2010/28

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Stichting Bureaus Jeugdzorg Haaglanden/Zuid-Holland
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Das je goed recht’ (SBS6 en Endemol Nederland B.V.)
 
Bij brief van 19 februari 2010 met vier bijlagen heeft mw. drs. M.K. Groenberg, algemeen directeur/bestuurder, namens Stichting Bureaus Jeugdzorg Haaglanden/Zuid-Holland te ’s-Gravenhage (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘Das je goed recht’ (hierna: verweerder) betreffende de uitzending van 31 januari 2010. Vervolgens heeft klaagster per brief van 18 maart 2010 met drie bijlagen haar klacht uitgebreid met een klacht betreffende de uitzending van ‘Das je goed recht’ van 28 februari 2010.
G. Heeneman, jurist Endemol Nederland B.V., heeft namens verweerder op de klachten gereageerd per brief van 15 april 2010 met diverse bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 april 2010. Namens klaagster zijn daar verschenen mw. C. van der Beek, hoofd beleid en communicatie, mw. mr. L. Goei, juriste, mw. mr. E. de Lange, juriste, R. Klein, regiomanager en ing. C.D. Lamas, regiomanager. Mw. mr. Goei heeft het standpunt van klaagster toegelicht aan de hand van een pleitnota.
Van de zijde van verweerder zijn verschenen voornoemde G. Heeneman, mw. Y. Heinst, juriste bij SBS, mw. R. Pluym, werkzaam bij de redactie van het programma, mw. H. Vos, uitvoerend producent en J. van den Heuvel, presentator. Heeneman heeft het standpunt van verweerder toegelicht.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad dvd-opnamen van de gewraakte uitzendingen bekeken.
 
DE FEITEN  
 
Op 31 januari 2010 is in het – door SBS6 uitgezonden en door Endemol Nederland geproduceerde – televisieprogramma ‘Das je goed recht’ aandacht besteed aan de werkwijze van Bureau Jeugdzorg en gezinsvoogden. De uitzending wordt door presentator Van den Heuvel ingeleid als volgt:
“De kranten staan vol over het wanbeleid van Bureau Jeugdzorg. En wij krijgen ook veel e-mails binnen over deze instellingen. De klachten lijken erg op elkaar. Zo schrijven veel ouders over jonge, niet-opgeleide gezinsvoogden die kinderen uit huis plaatsen omdat er verkeerde conclusies worden getrokken. De macht van Bureau Jeugdzorg is groot. En als je in conflict met ze raakt, kan het een lange strijd worden over de rug van je kind.”
In de uitzending vertelt een aantal ouders over negatieve ervaringen met Bureau Jeugdzorg. Verder is een reportage getoond van een wervingsavond die door klaagster is georganiseerd. De beelden zijn gemaakt met een verborgen camera. In de reportage wordt onder meer gezegd:
Voice-over:
 “Wij willen nu wel eens weten hoe je nu eigenlijk gezinsvoogd wordt bij Bureau Jeugdzorg en nemen de proef op de som. We reageren op een advertentie in het gratis ochtendblad de Metro. Daarin staat dat je kan speed-daten oftewel speed-solliciteren. Twee redacteuren van ons programma gaan op pad met een verborgen camera en een nep-CV. Daarin staat dat ze communicatie en toerisme hebben gestudeerd en bijna geen ervaring met kinderen hebben. En zo horen we van gezinsvoogden zelf wat de werkwijze van Jeugdzorg is. (…)”
Op de vraag van een van de redacteuren of je pas na voltooiing van de opleiding gezinsvoogd bent, reageert een medewerkster van Bureau Jeugdzorg als volgt:
“Nee, je begint meteen. Je krijgt bijvoorbeeld al tien kinderen. Gedurende de opleiding komt er steeds eentje bij. Je wordt natuurlijk wel aangesteld als gezinsvoogd. We zeggen niet tegen ouders: ‘dit is geen officiële gezinsvoogd’, dan willen ze al helemaal niet meer met je praten.(…)”
Hierop zegt de voice-over:
“Uit dit gesprek blijkt dus dat je als onervaren gezinsvoogd met een opleiding communicatie of toerisme al meteen de bevoegdheid krijgt over tien kinderen.”
Verderop in het item bericht de voice-over:
 “Dat gezinsvoogden het niet zo nauw nemen met de huisbezoeken blijkt uit de volgende beelden (…)”
Een medewerkster van Bureau Jeugdzorg zegt tegen een van de redacteuren onder meer:
“Als jij huisbezoeken plant in je digitale agenda en je hebt lekker op het strand gelegen, dan heb je ook een probleem.”
Redacteur: “Gebeurt dat wel eens?”
Medewerkster Bureau Jeugdzorg:
“Niet vaak, maar een enkel keertje. (…) Je kan daarmee frauderen als je wil. Niemand gaat controleren of je daar ook allemaal geweest bent. Je zet in je agenda dat je op pad bent, maar voor hetzelfde geld ga je de stad in.”
Waarop de voice-over meldt:
“Hier geeft Jeugdzorg dus toe dat er geen controle is op hoe een gezinsvoogd zijn werk doet en dat die makkelijk kan frauderen.”
In de uitzending wordt ook I. Aasted-Madsen, Tweede Kamerlid van het CDA, aan het woord gelaten. Verder is J.D. Sprokkereef, MOgroep Jeugdzorg, om een reactie gevraagd. Van den Heuvel vraagt Sprokkereef onder meer:
“Kunt u eens uitleggen wat de criteria zijn om gezinsvoogd te worden? (…) Je wordt pas aangenomen als gezinsvoogd op het moment dat je die volledige HBO-opleiding van vier jaar hebt doorstaan, speciaal gericht op omgaan met gezinnen?”
Sprokkereef:
“Ja, een passende HBO-opleiding is een voorwaarde voor een gezinsvoogd.”
Van den Heuvel:
“U begrijpt natuurlijk wel waarom ik dit vraag, we krijgen heel veel klachten dat mensen worden geconfronteerd met gezinsvoogden die nauwelijks ervaring hebben, laat staan opleiding hebben op dat gebied en dus met onvoldoende kennis, ervaring en vaardigheden soms hele ingrijpende beslissingen moeten nemen.”
 
In de tweede (vervolg)uitzending van 28 februari 2010 wordt het item over Bureau Jeugdzorg door Van den Heuvel ingeleid als volgt:
“De meeste reacties kregen we in onze uitzending over de wantoestanden en het machtsmisbruik bij Bureau Jeugdzorg. Niet eerder kregen we zoveel e-mails binnen. De undercoverbeelden maakten heel wat los.”
Vervolgens worden opnieuw enkele beelden getoond van de wervingsavond van klaagster waarbij de voice-over meldt:
“Uit deze beelden blijkt dat je als gezinsvoogd niet wordt gecontroleerd. Zo kunnen er dus makkelijk onwaarheden op papier komen te staan.”
Later in deze uitzending zegt Van den Heuvel:
“Dat Bureau Jeugdzorg het niet zo nauw neemt met de waarheidsvinding, ondervond ook Renate. Haar kinderen werden uit huis gehaald na valse meldingen over geweld. Wederom blijkt dus dat Bureau Jeugdzorg aantoonbare leugens voor waar aanneemt. En als ouder sta je dan met je rug tegen de muur.”
In het gesprek met Renate zegt Van den Heuvel verder:
“De kinderen zijn uit huis geplaatst door meldingen van mishandelingen. Een onderzoek heeft dat nooit kunnen bewijzen en jij kon ook het tegenbewijs leveren dat de kinderen in goede gezondheid waren, dat ze niet waren mishandeld. En toch zit jij in deze situatie.”
De voice-over bericht verderop:
“Helaas staat het verhaal van Renate niet op zichzelf. Uit de honderden e-mails die wij over Jeugdzorg kregen, bleek dat er in de meeste gevallen niet naar waarheidsvinding door het AMK en Jeugdzorg wordt gedaan.”
Hierna worden beelden getoond van een op 25 januari 2010 opgenomen gesprek tussen Van den Heuvel en Sprokkereef.
Vlak voor de reclame bericht de voice-over:
“Straks het vervolg van deze reportage over het machtsmisbruik van Jeugdzorg.”
en daarna:
 “Voor de reclame zag u de schokkende verhalen van ouders die door onwaarheden en valse beschuldigingen van gezinsvoogden van Bureau Jeugdzorg hun kinderen niet meer mogen zien. En de gezinsvoogden hebben hier vaak carte blanche in.”
Van den Heuvel sluit het item af als volgt:
“Jeugdzorg is een log apparaat, waar niet aan waarheidsvinding wordt gedaan. Als de rechter Bureau Jeugdzorg opdracht geeft, dan worden ze vaak niet uitgevoerd. Hopelijk worden de Kamervragen van Kamerlid Ine Aasted-Madsen serieus genomen en wordt er onderzoek gedaan naar de misstanden bij Bureau Jeugdzorg. Want een ding is zeker: zo kan het niet langer, er moet echt iets gebeuren.”
 
STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Met betrekking tot de uitzending op 31 januari 2010 stelt klaagster allereerst dat onvoldoende wederhoor is toegepast. Klaagster wijst erop dat beelden zijn getoond van een door haar georganiseerde ‘speeddate’, die met een verborgen camera zijn gemaakt. Daarbij zijn beschuldigingen geuit met woorden als ‘machtsmisbruik’, ‘lapt (…) aan zijn laars’, en ‘neemt het niet zo nauw met…’ Ten onrechte is klaagster niet om een reactie gevraagd. Weliswaar is er contact geweest met Sprokkereef, maar hij is woordvoerder van de branchevereniging MOgroep Jeugdzorg (verder: MOgroep) en hij is niet verantwoordelijk voor de ‘speeddate’. Daarbij komt dat aan Sprokkereef niet is voorgelegd dat er beelden met verborgen opname-apparatuur zijn opgenomen. Aan Sprokkereef zijn alleen algemene vragen over de werkwijze van Bureau Jeugdzorg voorgelegd, maar niet de specifiek geuite beschuldigingen.
Ter zitting voegt klaagster hieraan toe dat het tonen van een individuele casus vraagt om een specifiek wederhoor. Met betrekking tot de undercoverbeelden heeft onvoldoende wederhoor plaatsgevonden, nu die werkwijze niet is voorgelegd aan Sprokkereef of klaagster. Ten onrechte wordt echter de suggestie gewekt dat Sprokkereef reageert op al het gestelde in de gehele reportage, nu die reactie is geplaatst in het midden van de uitzending. Indien Sprokkereef was geïnformeerd over de undercoverbeelden, had hij kunnen verwijzen naar klaagster.
Klaagster meent dat verweerder zich bewust heeft onthouden van het zoeken naar wederhoor. Daarbij wijst zij erop dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan de uitnodiging van klaagster om een dag mee te lopen.
Verder stelt klaagster dat ten onrechte de indruk wordt gewekt dat met een vooropleiding in de richting van communicatie of toerisme een verantwoordelijke functie als gezinsvoogd kan worden gekregen. Verweerder heeft echter nagelaten te vermelden dat na de speeddate – per e-mail van 7 december 2010 – aan de undercoverjournalisten is bericht dat zij vanwege hun CV’s werden afgewezen en niet zouden worden uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Het door verweerder geschetste beeld is derhalve feitelijk onjuist, aldus klaagster. Ter zitting wijst zij erop dat zelfs een Kamerlid op het verkeerde been is gezet, hetgeen volgt uit het feit dat Kamervragen zijn gesteld onder de titel ‘Aanstelling van ongediplomeerde medewerkers als gezinsvoogd’.
Tevens betwist klaagster dat er onvoldoende controle bestaat op de werkzaamheden van een gezinsvoogd. Door de onzorgvuldige journalistiek van verweerder op dit punt, ontstaat een onjuist beeld van Bureau Jeugdzorg. Dit is van negatieve invloed op het hulpverleningsproces, aldus klaagster. Zij benadrukt dat de klacht niet is ingediend omdat de uitzending niet conform het ‘beeld’ is dat Bureau Jeugdzorg van zichzelf heeft, maar omdat de berichtgeving niet waarheidsgetrouw is. Klaagster verwijt verweerder een gebrek aan kritisch vermogen en gebrek aan gezond wantrouwen jegens zijn bronnen. Dat wantrouwen is nodig, omdat het hulpverleningsproces in veel gevallen gedwongen op gang moet komen. Dit levert een bijna natuurlijk verschil van mening, en daarmee een spanningsveld, op. Dat bij verweerder 1200 klachten zijn binnengekomen, afgezet tegen ruim 100.000 kinderen die op landelijk niveau door de verschillende Bureaus Jeugdzorg worden geholpen, is geen reden om al die klachten ‘klakkeloos’ als waarheid aan te nemen en daaraan de conclusies te verbinden, zoals verweerder heeft gedaan.
Ten aanzien van de uitzending van 28 februari 2010 stelt klaagster dat zij noch MOgroep is benaderd voor een reactie. Naar aanleiding van de eerste uitzending heeft klaagster verweerder meerdere malen uitgenodigd op gesprek of om een dag mee te lopen, maar daarop is verweerder niet ingegaan.
Ook in deze uitzending is sprake van onjuiste en eenzijdige berichtgeving, aldus klaagster. Ten onrechte is gesuggereerd dat Bureau Jeugdzorg bevoegd is om zonder enige waarborg kinderen uit huis te plaatsen. Verweerder heeft die opmerking bovendien kracht bijgezet door te spreken over ‘machtsmisbruik van Bureau Jeugdzorg’. Een uithuisplaatsing van kinderen vindt echter plaats na onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en een oordeel van de kinderrechter. Voorts is ten onrechte beweerd dat bij Bureau Jeugdzorg ‘niet aan waarheidsvinding wordt gedaan’, aangezien de kinderrechter zo volledig mogelijk wordt geïnformeerd. De beelden van de ‘speeddate’ werpen wederom een eenzijdig licht op het werk als gezinsvoogd en ter zake is opnieuw een onjuiste conclusie getrokken. Klaagster merkt verder op dat ‘AMK’ staat voor ‘Advies en Meldpunt Kindermishandeling’ en niet voor ‘Algemeen Meldpunt Kindermishandeling’. Bij de weergave van het gesprek is bovendien een onjuiste opnamedatum vermeld. Deze fouten zijn toonaangevend voor de kwaliteit en zorgvuldigheid van het ‘onderzoek’ van verweerder, aldus klaagster.
Zij meent verder dat ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat Bureau Jeugdzorg zonder enig kader en zonder overleg besluit over de toekomst van een kind. Door de negatieve en eenzijdige berichtgeving wordt een onvolledig en onjuist beeld geschetst van Bureau Jeugdzorg, waardoor het hulpverleningsproces wordt bemoeilijkt.
Ten slotte merkt klaagster ter zitting op dat voor zover individuele gevallen voor commentaar aan Sprokkereef zijn voorgelegd, deze daarop niet heeft kúnnen reageren omdat hij van die gevallen niet (voldoende) op de hoogte was. Verweerder had die gevallen behoren voor te leggen aan de Bureaus Jeugdzorg, waarbij zij in behandeling zijn.
 
Verweerder stelt voorop dat sinds 2007 op zijn redactie vele klachten zijn binnengekomen over het niet of onvoldoende functioneren van gezinsvoogden. Omdat de klachten steeds terugkwamen en naar aanleiding van berichtgeving in diverse media, heeft verweerder in oktober 2009 besloten aandacht te besteden aan het functioneren van Bureau Jeugdzorg. De grote hoeveelheid klachten toont aan dat het beeld dat klaagster heeft van Bureau Jeugdzorg, door velen als onjuist wordt ervaren.
Met betrekking tot de uitzending van 31 januari 2010 en het toegepaste wederhoor merkt verweerder op dat Sprokkereef juist door de lokale Bureaus Jeugdzorg is aangewezen als contactpersoon om op de vragen van de redactie te reageren. Volgens verweerder heeft Sprokkereef op de algemene delen van de klachten kunnen reageren en diens commentaar is bijna integraal uitgezonden. Het was niet nodig dat iedere individuele klacht specifiek werd behandeld, aldus verweerder. Bovendien heeft MOgroep laten weten dat niet op individuele gevallen kon worden ingegaan en dat slechts een algemene reactie zou worden gegeven. Verweerder benadrukt ter zitting dat de redactie consequent door de lokale Bureaus Jeugdzorg werd doorverwezen naar MOgroep en daarom niet opnieuw contact heeft opgenomen met die bureaus, waarbij de in de uitzending besproken individuele gevallen in behandeling waren.
Verweerder betwist dat in de uitzending wordt gesuggereerd dat Sprokkereef de undercoverbeelden heeft gezien en daarop reageert. De redactie houdt zich aan het beginsel van hoor en wederhoor en het is ook volstrekt duidelijk waarop het wederhoor ziet. Het was niet noodzakelijk om klaagster te laten reageren op de reportage over de ‘speeddate’. Volgens verweerder heeft hij niet de plicht om precies duidelijk te maken op welke wijze hij aan zijn informatie is gekomen.
Verweerder merkt in dat verband verder op dat de undercoverredacteuren niet naar de speeddate zijn gegaan met het doel om aangenomen te worden, maar om vragen te stellen naar de praktijk van beginnende gezinsvoogden. Het gebruik van een verborgen camera is een zwaar, uiterst middel, maar was in dit geval gerechtvaardigd. Verweerder heeft willen aantonen dat gezinsvoogden zonder veel ervaring direct een (te) grote verantwoordelijkheid krijgen. Dit beeld wordt bevestigd door de klachten die zijn ontvangen. De voice-over trekt geen conclusies, maar herhaalt slechts hetgeen dat door de medewerkster van klaagster wordt gezegd. Volgens verweerder is het wel of niet aangenomen worden niet relevant voor de uitzending. Overigens wordt nergens beweerd dat de undercoverjournalisten na de speeddate zijn aangenomen, aldus verweerder.
Ten aanzien van de uitzending van 28 februari 2010 stelt verweerder dat hij naar aanleiding van de eerste uitzending zoveel aanvullende klachten heeft ontvangen, dat een tweede uitzending een logisch gevolg was. Ter zitting merkt verweerder op dat de eerste uitzending voornamelijk betrekking heeft op de problematiek rond de aanstelling van gezinsvoogden, terwijl in de tweede uitzending meer aandacht wordt besteed aan de procedures rondom uithuisplaatsingen. Ook voor de tweede uitzending is objectief onderzoek gedaan, aldus verweerder.
Hij stelt voorts dat niet opnieuw wederhoor is toegepast. De aan de orde gestelde problematiek betrof vooral individuele gevallen, waarop Bureau Jeugdzorg niet kon ingaan. Daarom is besloten het wederhoor zoals toegepast voor de uitzending van 31 januari 2010, als uitgangspunt te nemen.
Doordat de klachten van dezelfde aard waren, viel niet goed in te zien wat een nieuw weerwoord had kunnen toevoegen. De zienswijze van klaagster was bekend, aldus verweerder. Een dag meelopen – zoals voorgesteld door klaagster – zou geen wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan het feit dat er zoveel klachten bestaan. Het was meer aan de politiek om te reageren, dan aan klaagster of de MOgroep.
Verder wijst verweerder erop dat in de uitzending duidelijk wordt gemaakt dat een procedure tot uithuisplaatsing via de kinderrechter loopt. Voorts erkent hij dat met betrekking tot de uitleg van de afkorting ‘AMK’ en de vermelding van de opnamedatum van het gesprek met Sprokkereef fouten zijn gemaakt.
Verweerder betwist echter dat de uitzending ‘snel in elkaar is gedraaid’. Een aantal ontvangen klachten is grondig onderzocht, waarbij er bewust voor is gekozen slechts controleerbare gevallen te behandelen. De redactie heeft uitvoerig met de gedupeerden gesproken, er zijn rapporten ingezien en iedere casus is uitgebreid besproken met juristen van DAS Rechtsbijstand. De uitzending is dan ook het resultaat van gedegen journalistiek, aldus verweerder.
Volgens hem is de imagoschade van klaagster het gevolg van de feiten en van het beleid van klaagster, waarbij niet aan waarheidsvinding wordt gedaan. Dat mensen klachten over dit onderwerp indienen bij de redactie geeft aan dat bij Bureau Jeugdzorg drastisch iets moet veranderen.
Verweerder concludeert dat de uitzendingen zijn gebaseerd op gedegen onderzoek. In de uitzendingen is, aan de hand van individuele gevallen, de algemene problematiek ten aanzien van gezinsvoogden aan de kaak gesteld. Het gebruik van de verborgen camera is een zwaar middel, maar er is ter zake een zorgvuldige afweging gemaakt. Hij heeft zich aan alle journalistieke eisen gehouden, aldus verweerder.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht is dat de uitzendingen ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van klaagster bevatten, waarbij onvoldoende wederhoor is toegepast.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws, doch dat de journalist waarheidsgetrouw behoort te publiceren. Hij dient het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.1. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 
In de uitzendingen is aandacht besteed aan het werk van jonge, onervaren gezinsvoogden en ervaringen van ouders met gedwongen – vermeend onterechte – uithuisplaatsingen van hun kinderen. In dat verband overweegt de Raad dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar mogelijk wanbeleid van Bureau Jeugdzorg. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
 
Het voorgaande neemt niet weg dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan. Bij het publiceren van beschuldigingen dient hij te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
 
Ten aanzien van de uitzending van 31 januari 2010 overweegt de Raad dat daarin ernstige beschuldigingen zijn geuit aan het adres van Bureau Jeugdzorg, die met name betrekking hebben op het gebrek aan controle op het werk van jonge, onervaren gezinsvoogden.
Verweerder heeft ter zake aangevoerd dat hij een ruime hoeveelheid klachten heeft ontvangen, waarvan hij een deel grondig heeft onderzocht en uiteindelijk een aantal controleerbare gevallen heeft geselecteerd. Daarbij heeft verweerder duidelijk gemaakt dat hij zijn bronnen voldoende heeft gecontroleerd, onder meer door inzage van rapporten en gesprekken met deskundigen.
Naar het oordeel van de Raad heeft verweerder aldus voldoende aannemelijk gemaakt dat voor de geuite kritiek ten aanzien van deze algemene werkwijze van Bureau Jeugdzorg – waarvoor de besproken individuele gevallen als illustratie dienden – voldoende grondslag bestond.
Daarbij komt dat verweerder die kritiek voor commentaar heeft voorgelegd aan Sprokkereef, woordvoerder van de branchevereniging MOgroep Jeugdzorg, en diens reactie in de uitzending heeft verwerkt.
In dat verband is van belang dat in de uitzending niet zozeer de werkwijze van klaagster en/of andere specifieke bureaus aan de orde is gesteld, maar die van Bureau Jeugdzorg in het algemeen. Dit blijkt ook uit het feit dat klaagster noch een ander bureau met naam of regio is genoemd.
Bovendien heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat de afzonderlijke Bureaus Jeugdzorg de redactie voor commentaar hebben doorverwezen naar de MOgroep. Verweerder behoefde dan ook niet nogmaals bij die afzonderlijke bureaus te rade te gaan, nadat Sprokkereef te kennen had gegeven dat hij niet op individuele gevallen kon ingaan.
Verweerder heeft dan ook in zoverre geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Verweerder heeft echter wel journalistiek onzorgvuldig jegens klaagster gehandeld met het gebruik van de beelden die met de verborgen camera zijn gemaakt. De Raad overweegt in dat verband dat het gebruik van verborgen opname-apparatuur in beginsel niet toelaatbaar is. Hiervan kan de journalist alleen afwijken als hem geen andere weg open staat om een ernstige misstand aan het licht te brengen of een zaak van maatschappelijk belang scherper te belichten, mits de werkwijze geen onevenredige inbreuk maakt op de privacy en de veiligheid van betrokkenen. (zie punt 2.1.5. van de Leidraad)
Verweerder heeft ter zake gesteld dat hij heeft willen aantonen dat gezinsvoogden zonder veel ervaring direct een (te) grote verantwoordelijkheid krijgen en dat voor de uitzending niet relevant was of de undercoverjournalisten na de ‘speeddate’ al dan niet zouden worden aangenomen.
De Raad is echter van oordeel dat uit dit onderdeel van de reportage voor de gemiddelde kijker het beeld naar voren komt, dat gezinsvoogden kunnen worden aangenomen zonder dat zij beschikken over een deugdelijke vooropleiding. Dit beeld is feitelijk onjuist en misleidend. Immers, uit de door klaagster overgelegde e-mails aan de betrokken undercoverjournalisten blijkt dat verweerder ruim voor de uitzending ervan op de hoogte was dat de journalisten op grond van hun CV’s niet voor een sollicitatiegesprek werden uitgenodigd. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten dit te vermelden. Daarbij komt dat dit onderdeel van de reportage aan Sprokkereef noch aan klaagster – als organisator van de ‘speeddate’ – voor commentaar is voorgelegd.
 
Ten aanzien van de uitzending van 28 februari 2010 overweegt de Raad dat niet ter discussie staat dat voorafgaand aan die uitzending geen nieuw wederhoor heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft ter zake gesteld dat de problematiek die in die uitzending aan de orde was, dezelfde betrof als in de uitzending van 31 januari 2010 en dat niet viel in te zien wat nieuw wederhoor had kunnen toevoegen. De Raad deelt dit standpunt echter niet.
In de tweede uitzending, die plaatsvond bijna een maand na de eerste, zijn aspecten aan de orde gesteld – met name beschuldigingen ten aanzien van procedures rondom uithuisplaatsingen – die niet eerder aan Sprokkereef zijn voorgelegd. Daarbij komt dat klaagster zich na de eerste uitzending tot verweerder heeft gewend en een voorstel heeft gedaan tot het verstrekken van nadere informatie.
Al deze omstandigheden in aanmerking genomen, kon verweerder niet volstaan met het eerder verkregen wederhoor en had hij klaagster dan wel MOgroep om een nieuwe reactie moeten vragen. Door dit na te laten heeft verweerder eveneens journalistiek ontoelaatbaar gehandeld.
  
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op het gebruik van de beelden die met een verborgen camera zijn gemaakt alsmede op gebrek aan wederhoor ten aanzien van de uitzending van 28 februari 2010. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Das je goed recht’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 28 juni 2010 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, H. Blanken, T.R. Harkema, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en H. Osinga, adjunct-secretaris.