2010/23 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van De Stentor
 
Bij brief van 11 november 2009 met een bijlage heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Stentor (hierna: verweerder). Hierop heeft de secretaris van de Raad bij brief van 20 november 2009 klager nader geïnformeerd over de klachtprocedure. Nadat partijen vervolgens tevergeefs hebben getracht tot een minnelijke oplossing te komen, heeft klager per brief van 19 februari 2010 laten weten de klacht voor te willen leggen aan de Raad. Per brief van 1 maart 2010 met vier bijlagen heeft A. Engbers, hoofdredacteur, op de klacht gereageerd. Klager heeft zijn standpunt nog nader toegelicht in een e-mailbericht van 19 april 2010 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 april 2010. Klager is niet ter zitting verschenen. Namens verweerder is daar R. Krabben, adjunct-hoofdredacteur, verschenen.
 
DE FEITEN
 
Klager is secretaris van de Stichting Mobiliteit en Milieu Noordveen (verder: de Stichting) die ten behoeve van de verbetering van de plaatselijke leefomgeving te Zutphen is opgericht. Naar aanleiding van een nieuwsbrief van de gemeente Zutphen heeft klager namens de Stichting een e-mail aan de gemeente gestuurd. In dit e-mailbericht heeft klager een vergelijking gemaakt met nazi-praktijken. Naar aanleiding van dit bericht heeft de gemeente Zutphen besloten de contacten met de Stichting te verbreken.
 
Vervolgens is in De Stentor/Zutphens Dagblad van 20 juni 2009 het artikel “Gemeente woedend over brief Noordveen” met de onderkop “Stichting beticht wethouder van ‘nazi-praktijken’” verschenen. Dit artikel, waarin klager wordt genoemd, is tevens op de website van De Stentor gepubliceerd.
Bij dit artikel is een bericht geplaatst onder de kop “Voorzitter: ik zou dit nooit schrijven” met de onderkop “Stichting: gemeente kan deur niet dichtgooien; ze overtreedt de wet”. Hierin wordt K. Sminia, voorzitter van de Stichting, aan het woord gelaten.
           
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij in één van de smerigste straten van Zutphen woont. Hij heeft hierover een e-mailbericht gestuurd naar de gemeente, waarin hij een vergelijking heeft gemaakt tussen het autogebruik in zijn straat en nazi-praktijken. Hij heeft bewust een provocerend bericht gestuurd in de hoop een reactie van de wethouder te ontvangen. Het bericht was zeker niet als belediging bedoeld, aldus klager.
Volgens klager is in het gewraakte artikel onvoldoende wederhoor toegepast. Hij wijst erop dat hij de e-mail heeft gestuurd onder zijn eigen naam en als secretaris van de Stichting. Verweerder heeft echter alleen contact gezocht met de voorzitter van de Stichting, terwijl deze op vakantie was. Klager stelt dat de gewraakte publicatie onvoldoende is gecontroleerd en dat hij onvoldoende kans heeft gekregen om zijn standpunten naar voren te brengen. Daardoor is de kwestie ten onrechte niet van twee kanten belicht. Daarbij komt dat hij al op 19 juni 2009 – dus vóór de publicatie – een excuusbrief aan de gemeente heeft gestuurd. Die excuusbrief is ten onrechte niet meegenomen bij verdere berichtgeving.
Naar aanleiding van de publicatie heeft klager bovendien contact gezocht met verweerder, maar geen mogelijkheid gekregen om alsnog een reactie te verstrekken.
Ten slotte stelt klager zich gekwetst te voelen, omdat naar zijn mening in het gewraakte artikel erg ‘op de persoon is gespeeld’. Klager meent dat zijn naam ten onrechte in het artikel is vermeld en dat zijn privacy daardoor onnodig is geschaad. Hij heeft daarom aan verweerder verzocht het artikel van internet te verwijderen. Verweerder heeft dit ten onrechte geweigerd, aldus klager.
 
Verweerder stelt dat aan het vereiste van wederhoor is voldaan. Het nieuwsfeit was dat de gemeente Zutphen de contacten met de Stichting verbrak. Klager heeft het e-mailbericht aan de gemeente verstuurd in zijn hoedanigheid van secretaris van de Stichting. Vervolgens is bij de publicatie over dit e-mailbericht wederhoor gevraagd aan de voorzitter van de Stichting. Dit wederhoor was in dit geval voldoende, aldus verweerder. Ten tijde van de publicatie was hij niet op de hoogte van de excuusbrief van klager aan de gemeente, zodat hij daarover niet heeft bericht.
Gezien het wederhoor betwist verweerder dat de berichtgeving eenzijdig is geweest. Hij meent dat de brief duidelijk is verstuurd met het oog op provocatie en aandacht, en dat klager derhalve moet instaan voor de gevolgen. Verweerder is verder van mening dat geen privacy is geschonden, aangezien door de overheid verstrekte informatie openbaar is.
Verweerder stelt verder dat hij geen informatie uit zijn internetarchief verwijdert. Hij verwijst naar de rechtspraak van de voorzieningenrechter Amsterdam van 19 februari 2010 inzake verwijdering van artikelen uit het online archief van het Eindhovens Dagblad. Ter zitting verduidelijkt verweerder dat het gaat om een principekwestie. Het verwijderen van artikelen uit het archief leidt tot geschiedvervalsing, aldus verweerder.
Ten slotte stelt verweerder dat de Zutphense redactie enkele malen contact heeft gezocht met klager. Uiteindelijk heeft contact plaatsgevonden, maar is het niet gelukt tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerder de berichtgeving niet tweezijdig heeft gecontroleerd, ten onrechte geen wederhoor heeft toegepast en klagers privacy onnodig heeft geschaad.
 
In dit geval is van belang dat klager de bewuste e-mail aan de gemeente heeft verstuurd in zijn hoedanigheid van secretaris van de Stichting Mobiliteit en Milieu Noordveen. Klager had zich bij de verzending van zijn e-mail kunnen en moeten realiseren dat de – ook naar het oordeel van klager – provocerende inhoud ervan mogelijk naar buiten zou komen. Enige onjuistheid of onzorgvuldigheid in de berichtgeving waartoe de e-mail heeft geleid, is niet aannemelijk gemaakt.
 
Het feit dat klager het e-mailbericht heeft verstuurd als secretaris van de Stichting brengt tevens mee dat het toepassen van wederhoor bij de voorzitter van de Stichting in beginsel voldoende is. Dit wederhoor is toegepast en in de berichtgeving verwerkt. Bijzondere omstandigheden die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn in dit geval klager om een persoonlijke reactie te vragen, zijn niet gebleken. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
 
De Raad meent voorts dat klagers privacy niet verder is aangetast dan in het kader van de berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk was. Klager heeft zijn e-mail immers gestuurd als secretaris van de Stichting. De vermelding van dit feit, waarbij klager is genoemd, is journalistiek relevant en niet ontoelaatbaar. Dat dit klager niet welgevallig is, kan daaraan niet afdoen. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)
 
Ten slotte overweegt de Raad dat het publieke belang van zo volledig mogelijke, betrouwbare archieven waarvan de inhoud niet kan worden gewijzigd, in beginsel zwaarder weegt dan het belang dat personen kunnen hebben bij het verwijderen of anonimiseren van gearchiveerde artikelen. (zie punt 2.2.8. van de Leidraad)
In aanmerking genomen hetgeen hiervoor ten aanzien van de privacy van klager is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het publieke belang in dit geval dient te wijken voor het privébelang van klager.
 
Een en ander leidt tot de conclusie dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 14 juni 2010 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, H. Blanken, T.R. Harkema, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. J.G.T.M. Wartenbergh, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en H. Osinga, adjunct-secretaris.