2010/25 onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
G. van Oudenallen
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Het Parool
 
Bij brief van 27 december 2009 met vier bijlagen heeft G. van Oudenallen te Amsterdam (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Het Parool (hierna: verweerder). Hierop heeft de secretaris van de Raad klaagster nader geïnformeerd over de werkwijze van de Raad in een brief van 11 januari 2010. Vervolgens heeft klaagster haar klacht nader toegelicht bij brief van 10 april 2010 met een bijlage. De secretaris van de Raad heeft partijen bij brief van 16 april 2010 meegedeeld dat de Raad eerst zal beoordelen of hij bevoegd is over de klacht te oordelen. Verweerder is in de gelegenheid gesteld ten aanzien van de bevoegdheid van de Raad te reageren, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
 
De bevoegdheid van de Raad is beoordeeld ter zitting van de Raad van 21 mei 2010 buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Op 24 december 2009 is in Het Parool een kennisquiz gepubliceerd. Vraag 24 van deze quiz luidt:
“Mokum Mobielraadslid Gonny van Oudenallen raakte in 2005/2006 niet in opspraak door:
a)      illegaal onderverhuren van haar woning.
b)      inschakelen van haar eigen reclamebureautje voor partijzaken.
c)      oraal bevredigen van een D66-raadslid in de parkeergarage van de Stopera.
d)      pinnen van partijgeld voor privé-doeleinden.”
 
HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER
 
Klaagster stelt – kort samengevat – dat de quiz, althans de vraag die betrekking heeft op klaagster, tendentieus en vrouwonvriendelijk is. Klaagster voelt zich gediscrimineerd, beledigd en beschimpt.
Volgens klaagster is verweerder als eindverantwoordelijke in staat om teksten aan te passen die zijn voorgelegd en in opdracht zijn opgesteld. Klaagster verwijst naar een publicatie in HP/De Tijd van 30 december 2009 over de kwestie. Daarin heeft verweerder laten weten dat de quiz niet is gemaakt door de redactie en dat het hier zou gaan om humor. Klaagster meent echter dat van humor geen sprake is, maar van een bewuste poging om haar te kijk te zetten.
 
BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID
 
Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan: een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep. Ingevolge het tweede lid van artikel 4, aanhef en sub a, voor zover thans van belang, moet onder journalist worden verstaan: “degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van een dagblad, nieuwsblad, huis-aan-huisblad of tijdschrift voor zover de inhoud daarvan bestaat uit nieuws, foto’s en andere illustraties, verslagen of artikelen”.
 
De Raad stelt voorop dat verweerder als hoofdredacteur verantwoordelijk is voor de plaatsing van de gewraakte quiz, ook al is deze niet door de redactie opgesteld.

Naar het oordeel van de Raad is echter duidelijk dat verweerder niet heeft beoogd aan de quiz enige nieuwswaarde toe te voegen en dat de publicatie louter althans voornamelijk elementen bevat
van niet-journalistieke aard, zoals (pogingen tot) satire en amusement. Deze elementen hebben een zodanige invloed op de publicatie dat deze in het geheel als van niet-journalistieke aard moet worden aangemerkt. Het journalistieke normenstelsel is voor de beoordeling van dergelijke publicaties niet bedoeld.
 
Hoewel de Raad zich kan voorstellen dat klaagster zich door de publicatie gegriefd voelt, acht hij zich niet bevoegd om de publicatie inhoudelijk te beoordelen. (vgl. onder meer RvdJ 2009/47)
 
BESLISSING
 
De Raad verklaart zich onbevoegd om over de gewraakte publicatie te oordelen.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 25 juni 2010 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mr. T.E. Klein, mw. E.J.M. Lamers, M. Ülger en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.