2010/35

AMBTSHALVE UITSPRAAK OVER DE VLIEGTUIGRAMP BIJ TRIPOLI IN LIBIË

 

Journalistieke werkwijze:

Openbaar maken beelden van slachtoffers en nabestaanden; openbaar maken van samenvatting van telefoongesprek met slachtoffer; vermelden van achternaam overlevende.

 

Aard van het medium:

Televisie, internetsites, dagbladen

 

Casus:

Op woensdag 12 mei 2010 verongelukte een toestel van de luchtvaartmaatschappij Afriqiyah Airways vlak voor de landing op het vliegveld van Tripoli in Libië. Daarbij kwamen 107[1] personen – bemanning en passagiers – om het leven; onder hen 70 Nederlanders. De enige overlevende was een 9-jarig Nederlands jongetje: Ruben. Hij werd met verwondingen opgenomen in een ziekenhuis in Tripoli.

 

Enkele uren na de ramp zond de Libische staatstelevisie opnamen uit van het jongetje in het ziekenhuis. De beelden werden ook in Nederland uitgezonden op televisie en tevens verspreid via internetsites.

Gedrukte media en internetsites volgden weldra met het publiceren van een foto van de overlevende in zijn ziekenhuisbed omringd door medisch personeel. Enkele media beperkten zich niet tot het bekend maken van de voornaam van de gewonde jongen, maar vermeldden ook zijn familienaam. Bij de crash kwamen Rubens ouders en 11-jarig broertje om het leven.

 

Op vrijdag 14 mei publiceerde De Telegraaf op de voorpagina een artikel waarin een telefoongesprek wordt weergegeven dat een verslaggeefster van die krant daags tevoren voerde met Ruben in zijn ziekbed. Volgens het artikel kreeg zij hem aan de lijn doordat een van de behandelende artsen waarmee zij telefonisch in contact was gekomen, tijdens het gesprek plotseling zijn mobiele telefoon doorgaf aan Ruben. Volgens de weergave van het telefoongesprek wist Ruben toen nog niet wat hem was overkomen en evenmin dat zijn ouders en broertje waren verongelukt. De verslaggeefster deed hem hierover geen mededeling.

De journaliste zelf noemt het gesprek ‘hartverscheurend’.

 

De dag na de vliegramp publiceert De Telegraaf van internetsites als Hyves overgenomen foto’s van enkele bij de vliegramp omgekomen Nederlanders. In diverse vrijdagkranten staan foto’s van nabestaanden die zich verzamelen in een opvangcentrum in Hoofddorp en van Rubens oom en tante bij aankomst op het vliegveld van Tripoli.

 

Waarom ambtshalve uitspraak?

De openbaarmaking van beelden van Ruben en vooral de publicatie van het telefonische vraaggesprek met Ruben in De Telegraaf leidden tot een stroom van verontwaardigde en afkeurende reacties. Binnen de journalistieke beroepsgroep ontstond discussie over waar de grens ligt tussen aan de ene kant de onmiskenbare journalistieke plicht om over maatschappelijk relevante feiten te informeren en anderzijds de journalistieke verantwoordelijkheid voor de privacy van individuen.

Door sommigen is betoogd dat die grenzen niet vastliggen, maar per medium, per titel kunnen verschillen, al naar gelang de te bedienen doelgroep. Het ene medium heeft een klantenkring die niet wars is van sensatie en een grote aandacht voor human interest in de berichtgeving, terwijl het andere zich richt op een publiek dat waardering heeft voor sobere, zakelijke berichtgeving. Daartussen ligt een breed spectrum.

De Raad voor de Journalistiek is echter van mening dat de door hem geformuleerde en gehanteerde grenzen aan “hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is” gelden voor álle journalistieke gedragingen waarover statutair de bevoegdheid om te oordelen aan de Raad is opgedragen. Verschillen in toon en doelgroep kunnen meebrengen dat media zich meer of minder dicht bij die grenzen bewegen.

 

Beoordeling in concreto

 

A.     De foto’s en televisiebeelden van Ruben.

Ruben was wereldnieuws. Het is een wonder dat de jongen nog leeft. The Miracle Boy werd hij genoemd in de Britse pers. In de pers werd geschreven: “Ruben is symbool van leven in deze enorme tragedie”. Het beeld van Ruben in het ziekenhuisbed vertelt het verhaal van de ramp. Dat beeld is door vele media gepubliceerd c.q. uitgezonden,

Publicatie van beelden van het in een ziekenhuis in Libië verblijvend slachtoffer, zonder dat hij of zijn familie hiervoor toestemming kon geven, is een evidente schending van de privacy van Ruben, temeer omdat het in dit geval een weerloos, vermoedelijk getraumatiseerd, minderjarig persoon betreft. De publicatie staat op gespannen voet met artikel 2.4.3 van de Leidraad (het zonder toestemming publiceren van foto’s die zijn gemaakt in een besloten ruimte).

De Raad brengt in herinnering dat in het verleden meermalen in de hele wereld en ook in Nederland beelden zijn gepubliceerd van personen - onder wie kinderen - die als gevolg van oorlogs- of natuurgeweld, criminaliteit, ongelukken of rampen in uiterst kommervolle situaties en zelfs in doodsnood verkeerden, zonder dat dit in ons land tot maatschappelijke ophef van enige betekenis leidde, en waarvan de nieuwswaarde alom werd erkend. Daarbij ging het echter veelal om beelden die in de openbare ruimte zijn gemaakt, terwijl de beelden van Ruben zijn gemaakt in een ziekenhuiskamer.

De Raad is echter van mening dat publicatie van de beelden van Ruben in het ziekenhuisbed,hoezeer ook gemaakt in een besloten ruimte en gepubliceerd zonder toestemming, in dit geval is gerechtvaardigd door de uitzonderlijk grote nieuwswaarde en zeggingskracht van het beeld van de enige overlevende van de vliegramp bij Tripoli. Het beeld van een kleine jongen als enige overlevende van een ramp symboliseert niet alleen de uitzonderlijke tragedie, maar tegelijk de hoop van het overleven. Daarbij speelt ook een rol dat deze beelden via internet al wereldwijd verspreid waren.

De Raad is dan ook van oordeel dat door de publicatie van beelden van Ruben in het ziekenhuisbed de grenzen van wat, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, niet zijn overschreden.

 

B.     Publiceren foto’s netwerksites.

In de berichtgeving zijn portretten gepubliceerd van enkele bij de vliegramp omgekomen Nederlanders, die van internetsites waren overgenomen.

Artikel 2.4.1 van de Leidraad stelt: “de journalist zal de privacy van personen niet verder aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie”.

Uit deze norm kan niet zonder meer worden afgeleid dat het plaatsen van de foto’s niet aanvaardbaar zou zijn. De beelden zijn kennelijk zonder belemmering op netwerksites – zoals Hyves – te vinden, maar dat rechtvaardigt nog niet om ze te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor ze op de website zijn geplaatst (te weten: het informeren van een beperkte doelgroep). Enkel door de plaatsing van hun foto op een website zijn deze personen geen ‘bekende Nederlander’ geworden, zodat de journalist terughoudendheid moet betrachten bij het ongevraagd en zonder toestemming publiceren daarvan in een ander medium en voor een ander doel. Daarbij komt dat het gaat om foto’s van bij de vliegramp om het leven gekomen personen, zodat ook een journalistieke verantwoordelijkheid bestaat om rekening te houden met de gevoelens van hun nabestaanden. De Raad gaat ervan uit dat door dezen geen toestemming is gegeven om de foto’s bij de berichtgeving over de vliegramp te publiceren.

Het publiceren van foto’s van de slachtoffers is niet noodzakelijk om de ernst van het ongeluk te tonen.

De Raad is derhalve van oordeel dat door het plaatsen van foto’s van slachtoffers, die niet voor dat doel zijn afgestaan, grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

 

C.     Het publiceren van foto’s van nabestaanden.

In Hoofddorp werd een informatiecentrum voor nabestaanden van de vliegramp ingericht. Onder meer De Telegraaf, het AD, het Haarlems Dagblad, de Stentor en De Twentsche Courant Tubantia publiceerden een tweetal foto’s van familieleden van de slachtoffers bij het informatiecentrum. Het is niet bekend of de fotograaf de geportretteerden hiervoor toestemming heeft gevraagd en of die is verleend. Indien de foto’s zijn gemaakt zonder hun nadrukkelijke toestemming of zonder duidelijke andere blijken van instemming, is publicatie ervan een schending van de privacy van de betrokkenen.

Tevens werd in onder meer De Telegraaf, het AD en de Metro van 14 mei een foto gepubliceerd van de oom en tante van Ruben na aankomst op de luchthaven van Tripoli. Ook hier geldt dat de privacy is aangetast indien geen toestemming is verleend.

Gelet op het hierboven aangehaalde artikel 2.4.1 van de Leidraad is de te beantwoorden vraag of de inbreuk op de privacy in redelijke verhouding staat tot het belang van de publicatie. De redacties van de betrokken kranten zullen ongetwijfeld betogen dat zulks het geval is: door de foto’s wordt het door de ramp veroorzaakte leed zichtbaar gemaakt.

De Raad is van oordeel dat een ander belang zwaarder moet wegen. Door het (verondersteld wordt: ongevraagd) publiceren van foto’s van de nabestaanden van de vliegramp wordt die nabestaanden extra leed aangedaan, terwijl de foto’s niet noodzakelijk zijn om de aard en ernst van de vliegtuigramp weer te geven.

Derhalve worden door het publiceren van de foto’s van nabestaanden grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

 

D.     Telefoongesprek.

De verslaggeefster van De Telegraaf had het journalistieke ‘geluk’ dat een van de behandelende artsen haar de gelegenheid bood Ruben te spreken. Dat de verslaggeefster de kans te baat nam om in de uitoefening van haar beroep Ruben te spreken, levert onmiskenbaar een schending van diens privacy op – hier expliciet in de betekenis van het recht om met rust te worden gelaten.

De prominente presentatie van de weergave van het telefoongesprek op de voorpagina van het dagblad roept de vraag op of de redactie de in de schoot geworpen informatie ook daadwerkelijk had mogen publiceren.

De Raad is van oordeel dat zowel de verslaggeefster van de Telegraaf als de krant zelf door hun handelen en publiceren grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

De Raad overweegt daartoe als volgt.

De journalist die in de gegeven situatie het slachtoffer van een ramp actief kan benaderen dient zich rekenschap te geven van de weerloosheid van betrokkene in die situatie, en van het risico dat onverhoeds direct contact, gelet op de geestelijke toestand waarin het slachtoffer verkeert, schade kan toebrengen.

In het onderhavige geval, van een jeugdig slachtoffer dat nog maar nauwelijks bij bewustzijn was en zich nog niet of nauwelijks bewust was van de situatie waarin hij verkeerde, had de journalist een andere afweging moeten maken en het directe – telefonische – contact moeten vermijden c.q. beëindigen.

Het publiceren van de inhoud van het telefoongesprek is derhalve eveneens ontoelaatbaar. Daarbij komt dat publicatie niet noodzakelijk was als extra informatie om de aard of de ernst van de vliegtuigramp weer te geven.

 

E. Het vermelden van de achternaam van Ruben.

Ruben werd wereldnieuws; foto’s en videobeelden van hem gingen de wereld rond. Hoewel het maken van die beelden een inbreuk op Rubens privacy betekent, kan het publiceren dan wel uitzenden ervan – zoals hiervoor betoogd – worden gerechtvaardigd door de grote nieuwswaarde ervan.

De Raad meent echter dat de inbreuk op Rubens privacy zo beperkt mogelijk dient te zijn. Ruben zal na terugkomst in Nederland weer aan het gewone leven moeten gaan deelnemen, en heeft er een groot belang bij niet levenslang bestempeld te worden als het ‘slachtoffer van de vliegtuigramp bij Tripoli’.

De Raad is derhalve van oordeel dat vermelding van de achternaam van het slachtoffer in dit geval achterwege had dienen te blijven, nu die vermelding nadeel met zich meebrengt voor het slachtoffer, en niets toevoegt aan de informatie over de ramp, dan wel over de aard en ernst daarvan.

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 4 augustus 2010 door mr. A. Herstel, voorzitter, mr. Th. Groeneveld, mr. C.A. Streefkerk, mw. mr. H. Troostwijk, vice-voorzitters, H. Blanken, prof. dr. M.J. Broersma, mw. A.C. Diamand, mr. B. Geersing, T.R. Harkema, ir. B.L. Hooghoudt, mw. drs. R.T. Kervezee, mr. T.E. Klein, mw. E.J.M. Lamers, mw. drs. M.G.N. Mathot, A. Mellink MPA, mw. drs. J.X. Nabibaks, drs. P. Olsthoorn, mw. J.R. van Ooijen, mw. M.J. Rietkerk, mw. F. Santing, mw. drs. P.C.J. van Schaveren, M. Ülger, mw. J.G.T.M. Wartenbergh en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. H. Osinga, adjunct-secretaris.

 

 


[1] Het vermelde aantal omgekomen personen (107) betreft een kennelijke verschrijving, het juiste aantal is 103.