2010/24 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Stichting Slachtoffers Iatrogene Nalatigheid-Nederland (SIN-NL)
 
tegen
 
R. Steenhorst en de hoofdredacteur van De Telegraaf
 
Bij brief van 22 februari met drie bijlagen heeft mw. mr. S. Hankes, voorzitter, namens de Stichting Slachtoffers Iatrogene Nalatigheid-Nederland (SIN-NL) te Utrecht (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen R. Steenhorst en de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerders).
Vervolgens heeft de secretaris van de Raad bij brief van 2 maart 2010 aan klaagster onder meer verzocht om toezending van een kopie van de gewraakte publicatie. Bij brieven van 4 en 11 maart 2010 heeft klaagster vervolgens nog diverse bijlagen overgelegd.
H. van der Mije, bedrijfsjurist van De Telegraaf, heeft in een e-mailbericht van 11 maart 2010 laten weten dat verweerders niet bij de behandeling van de klacht aanwezig zullen zijn.
Ten slotte heeft klaagster bij e-mail van 22 april 2010 een verzoek om wraking ingediend.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 april 2010 in aanwezigheid van Hankes, die het standpunt van klaagster heeft toegelicht aan de hand van een notitie.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK OM WRAKING
 
Klaagster heeft aan de leden van de Raad verzocht de vraag te beantwoorden of een der leden van de Raad in eerste of tweede graad of relationeel is gelieerd aan artsen, en zo ja: wie en op welke wijze. Verder heeft klaagster aan de leden van de Raad verzocht de vraag te beantwoorden of een der leden van de Raad financiële belangen heeft met onderdelen van de medische sector, en zo ja: hoe en sinds wanneer.
Klaagster heeft voorts specifiek verzocht om wraking van raadslid H. Blanken als adjunct-hoofdredacteur van Dagblad van het Noorden. Klaagster stelt ter zake dat de controverse tussen neuroloog Kuks van het UMC Groningen en klaagster een belangrijk deel van het artikel inneemt. Aangezien de standplaats van Kuks zich in dezelfde regio bevindt als Dagblad van het Noorden, leidt dit tot partijdigheid van Blanken, aldus klaagster. Verder stelt zij dat Dagblad van het Noorden economische belangen heeft, omdat het UMC Groningen personeelsadvertenties plaatst. Bovendien heeft Dagblad van het Noorden eerder misleidend en partijdig bericht over een uitspraak van de rechtbank te Groningen inzake een kort geding procedure tussen klaagster c.q. Hankes en Kuks.
 
Ter zitting heeft de voorzitter van de Raad aan klaagster meegedeeld dat haar vragen niet zullen worden beantwoord, nu het in de onderhavige procedure niet gaat om een beoordeling van medische zaken. Klaagster heeft vervolgens specifiek verzocht om wraking van raadslid mw. drs. M.G.N. Mathot wegens mogelijke familiaire banden met artsen.
 
Gehoord het verzoek en de respons hebben de niet-gewraakte leden van de Raad zo spoedig mogelijk, te weten: ter zitting, over de wraking beslist conform artikel 7 lid 5 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek.
 
Ten aanzien van het verzoek om wraking van de heer Blanken wordt het volgende overwogen. Dat een raadslid werkzaam is voor een medium waartegen weliswaar de klacht niet is gericht, maar dat wel eerder over klager heeft bericht, is onvoldoende om partijdigheid aan te nemen. Bijkomende feiten en omstandigheden kunnen dit anders maken. Gelet op hetgeen klaagster ter zake heeft aangevoerd is, naar het oordeel van de niet-gewraakte Raadsleden, niet gebleken van bijkomende feiten en omstandigheden, die tot vooringenomenheid en partijdigheid van de heer Blanken zouden kunnen leiden.
 
Ten aanzien van het verzoek om wraking van mevrouw Mathot wordt het volgende overwogen. De omstandigheid dat mevrouw Mathot wellicht familiaire banden heeft met artsen, is onvoldoende om  partijdigheid aan te nemen, nu het hier niet gaat om de beoordeling van medische zaken. Niet is gebleken van bijkomende feiten en omstandigheden die tot vooringenomenheid en partijdigheid van mevrouw Mathot zouden kunnen leiden.
 
Het verzoek om wraking is derhalve afgewezen en de klacht is vervolgens inhoudelijk behandeld.
           
DE FEITEN
 
Op 12 januari 2010 is in De Telegraaf een artikel van de hand van R. Steenhorst verschenen onder de kop “Artsen aan de schandpaal”. De intro van het artikel luidt:
“Dokters met een zwarte balk over de ogen, neergezet als medische misdadigers op het internet. Aan de digitale schandpaal genageld, niet slechts met moeilijk herleidbare initialen, maar voluit met hun naam en het ziekenhuis waar zij werken. Omdat ze in de ogen van anderen iets gedaan hebben of nagelaten, iets gezegd hebben of juist niet uitgesproken; kortom omdat er kennelijk íets was in hun handelen dat anderen niet zinde.”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
“Inmiddels zijn er enkele van dit soort Nederlandse medische zwarte lijsten in omloop. Meestal opgezet door gedupeerden en/of nabestaanden van slachtoffers van vermeende medische fouten. Frustratie, machteloosheid maar ook blinde woede lijken ten grondslag te liggen aan dergelijke vormen van openbare strafoplegging.”
en
“De Groningse hoogleraar neurologie J.B.M. Kuks kwam op één van die zwarte lijsten terecht. Tot zijn ontsteltenis, zegt hij. Met zijn volledige naam, datgene dat hem door een patiënt werd aangerekend, en twee portretten, waarvan één effectbelust afgebalkt maar de ander volledig herkenbaar. ,,Toen ik vernam dat ik op die lijst stond”, aldus Kuks, ,,vond ik het eerst niet zo’n probleem. Immers, ik wist wie er achter zat en wat dat in feitelijke zin betekende. Maar andere mensen die van zo’n beschuldiging via het internet kennisnemen, weten dat niet. Zij kennen alle ins and outs niet. Zij zien alleen dat ik kennelijk ’niet deug…’ en hebben geen enkele weet van de achtergronden.” Professor Kuks zegt dat de vermelding op de zwarte lijst van de actiegroep hem uiteindelijk niet in de koude kleren is gaan zitten. ,,Het heeft mijn werk heel erg verstoord, en er kwamen beslist emoties bij.” Erg vond hij dat zijn betrouwbaarheid als neuroloog openlijk in twijfel werd getrokken. ,,Iedereen die mij kent, weet dat de aantijgingen niet terecht waren. Er was één patiënt die niet tevreden was, waarmee een medisch meningsverschil bestond. Kijk, ik ben altijd erg bezig met mijn werk, doe het zeker niet om het geld, maak lange werkdagen, doe veel voor mijn patiënten, ben voor hen ook altijd bereikbaar. En dan dít… Als arts ben je zeker geen heilige, maar je bent weerloos als iemand zomaar negatieve toespelingen maakt waartegen je je eigenlijk niet in het openbaar kunt verdedigen. Dat is inderdaad erg frustrerend.”
en
 “Anesthesioloog prof. dr. B. Smalhout onthulde eind 1972 als eerste Nederlandse arts dat er medische fouten werden gemaakt in ziekenhuizen. „Deze ontwikkeling is niet goed”, aldus de professor. „Het ging er destijds om dat medische fouten werden erkend, het ging ook om schadeloosstelling of excuses aan de patiënt of diens familie. Een digitale schandpaal is een slechte zaak, omdat niemand kan beoordelen hoe een fout, als daar al sprake van is, tot stand is gekomen. In de vliegerij worden fouten, met soms grote menselijke gevolgen, zorgvuldig geanalyseerd teneinde verbeteringen door te voeren… opdat zo’n fout nooit meer voorkomt. Bovendien worden nooit schuldigen bij naam genoemd, er wordt geen heksenjacht geopend. Deze medische zwarte lijsten zijn met de verkeerde instelling opgezet door mensen die gepreoccupeerd zijn door wat hen kennelijk is overkomen. Zij hebben tot doel de arts aan de schandpaal te nagelen, ze verbeteren niet de kwaliteit van de geneeskunde. Ze werken zelfs averechts: artsen zullen daarna zó omzichtig te werk gaan dat het gevaar bestaat dat adequaat medisch ingrijpen te laat komt.”
 
Bij het artikel is een uitsnede van de website van klaagster geplaatst, waarop de naam van klaagster is te zien.
 
HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER
 
Klaagster stelt dat verweerders onjuist en onvolledig hebben gepubliceerd over medische fouten en over de stichting SIN-NL. Het gewraakte artikel gaat over de publicaties van zwarte lijsten van artsen op de websites van klaagster. Volgens haar wordt ten onrechte gesuggereerd dat de lijsten ‘victim blaming’ betreffen, terwijl de lijsten zijn bedoeld als noodmaatregel. Verder wordt ten onrechte de indruk gewekt dat fouten van artsen ‘iets onbetekenends’ betreffen. In de publicatie had in de ogen van klaagster aandacht geschonken moeten worden aan het feit dat er per dag twintig mensen sterven en twintig personen invalide raken door medische fouten. Voorts meent klaagster dat ten behoeve van de volledigheid van het artikel een verwijzing had moeten worden gemaakt naar een uitspraak van de rechtbank Groningen in een procedure tussen klaagster en Kuks. In die uitspraak is geoordeeld dat de publicatie van zwarte lijsten van artsen en de vermelding van Kuks op die lijsten niet onrechtmatig zijn, aldus klaagster. Verder is ten onrechte niet gerefereerd aan een rapport van professor Van Dijk, waarin volgens klaagster wordt geconcludeerd dat artsen structureel eerlijke informatie achterhouden. Daarbij is ten onrechte verzwegen dat de medische sector dit ook heeft erkend in gesprekken met klaagster. Bovendien zijn de websites van klaagster niet in het artikel genoemd, hetgeen onvolledig is. Door de eenzijdige berichtgeving wordt bewust een beeld van slachtoffers als daders en van daders als slachtoffers gecreëerd. Daarbij heeft de auteur misbruik gemaakt van zijn positie, aldus klaagster.
Klaagster meent verder dat verweerders niet deugdelijk hebben onderzocht of de beschuldigingen gegrond zijn en dat onvoldoende onderscheid is gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Dit geldt niet alleen voor de kritiek van Kuks, maar tevens voor de kritiek van professor Smalhout. Klaagster wijst erop dat in het eerste nummer van 2010 van het weekblad Medisch Contact een vrijwel gelijkluidend artikel is verschenen. Volgens klaagster kan worden geconcludeerd dat verweerders geen gedegen onderzoek hebben verricht naar structureel medisch falen en dat sprake is van collaboratie met de artsen in kwestie.
Voorts stelt klaagster dat onvoldoende wederhoor is toegepast. Verweerders hebben haar op geen enkele manier om een reactie gevraagd, hoewel zij de enige patiëntenorganisatie is die zwarte lijsten van artsen en bestuurders publiceert.
Verder hebben de passages met betrekking tot neuroloog Kuks duidelijk betrekking op een eerder conflict tussen Kuks en de voorzitter van klaagster. Ook ten aanzien van deze beschuldigingen is niet aan betrokkene om een reactie gevraagd.
Ten slotte stelt klaagster dat verweerders onzorgvuldig hebben gehandeld door zonder haar toestemming een uitsnede van haar website te publiceren.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat de journalist waarheidsgetrouw bericht. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers, en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. Bovendien maakt de journalist in de berichtgeving een duidelijk onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen. (zie punten 1.1. en 1.4. van de Leidraad van de Raad)
De journalist en zijn redactie zijn echter vrij in de selectie van nieuws. Het is aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. (vgl. RvdJ 2010/11)
 
In dit geval acht de Raad van belang dat klaagster met het maken van haar websites zelf de publiciteit heeft gezocht en zich kwetsbaar heeft gemaakt voor kritiek op haar handelwijze. Klaagster lijkt uit het oog te verliezen dat over (de effecten van) publicaties als de hare nu eenmaal, ook onder ‘deskundigen’, zeer verschillend wordt gedacht. Het stond verweerders vrij om artsen te laten reageren op de publicaties van klaagster.
Daarbij komt dat in het artikel weliswaar negatieve kwalificaties over het fenomeen zwarte lijsten worden geuit, maar dat slechts sprake is van een indirect verband met klaagster. Immers, in het artikel wordt niet specifiek ingegaan op de websites van klaagster, maar wordt het publiceren van zwarte lijsten van artsen op internet in het algemeen behandeld. De aanwezigheid van een (relatief kleine) afbeelding van de website van klaagster dient slechts als illustratie.
 
De Raad is van oordeel dat verweerders, hoewel zij in het gewraakte artikel hebben gekozen voor een voor klaagster onwelgevallige invalshoek, voldoende evenwichtig over de kwestie hebben bericht en daarbij voldoende onderscheid hebben gemaakt tussen feiten en beweringen. Uit de door klaagster overgelegde stukken blijkt voorts dat verweerders, in tegenstelling tot wat klaagster heeft gesteld, in een eerdere publicatie wel degelijk vanuit een andere invalshoek aandacht aan medische fouten hebben besteed. Van structurele eenzijdige berichtgeving over dit onderwerp door verweerders is dan ook geen sprake.
 
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het nalaten van wederhoor in dit geval niet journalistiek onzorgvuldig is. Dat wederhoor waarschijnlijk tot een vollediger beeld van de beweegredenen en doelstellingen van klaagster zou hebben geleid en dat verweerders dus in zoverre een journalistieke kans hebben gemist, leidt niet tot een ander oordeel.
 
Een en ander leidt tot de conclusie dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 14 juni 2010door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, H. Blanken, T.R. Harkema, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en H. Osinga, adjunct-secretaris.