2010/27 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
B. Janssen en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia
 
Bij brief van 1 april 2010 met een bijlage heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen B. Janssen en de hoofdredacteur van De Twentsche Courant Tubantia (hierna: verweerders). Hierop heeft A. Vis, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 22 april 2010. Ten slotte hebben verweerders bij brief van 11 mei 2010 nog een bijlage overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 mei 2010. Klager is daar verschenen en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een memo. Verweerders zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 1 april 2010 is in De Twentsche Courant Tubantia een artikel verschenen onder de kop “Gerechtshof snoert Robert Speijdel de mond in zaak X”. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Het Gerechtshof snoerde raadsman Robert Speijdel van autohandelaar X (55) uit (…) gisteren grotendeels de mond. Speijdel wilde in een betoog van zestien A4-tjes staven dat het Openbaar Ministerie (OM) X niet langer mag vervolgen.”
en
“In de zitting gisteren moest het OM melden welke stukken en telefoontaps nog voorhanden zijn. Advocaat-generaal A. Schut meldde dat alle taps er zijn en gaf ze aan het hof en de verdediging. Hij bood hulp aan bij het afluisteren.”
en
“Speijdel wees erop dat de strafzaak tegen X al acht jaar loopt. ,,Het OM bleef stil zitten tot het oude systeem van tappen en terugluisteren niet meer leverbaar zou zijn. Dat was bewust ten nadele van cliënt.” Volgens Speijdel trok justitie een rookgordijn op door informatie te geven waar niet om was gevraagd en informatie niet te geven die wel nodig is. De advocaat-generaal bestreed dat.”
 
Vervolgens is op 2 april 2010 in De Twentsche Courant Tubantia een artikel geplaatst onder de kop “X krijgt deel harde schijf”. In dit artikel is vermeld:
“X (55) heeft van het Openbaar Ministerie een deel van de harde schijf van zijn in beslag genomen computer terug gekregen.”
en
“Anders dan wij gisteren meldden, heeft X woensdag op de zitting geen telefoontaps gekregen. Die moet het OM van het hof aan X geven, maar ze blijft in gebreke. Raadsman Robert Speijdel vindt dat een argument waarom het OM (…) niet langer zou mogen vervolgen.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager voert aan dat sprake is van onjuiste, eenzijdige en tendentieuze berichtgeving. Hij stelt dat – anders dan in het artikel is vermeld – het Openbaar Ministerie (OM) tijdens de zitting van 31 maart 2010 niet alle taps heeft overhandigd en evenmin hulp heeft aangeboden bij het afluisteren van die taps.
Volgens klager wordt hij door Janssen opzettelijk in een negatief daglicht gesteld. Door de voortdurend onjuiste berichtgeving begrijpt niemand meer iets van de strafzaak of hecht nog geloof aan klagers blik op de zaak.
Klager licht verder toe dat in de voorlaatste zitting bij de rechtbank, de Advocaat-generaal de advocaat van klager juist complimenten gaf over diens niet-ontvankelijkheidsverweer. Daarover is echter niet bericht. Wel over het de mond snoeren van de advocaat, terwijl die slechts voor een klein deel werd beperkt in het voorlezen van zijn pleitnotitie.
Voorts heeft klager gesteld dat ook de kop van de rectificatie niet juist is, aangezien daarin ten onrechte is gesuggereerd dat hij een fysiek deel van de harde schijf heeft teruggekregen. In werkelijkheid heeft hij een deel van de inhoud van zijn harde schijf ontvangen met – vooralsnog – onleesbare gegevens.
Ten slotte wijst klager erop dat hij ongeveer een jaar geleden samen met zijn advocaat een gesprek heeft gehad met mevrouw Bastet van de krant, dat ging over de wijze van berichtgeving door Janssen. Volgens klager zou Bastet daarna nog contact opnemen over een vervolggesprek, maar is dat niet gebeurd.
 
Verweerders stellen dat de hoofdredactie op 1 april 2010 in de middag is benaderd door de advocaat van klager, die erop heeft gewezen dat de publicatie van die dag onjuist was. Hierop hebben verweerders toegezegd in de krant van 2 april 2010 op dezelfde plek een bericht op te nemen waarin die fout zou worden hersteld. Daarbij is het bericht voorgelezen aan de advocaat van klager. Aansluitend is de hoofdredactie benaderd door klager zelf. In dat gesprek is klager meegedeeld dat een rectificatie zou worden geplaatst en is de afspraak gemaakt dat een overleg tussen klager, diens advocaat en de hoofdredactie zou plaatsvinden over de wijze van berichtgeving over de strafzaak tegen klager. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 13 april 2010.
Verweerders menen dat in brede mate hoor en wederhoor is toegepast en dat van eenzijdige berichtgeving of een tunnelvisie bij Janssen geen sprake is. Wel kunnen verweerders zich voorstellen dat klager – als gevolg van de opmerkelijk slepende procedure – niet gebaat is bij nieuwe berichtgeving. Het is echter de taak van een medium om te blijven schrijven over opmerkelijke strafzaken, aldus verweerders.
Zij erkennen voorts dat bepaalde elementen in de kwestie onderbelicht zijn gebleven in de verslaglegging over de strafzaak door de jaren heen. Verweerders hebben toegezegd dat deze op een geëigend en relevant moment zullen worden opgepakt.
Tot slot wijzen verweerders er nog op dat geruime tijd geleden een gesprek heeft plaatsgevonden tussen mevrouw Bastet – die de directeur is van De Twentsche Courant Tubantia – klager en diens advocaat. Op het moment dat het ging over de redactionele component, heeft Bastet klager doorverwezen naar de hoofdredactie. Sindsdien heeft klager noch zijn advocaat zich bij de hoofdredactie vervoegd.
Verweerders concluderen dat na de publicatie van 1 april 2010 een rectificatie is geplaatst en twee gesprekken met klager en diens advocaat hebben plaatsgehad. Het bevreemdt verweerders dat de klacht niet is ingetrokken, omdat aan klagers primaire verzoek tot rechtzetting van de foutieve berichtgeving is voldaan.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat op 1 april 2010 onjuist, eenzijdig en tendentieus over de strafzaak tegen klager is bericht en dat die berichtgeving onvoldoende is rechtgezet.
 
Niet in geschil is dat in het artikel van 1 april 2010 ten onrechte is vermeld dat alle telefoontaps aan het hof en klager zouden zijn gegeven. Naar aanleiding van contact daarover met de advocaat van klager hebben verweerders direct de volgende dag een artikel geplaatst waarin is vermeld: “Anders dan wij gisteren meldden, heeft X woensdag op de zitting geen telefoontaps gekregen.” Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders aldus de hiervoor bedoelde onzorgvuldigheid op deugdelijke wijze rechtgezet. Gelet op de aard van de omissie moet de rectificatie als passend worden beschouwd. (zie punt 6.1. van de Leidraad van de Raad)
Hoewel de kop van het artikel van 2 april 2010 “X krijgt deel van harde schijf” wellicht enigszins kort door de bocht is geformuleerd, kan niet worden gezegd dat daarmee journalistiek onzorgvuldig is gehandeld. Bezien in de context van het artikel is voor de gemiddelde lezer duidelijk dat klager een deel van de informatie op de harde schijf heeft teruggekregen, en niet een fysiek onderdeel van de harde schijf zelf.
 
Overigens is niet gebleken dat het artikel van 1 april 2010 nog andere relevante onjuistheden bevat. Voorts is in het artikel ruim aandacht besteed aan het standpunt van klagers advocaat. Dat klager zich niet kan vinden in de parafrase dat het Gerechtshof zijn advocaat ‘de mond heeft gesnoerd’, kan daaraan niet afdoen. Klager heeft immers erkend dat zijn advocaat niet de gehele pleitnota heeft mogen voorlezen. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat – volgens zijn vaste oordeel – in het kader van verslaggeving over rechtszaken niet ontoelaatbaar is dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. (vgl. onder meer RvdJ 2009/1)
Voor zover al sprake zou zijn van min of meer eenzijdige berichtgeving over de strafzaak tegen klager – hetgeen de Raad niet kan vaststellen – hebben verweerders erkend dat door de jaren heen bepaalde elementen onderbelicht zijn gebleven en toegezegd dat deze op een geëigend en relevant moment zullen worden opgepakt.
 
Een en ander leidt tot de conclusie dat de klacht moet worden afgewezen.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 25 juni 2010 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mr. T.E. Klein, mw. E.J.M. Lamers, M. Ülger en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.