voorgelegd en dat hij ook niet op een andere wijze in de gelegenheid is gesteld vóór de publicatie op het artikel te reageren. Het artikel diskwalificeert klager in ernstige mate, in het bijzonder omdat de uitspraken die daarin aan hem worden toegeschreven, door leden van de joodse gemeenschap als zeer grievend worden ervaren. Hij wordt in het artikel ten onrechte neergezet als iemand die afgeeft op zijn joodse afkomst. Dit klemt temeer nu zijn uitspraken ‘off the record’ zijn verkregen.
Ter zitting voegt klager hieraan toe dat hij de hoofdredacteur van Quote al 15 jaar goed kent. Ook Van den Broeke kende hij al, vandaar dat in de sms-berichten een amicale toon is gebruikt. Hij heeft Van den Broeke gebeld naar aanleiding van haar opmerking over de bar mitswa, omdat dat een persoonlijke, gevoelige kwestie betreft. Als hij een interview zou hebben willen geven, zou hij daarvoor, aangezien het een serieus en gevoelig onderwerp betrof, een afspraak hebben gemaakt op zijn kantoor en bovendien hebben verzocht om inzage vooraf.
Verder deelt klager ter zitting mee dat hij na het verschijnen van de publicatie aan de hoofdredacteur om opheldering heeft gevraagd. Deze heeft hem toen meegedeeld dat hij ‘een beetje de peper was’ in het artikel.
Klager stelt voorts dat het artikel aan hem toegeschreven citaten bevat uit een afgeluisterd gesprek in Brasserie Van Dam. Zowel de nieuwsgaring – het heimelijk afluisteren van een privégesprek over een privéaangelegenheid – als de publicatie – onjuiste, uit hun context gerukte citaten over een privéaangelegenheid zonder enige nieuwswaarde – zijn in hoge mate onzorgvuldig. Van een ‘open vizier’ is geen sprake geweest.
Volgens klager vormt de plaatsing van de passage over de bar mitswa van zijn zoon een inbreuk op zijn privacy. De publicatie van die passage dient geen enkel maatschappelijk belang en van enige belangenafweging is niet gebleken. Ook voor zover verweerders zouden betogen dat klager een ‘public figure’ is, geldt dat hij ten aanzien van zijn privégedrag en zijn gedrag in besloten en privéomgeving, recht heeft op bescherming tegen ongewilde inbreuken. In dat kader is van belang dat geen sprake was van privégedrag dat aantoonbaar van invloed is op het publiek functioneren van klager en dat hij zelf in de media nooit ruchtbaarheid heeft gegeven aan de bar mitswa van zijn zoon.
Ten slotte stelt klager dat door het gebruik van aanhalingstekens, het feit dat andere geciteerde ondernemers wél zijn geïnterviewd en door niet te verduidelijken op welke wijze de vermeende uitspraken van klager zijn verkregen, in het artikel de misleidende suggestie wordt gewekt dat klager de uitspraken welbewust in een interview met verweerders heeft gedaan. De opgenomen citaten zijn door klager nooit in die bewoordingen en zeker niet in samenhangend verband in de geplaatste context uitgesproken.
Klager betoogt dat verweerders aldus journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld en diverse punten van de Leidraad van de Raad hebben geschonden.
 
Verweerders stellen dat uit de door klager aan Van den Broeke verzonden sms niet blijkt dat hij niet aan het artikel wilde meewerken. De sms die Van den Broeke vervolgens aan klager heeft gestuurd, biedt ook geen steun voor het standpunt van klager dat Van den Broeke moest begrijpen dat klager niet wilde meewerken. Van den Broeke heeft klager in die sms plezier gewenst met de viering van de bar mitswa. Die bar mitswa was in societykringen en in de media algemeen bekend en voor die gelegenheid was een groot aantal prominente gasten uitgenodigd. Uit de omstandigheid dat klager na die sms telefonisch contact met Van den Broeke heeft opgenomen, mag bovendien worden afgeleid dat klager heeft ingestemd met het interviewverzoek. Van den Broeke betwist dat klager in het telefoongesprek nogmaals uitvoerig heeft uitgelegd dat hij niet aan een interview wilde meewerken. Klager heeft haar juist uitvoerig te woord gestaan en geen enkel voorbehoud gemaakt. Uit de omstandigheid dat Van den Broeke een uitvoerig verslag van dat gesprek heeft opgesteld, dat zij ook aan Müller heeft toegestuurd, blijkt dat zij ervan uitging dat klager zich door haar heeft laten interviewen. Daarbij heeft Van den Broeke niet alle informatie uit het gesprek gebruikt en een zorgvuldige afweging gemaakt bij hetgeen zij heeft overgenomen. Informatie die schadelijk zou kunnen zijn voor klager of voor anderen, is niet gebruikt.
Volgens verweerders had klager kunnen begrijpen dat verweerders zijn interview voor het artikel zouden gebruiken, nu hij niet uitdrukkelijk heeft verzocht om een ‘off the record’-gesprek. Ook na het gesprek heeft klager niet laten weten dat het gesprek als ‘off the record’ moest worden beschouwd.
Ter zitting heeft Van den Broeke ter zake meegedeeld dat, als ze uitdrukkelijk zegt dat een gesprek een interview betreft, die mededeling een soort waarschuwing inhoudt en dat een gesprekspartner dan vanzelf voorzichtiger gaat praten.
Voorts stellen verweerders dat hoor en wederhoor slechts op zijn plaats is als uitspraken over derden worden gedaan. Wanneer derhalve een derde diskwalificerende uitspraken over klager had gedaan, had het toepassen van wederhoor voor de hand gelegen. Daarvan was hier geen sprake. In dit geval heeft klager zelf uitlatingen gedaan waardoor hij wordt gediskwalificeerd. In een dergelijk geval bestaat er geen verplichting tot wederhoor.
Evenmin bestond er een verplichting het artikel voorafgaand aan de publicatie aan klager ter goedkeuring voor te leggen. Ook was er geen aanleiding het artikel door klager op feitelijke onjuistheden te laten controleren, nu slechts meningen van klager zijn opgenomen. Klager heeft ook niet verzocht het artikel op voorhand te lezen. Verweerders wijzen er verder op dat de hoofdredacteur – onverplicht – aan klager heeft aangeboden een reactie van hem te plaatsen. Klager is echter op dat aanbod niet ingegaan.
Ter zitting heeft Van den Broeke desgevraagd meegedeeld dat zij aan geïnterviewden niet aanbiedt een artikel vooraf te mogen inzien, maar dat als een geïnterviewde daarom vraagt zij dat verzoek wel honoreert. Voorts heeft Van Stokkum meegedeeld dat achteraf bezien klager wel de meest vergaande uitspraken heeft gedaan.
Verder stellen verweerders dat van het heimelijk afluisteren van een gesprek in Brasserie Van Dam geen sprake is. De ter zake opgenomen passage dient ertoe de opmerkingen van klager over zijn geringe betrokkenheid bij zijn joodse wortels in een ander daglicht te plaatsen; kennelijk hecht klager wel aan zijn joodse identiteit. In het artikel wordt slechts summier vermeld dat klager de bar mitswa van zijn zoon bespreekt met zijn vrouw en Nicolette van Dam en er wordt een aantal bekende Nederlanders genoemd die zijn uitgenodigd voor het feest. Volgens verweerders was het in september 2009 algemeen bekend dat de bar mitswa van klagers zoon in aanwezigheid van vele bekende Nederlanders uitgebreid zou worden gevierd.
Verweerders betwisten verder dat klager van de publicatie van de gewraakte passage onevenredig nadeel heeft ondervonden. Klager mocht überhaupt geen redelijke verwachting hebben dat hetgeen in de brasserie werd besproken privé zou blijven, nu hij met Nicolette van Dam in een dergelijke locatie een evenement heeft besproken waarvan velen op de hoogte waren. Dit geldt temeer nu aan de tafel naast die van klager de – ook bij klager bekende – Quote-journalist Martin van Geest zat, die het gesprek toevallig heeft opgevangen.
Verweerders concluderen dat totstandkoming van het artikel en de inhoud ervan in overeenstemming zijn met de Leidraad van de Raad en de journalistieke ethiek in het algemeen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bestaat uit de volgende onderdelen:
  1. in de publicatie is ten onrechte de indruk gewekt dat klager heeft meegewerkt aan een interview;
  2. er is niet met open vizier gewerkt in Brasserie Van Dam;
  3. er is sprake van tendentieuze berichtgeving, zonder dat klager voldoende gelegenheid tot wederhoor is geboden;
  4. klagers privacy is onevenredig geschonden.
 
Ad 1.
Zoals weergegeven onder ‘De Feiten’ hebben klager en Van den Broeke voorafgaand aan de publicatie contact gehad via sms-berichten en een telefoongesprek.
Uit de teksten van de sms-berichten blijkt voldoende duidelijk dat klager niet wenste mee te werken aan een interview en dat Van den Broeke dat ook had moeten begrijpen. De tekst van het tweede sms-bericht van Van den Broeke – Ah. Raar, ik hoor alleen maar mensen die zeggen dat het juist een ijzersterk netwerk is. Nou, veel plezier dan maar op de Bar M van je zoon zaterdag.” – kon door klager moeilijk anders worden begrepen dan dat Van den Broeke het contact met klager als beëindigd beschouwde.
De vraag is vervolgens welke betekenis klager en Van den Broeke konden en mochten hechten aan het daarop volgende telefoongesprek. Het feit dat klager en Van den Broeke elkaar kenden, leende zich in dit geval voor een misverstand over de vraag of klager de informatie in het telefoongesprek al dan niet gaf ten behoeve van publicatie. Het standpunt van klager dat hij in het telefoongesprek uitdrukkelijk heeft uitgelegd dat hij niet aan een interview wilde meewerken, wordt door Van den Broeke betwist en de Raad beschikt niet over materiaal op grond waarvan kan worden beoordeeld welk standpunt juist is.
 
Echter, ook indien klager in het telefoongesprek niet uitdrukkelijk heeft gezegd geen interview te willen geven, had Van den Broeke – mede gelet op de eerdere sms-berichten en de amicale verstandhouding tussen hen beiden – de mogelijkheid moeten onderkennen dat klager het telefoongesprek niet als een interview beschouwde maar als een gesprek naar aanleiding van de persoonlijke opmerking in Van den Broeke’s laatste sms-bericht. De inhoud van het telefoongesprek, zoals kenbaar uit het door Van den Broeke opgestelde verslag, wijst er niet zonder meer op dat klager door middel van dat gesprek een interview wilde geven. Naar het oordeel van de Raad had Van den Broeke daarom als professioneel journalist ter vermijding van ieder misverstand expliciet aan klager kenbaar moeten maken dat het telefoongesprek niet ‘off the record’ plaatsvond en dat zij de verkregen informatie zou gebruiken voor het artikel. Gesteld noch gebleken is dat zij dat heeft gedaan. Dat zulks min of meer bewust is nagelaten, kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat Van den Broeke ter zitting heeft meegedeeld dat doorgaans de uitdrukkelijke mededeling dat een gesprek ‘een interview’ betreft, een soort waarschuwing inhoudt en een gesprekpartner dan vanzelf voorzichtiger gaat praten.
 
Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is de Raad van oordeel dat verweerders – door de uitlatingen van klager, gedaan in zijn telefoongesprek met Van den Broeke, te publiceren – jegens klager journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
 
Ad 2.
In het artikel zijn gedeelten weergegeven van een door klager met zijn vrouw en Nicolette van Dam gevoerd privégesprek in Brasserie Van Dam. Niet ter discussie staat dat de in die brasserie tevens aanwezige journalist van Quote, Van Geest, zich niet bij klager bekend heeft gemaakt als zijnde aanwezig in de uitoefening van zijn beroep en bezig met het vergaren van informatie. Aldus heeft Van Geest niet met open vizier gewerkt. Niet is gebleken dat de handelwijze van Van Geest wordt gerechtvaardigd door een gewichtig maatschappelijk belang. (zie punt 2.1.1. en Inleiding van de Leidraad van de Raad)
 
Door op deze wijze informatie te vergaren en die informatie vervolgens te publiceren, hebben verweerders evenzeer journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Dat klager Van Geest kent en Van Geest het gesprek toevallig zou hebben opgevangen – hetgeen de Raad overigens niet kan vaststellen – kan daaraan niet afdoen.
 
Ad 3.
Gelet op hetgeen de Raad hiervoor onder ad 1. en 2. heeft overwogen, zijn de uitlatingen van klager in zijn sms-bericht aan Van den Broeke, in zijn telefoongesprek met Van den Broeke en in zijn gesprek in Brasserie Van Dam, ten onrechte als citaten weergegeven. Bovendien zijn de uitlatingen van klager uit hun context gehaald. Daarbij is klager in de berichtgeving gediskwalificeerd. Het artikel heeft voor klager een uitermate tendentieuze, negatieve lading gekregen, waarvan verweerders zich ook kennelijk – getuige het feit dat zij ter zake hebben gesproken over ‘de peper in het artikel’ – bewust zijn geweest.
 
Verweerders hadden het artikel derhalve voorafgaand aan de publicatie ter inzage aan klager behoren voor te leggen. Door zulks na te laten hebben verweerders ook op dit punt journalistiek ontoelaatbaar gehandeld. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat klager er geen rekening mee had hoeven houden dat zijn uitlatingen zouden worden gepubliceerd, en dat verweerders onvoldoende redenen hadden om van het tegengestelde standpunt uit te gaan. Dat klager niet is ingegaan op een aanbod van verweerders om een nadere reactie van hem te plaatsen, kan aan het voorgaande niet afdoen.
 
Ad 4.
De journalist zal de privacy van personen niet verder aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie.
Voor mensen met publieke c.q. min of meer openbare functies en voor bekende Nederlanders is een zekere mate van ongewilde publiciteit onvermijdelijk. Ter zake van hun privégedrag en gedrag in besloten en privé-omgeving hebben zij evenwel recht op bescherming tegen ongewilde inbreuken op hun privacy, tenzij dat gedrag aantoonbaar van invloed is op hun publiek functioneren. (zie punten 2.4.1. en 2.4.2. van de Leidraad)
 
Niet is gebleken dat verweerders bij de publicatie van citaten en informatie uit het privégesprek van klager in Brasserie Van Dam over de bar mitswa van klagers zoon, op verantwoorde wijze het belang van klager bij de bescherming van zijn privacy hebben afgewogen tegen het maatschappelijke belang dat met de berichtgeving zou zijn gediend. Dat de bar mitswa van klagers zoon binnen bepaalde kringen al bekend was, betekent nog niet dat aan het belang van bescherming van klagers privacy geen gewicht meer toekomt. Naar het oordeel van de Raad is aldus sprake van een disproportionele aantasting van klagers privacy.
 
Conclusie
Door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld hebben verweerders grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Quote te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 11 augustus 2010 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. A.C. Diamand, mw. F. Santing, mw. drs. P.C.J. van Schaveren en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.

Bij uitspraak van 22 maart 2011 is het verzoek van F. Müller tot herziening van deze uitspraak toegewezen en is de klacht tegen hem alsnog ongegrond verklaard (RvdJ 2011/21).