2010/22 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek

inzake de klacht van

 

Pals Groep B.V.

 

tegen

 

de hoofdredacteur van TROS Radar

 

Bij brief van 1 februari 2010 met vijf bijlagen heeft mr. J.F. Schultz namens Pals Groep B.V. te Emmen (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van TROS Radar (hierna: verweerder). Hierop heeft verweerder bij brief van 11 februari 2010 met een bijlage te kennen gegeven aan de procedure geen medewerking te verlenen. Verder heeft verweerder aan de Raad verzocht terughoudend om te gaan met de aanname en de beoordeling van de zaak.

 

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 maart 2010. Namens klaagster is daar mr. Schultz verschenen.

 

Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een dvd-opname van de gewraakte uitzending bekeken.

 

DE FEITEN

 

Op 11 januari 2010 is in het televisie programma TROS Radar aandacht besteed aan ‘no cure, no pay’-dienstverlening van letselschadebureaus. Het item wordt door presentatrice Hertsenberg ingeleid als volgt:

“Vanavond hebben wij aandacht voor de listige wijze waarop juristen, die letselschadezaken behartigen, zoveel mogelijk geld proberen binnen te halen. Niet voor het slachtoffer, maar voor zichzelf.”

Smit, directeur Slachtofferhulp Nederland, zegt:

“Ik kreeg van de week ook weer een geval onder ogen van een cliënt die gewoon bedonderd wordt door een belangenbehartiger die tegen een heel hoog ‘no cure, no pay’-percentage zijn zaak behartigt. En dan (…) ook nog een keer zijn uren declareert bij een verzekeraar. Dat is gewoon besodemieterij, dat is gewoon oplichting.”

Hertsenberg: 

“Als je slachtoffer bent van een ongeluk en misschien wel nooit meer aan het werk kunt, dan zou je verwachten dat het letselschadebureau, dat je inschakelt, zich voor jóu inspant. Maar de praktijk is dat letselschadebureaus dubbel betaald worden en hun cliënten op slimme wijze grote sommen geld afhandig maken.”

 

Verderop in de uitzending wordt door de voice-over bericht:

“Een van de grootste en bekendste letselschadebureaus is de Pals Groep. De Pals Groep is het levenswerk van de 77-jarige Bert Pals, oud-directeur van het bedrijf. Hij is degene die in de jaren ’70 ‘no cure, no pay’ invoert, omdat de buitenrechtelijke kosten dan nog niet worden vergoed.”

Daarop zegt Pals:

“’No cure, no pay’ was naar mijn smaak nodig omdat de rechtsbijstand die een slachtoffer wilde hebben, niet voor vergoeding in aanmerking kwam. Dus hij moest het zelf betalen en wist van tevoren ook niet wat het zou gaan worden. Dus een grote drempelvrees om naar iemand toe te gaan die je – waarvan hij dacht – dat die er wel verstand van zou hebben.”

De voice-over meldt hierna:

“In de jaren ’90 verandert de wet en worden de buitengerechtelijke kosten wel vergoed. Als de aansprakelijkheid vaststaat, is ‘no cure, no pay’ volgens Bert Pals niet meer nodig. Hij wilde op uurbasis gaan werken en ‘no cure, no pay’ afschaffen. Maar zijn partners zijn fel tegen.”

Pals zegt vervolgens:

“Mijn standpunt is altijd geweest en tot op de dag van vandaag nog: het belang van het slachtoffer moet altijd prevaleren; is altijd belangrijker dan het belang van het bedrijf. En daar wordt de laatste tijd wel eens heel erg de hand mee gelicht. Dat niet het belang van het slachtoffer het belangrijkste is, maar het belang van het bedrijf dat de rechtshulp verleent. Het is puur geld.”

Voice-over:

“Het meningsverschil tussen Pals en zijn partners loopt zo uit de hand dat Pals zijn bedrijf verkoopt. Hij moet vervolgens met lede ogen toezien hoe zijn bedrijf verandert in, zoals hij het noemt, een graaimachine.”

Pals:

“Het is gewoon handel geworden. Schaderegeling is handel. Zeg maar handel in menselijke ellende kun je wel zeggen.”

Hertsenberg zegt vervolgens:

“Handel in menselijke ellende dus. Om te kijken hoe de voorlichting in de praktijk plaats vindt, maken we zelf een aantal afspraken met letselschadebureaus. Met de verborgen camera.”

 

Verderop in de uitzending wordt met betrekking tot convenanten door de voice-over bericht:

“Bij ‘no cure, no pay’ verdient de letselschadejurist dus zowel via de verzekeraar als via het slachtoffer. Van het slachtoffer krijgt hij het afgesproken percentage, bijvoorbeeld vijftien procent van het schadebedrag. Nu zijn er ook bureaus die dat percentage teruggeven aan het slachtoffer en dat is voordelig zou je zeggen. Alleen wordt er niet bij verteld dat de letselschadejurist daartoe een geheim convenant heeft gesloten met de verzekeraars. Dit is nooit eerder bekend geworden, maar wij wisten onze hand te leggen op enkele van deze contracten. In geheime convenanten staat dat de belangenbehartiger een vaststaand percentage van de schadevergoeding krijgt. Daardoor kan hij mogelijk nog meer verdienen.”

en voorts:

“Wrang is dat het slachtoffer van niks weet. De convenanten zijn strikt geheim, terwijl zonder het convenant het slachtoffer wellicht een veel hoger schadevergoeding had kunnen krijgen. En er zit nog een adder onder het gras. Als het slachtoffer niet akkoord gaat met de schikking die de Pals Groep voorstelt, bijvoorbeeld omdat hij het bedrag te laag vindt, dan eist de Pals Groep alsnog de 15% op van het schadebedrag dat ze hadden kunnen krijgen. Een voorbeeld daarvan is dit contract.”

en verder:

“Hoezo ‘no cure, no pay’?”

 

Het item wordt afgesloten met een vraaggesprek tussen Hertsenberg en Schultz.

Hertsenberg (H): “Bij mij in de studio zit Freek Schultz, directeur van de Pals Groep, welkom. U maakt in het geheim afspraken met de tegenpartij van uw cliënt. Waarom doet u dat stiekem?”

J.F. Pals (P): “Hier is sprake van een misvatting denk ik. Wat er aan de hand is, is dat wij met een aantal verzekeraars werkafspraken hebben gemaakt. En die werkafspraken voorzien erin, met name, om het schaderegelingproces soepeler te laten verlopen.”

H: “Voor u en voor de verzekeraar?”

P: “Met name voor het slachtoffer.”

H: “Ja, maar die weet hier niks van. Het slachtoffer weet niet dat u afspraken gemaakt heeft met de verzekeraar. Wij hebben verschillende cliënten van u gesproken, die wisten het niet. En wij hebben met een medewerker van u gesproken, die zegt dat het bestaand beleid is dat het mensen niet verteld wordt. Wij hebben uw interne documenten en daarop staat: intern/vertrouwelijk. En ook de verzekeraars die zijn er bijzonder schimmig over. Waarom is dit geheim als dit zo gunstig zou zijn voor de slachtoffers?”

P: “Nou, het is helemaal niet geheim, laat ik daarmee beginnen. Als u daarover informatie heeft, dan is dat nieuw voor mij.”

H: “Staat die 21% dan in de contracten die u sluit met uw slachtoffers?”

P: “Nee, natuurlijk niet, dat kan ook niet.”

(…)

           

HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER

 

Volgens klaagster wordt in de gewraakte uitzending ten onrechte gesteld dat ‘no cure, no pay’-dienstverlening van letselschadebureaus bij een ‘vaststaande aansprakelijkheid’ onnodig en onjuist is. Klaagster stelt dat haar letselschadebureau in een dergelijk geval juist wel ‘no cure, no pay’-dienstverlening adviseert. Bij een erkende aansprakelijkheid worden volgens klaagster door verzekeraars niet zelden de kosten ter discussie gesteld, waardoor ‘no cure, no pay’-dienstverlening ook in dat geval geschikt is. Klaagster meent dat in de uitzending onvoldoende onderscheid is gemaakt tussen feiten, beweringen en meningen. Zij stelt verder dat de informatie niet op juistheid is gecontroleerd en dat verweerder niet heeft onderzocht of de beschuldigingen zijn voorzien van een deugdelijke grondslag.

Verder bestrijdt klaagster de in de uitzending genomen stelling over de vertrouwelijkheid van convenanten die klaagster heeft afgesloten met verzekeraars. Ten onrechte wordt beweerd dat deze convenanten geheim zijn. Klaagster merkt op dat gebruik is gemaakt van een ‘outdated’ convenant.

Klaagster wijst er verder op dat door de onjuiste informatie de politiek op verkeerde wijze is geïnformeerd. Volgens haar heeft SP-kamerlid Gerkens zich laten leiden door de onjuiste bevindingen van ‘Radar’. Klaagster refereert aan het antwoord van de Minister van Justitie op Kamervragen van Gerkens, waarin de Minister onder meer schrijft dat de door letselschadebureaus afgesloten convenanten niet geheim zijn.

Klaagster merkt ter zitting op dat in de uitzending letselschadebureaus beschuldigd zijn van ‘dubbel declareren’. Volgens klaagster is, hoewel miniem, aangegeven dat deze beschuldiging geen betrekking heeft op klaagster. De beschuldiging maakt dan ook geen deel uit van haar klacht. Wel van belang is, aldus klaagster, dat er ruim 600 keer gebeld is met de in de uitzending genoemde informatielijn. Daarvan ging de helft van de vragen over de Pals Groep en hadden de meeste vragen betrekking op dubbel declareren.

Daarnaast benadrukt klaagster dat door de onjuiste informatie weliswaar weinig klanten zijn opgestapt, maar dat haar bureau wel veel vragen krijgt over de in de uitzending geuite beschuldigingen. Ook is het aantal nieuwe klanten in januari afgenomen. Klaagster wijst erop dat de Vereniging voor Letselschadeadvocaten een lijst samenstelt van leden die uit het lidmaatschap worden ontzet, maar dat zij niet op deze lijst voorkomt.

Verder stelt klaagster dat verweerder onvoldoende heeft geverifieerd of de informatie juist was en onvoldoende wederhoor heeft toegepast. Ter zitting verduidelijkt zij dat dit deel van haar klacht betrekking heeft op de kritiek inzake ‘no cure, no pay’-dienstverlening. De verstrekte informatie over de voordelen van ‘no cure, no pay’-dienstverlening is ten onrechte niet in de uitzending weergegeven, aldus klaagster. Zij benadrukt dat in het vraaggesprek aan Schultz niet de kans werd geboden om op dit onderwerp in te gaan. De discussie over ‘no cure, no pay’-dienstverlening is derhalve eenzijdig belicht, aldus klaagster.

Zij stelt voorts dat verweerder zich heeft bediend van beweringen van personen die in financieel en emotioneel conflict waren met klaagster. Volgens klaagster hadden deze informanten belang bij het uiten van beschuldigingen aan haar adres. Klaagster wijst erop dat één van de bronnen een arbeidsconflict met haar heeft. De geïnterviewde heer Pals – oprichter van de onderneming – heeft zich opgeworpen als vertegenwoordiger van die bron, zodat ook hij een tegenstrijdig belang heeft. Klaagster meent dat verweerder derhalve had moeten afzien van de uitzending van delen van het programma die op de meningen van de informant en de heer Pals waren gebaseerd. In ieder geval had verweerder ter zake wederhoor moeten toepassen, hetgeen hij heeft nagelaten.

Ten slotte stelt klaagster dat verweerder gebruik heeft gemaakt van een verborgen camera, terwijl ook andere wegen openstonden om de zaak scherp voor het voetlicht te brengen. Ter zitting wijst klaagster erop dat haar onderneming welwillend zou hebben gestaan tegenover het maken en filmen van een item.

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

 

Kern van de klacht is dat in de uitzending onjuiste beweringen zijn gedaan over de dienstverlening van klaagster, waarbij onvoldoende onderscheid is gemaakt tussen feiten en meningen en gebruik is gemaakt van ondeugdelijke bronnen, terwijl onvoldoende wederhoor bij klaagster is toegepast.

 

In de uitzending is de zogeheten ‘no cure, no pay’-dienstverlening van letselschadebureaus, waaronder klaagster, kritisch aan de kaak gesteld. Daarbij zijn met name de negatieve aspecten van die dienstverlening belicht.

De Raad overweegt in dat verband dat een journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. Het is dan ook aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. Er bestaat evenmin een journalistieke norm die meebrengt dat een (hoofd)redactie bij een uitzending over een bepaald onderwerp (alle) voor- en tegenstanders aan het woord dient te laten. (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad)

 

Het voorgaande neemt echter niet weg dat de journalist eenzijdige en tendentieuze berichtgeving dient te vermijden. (zie punt 1.5. van de Leidraad) Dit brengt mee dat op de journalist de verantwoordelijkheid rust om – zeker in een consumentenprogramma als TROS Radar – zoveel mogelijk een gebalanceerd beeld te schetsen. Uit een oogpunt van evenwichtige berichtgeving dient dan ook bij voorkeur in een en dezelfde publicatie tot uitdrukking te komen dat met betrekking tot hetgeen daarin aan de orde is gesteld, wederhoor is toegepast. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)

 

In de uitzending is onder meer als onjuist bestempeld dat ‘no cure, no pay’-dienstverlening wordt geadviseerd in kwesties waarin de aansprakelijkheid is erkend. Blijkens de uitzending is dat oordeel gebaseerd op de meningen van diverse betrokkenen en experts.

Voor zover juist is dat een aantal beschuldigingen afkomstig is van personen die ten tijde van de publicatie met klaagster in conflict waren – zoals klaagster heeft gesteld – kan niet worden geoordeeld, dat verweerder ten onrechte alleen is uitgegaan van de betrouwbaarheid van die bronnen als brengers van objectieve feiten. De opvattingen van personen die mogelijk in conflict zijn met klaagster, worden in de uitzending voldoende ondersteund door andere, onafhankelijke bronnen. (zie punt 2.2.5. van de Leidraad)

 

Daarbij komt dat mr. J.F. Schultz namens klaagster in de uitzending op de beschuldigingen heeft kunnen reageren. Uit de door klaagster overgelegde stukken blijkt dat mr. Schultz in een e-mailbericht van 6 januari 2010 is uitgenodigd voor het gesprek in de uitzending van 11 januari 2010. In dat e-mailbericht is onder meer vermeld:

“Maandag aanstaande staat de belangenbehartiger centraal. In hoeverre spelen zij een rol bij secundaire victimisatie? Handelen zij altijd in het belang van het slachtoffer? We zien dat dit vaak niet het geval is bij letselschadebureaus die onnodig no cure no pay hanteren. Bureaus die van de verzekeraar de BGK krijgen vergoed én daarnaast een % van de schadevergoeding vragen. Wij laten daarvan een voorbeeld zien, een gedupeerde komt aan het woord. Verder laten we zien dat no cure no pay door bureaus vaak wordt aangeraden, zo ook door de Pals-groep. Wij vragen ons in de uitzending af of dit wel altijd nodig is. Immers, als de aansprakelijkheid duidelijk is, dan worden de BGK vergoed. Kortom: wij stellen ter discussie of no cure no pay wel altijd in het belang is van het slachtoffer. Staat het slachtoffer altijd centraal? In de uitzending zullen professor Akkermans van de VU en Jaap Smit van Slachtofferhulp Nederland hun visie geven. Daarnaast legt Bert Pals uit hoe hij ooit no cure no pay heeft ingevoerd en wat hij daarmee voor ogen had.”

Aan mr. Schultz is aldus voldoende de mogelijkheid geboden om zich voor te bereiden op het studiogesprek. Hem is voldoende duidelijk meegedeeld, waarop zijn commentaar betrekking moest hebben. In de uitzending is mr. Schultz uitgebreid aan het woord gelaten. Gezien diens juridische achtergrond moet hij in staat worden geacht kritiek als de onderhavige te pareren, een eenzijdig – en voor klaagster negatief – beeld te nuanceren en geuite beschuldigingen te weerspreken.

De vragen van de presentatrice hadden uiteindelijk voornamelijk betrekking op ‘geheime convenanten’. Hoewel het – gezien de maatschappelijke impact van consumenten-programma’s als TROS Radar – wellicht zorgvuldiger was geweest wanneer verweerder in het vraaggesprek met mr. Schultz alle beschuldigingen expliciet had voorgelegd, heeft verweerder niet journalistiek onzorgvuldig gehandeld door dit na te laten. Mr. Schultz had ervoor kunnen kiezen in het gesprek zelf de voordelen van ‘no cure, no pay’-dienstverlening naar voren te brengen en nader in te gaan op het adviseren van ‘no cure, no pay’ bij erkende aansprakelijkheid. Van het overvallen met feiten of slechts onder onredelijke tijdsdruk bieden van een mogelijkheid tot wederhoor, is geen sprake. Voor zover mr. Schultz namens klaagster geen adequaat gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid tot wederhoor, kan dat verweerder niet worden verweten.

 

 

 

Voor zover klaagster heeft aangevoerd dat de in de uitzending gedane uitlatingen over het (vermeende) geheime karakter van convenanten tussen letselschadebureaus en verzekeraars niet accuraat zijn, is de Raad van oordeel dat ook op dat punt mr. Schultz in het vraaggesprek uitgebreid de mogelijkheid heeft gekregen om de beweringen ter zake te ontkrachten.

 

Tot slot overweegt de Raad dat het gebruik van verborgen opname-apparatuur in beginsel niet toelaatbaar is. Hiervan kan de journalist alleen afwijken als hem geen andere weg open staat om een ernstige misstand aan het licht te brengen of een zaak van maatschappelijk belang scherper te belichten, mits de werkwijze geen onevenredige inbreuk maakt op de privacy en de veiligheid van betrokkenen. (zie punt 2.1.5. van de Leidraad)

Verweerder heeft met de uitzending kennelijk beoogd zijn kijkers te informeren omtrent misstanden in de branche van letselschadebureaus. Die misstanden zouden onder meer erin zijn gelegen dat sommige bureaus ten onrechte ‘no cure, no pay’-dienstverlening adviseren.
De Raad meent dat de beelden (een aantal) letselschadebureaus wellicht ten onrechte een ‘schimmig’ imago hebben gegeven, maar acht het aannemelijk dat verweerder zonder toepassing van de gevolgde werkwijze niet aan het licht had kunnen brengen of bedoelde misstanden al dan niet bestaan. Daarbij komt dat de beelden de geuite beschuldigingen ondersteunen en daardoor relevant zijn voor de onderbouwing van de kritiek.

Klaagster heeft weliswaar gesteld dat zij had mee willen werken aan een opname, maar zij heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder in dat geval het hiervoor geformuleerde doel van de uitzending had kunnen verwezenlijken.

Voorts acht de Raad van belang dat de betrokken medewerkers van de letselschadebureaus onherkenbaar in beeld zijn gebracht. Ook de overige aspecten van de opnamen maken niet dat er een onevenredige inbreuk wordt gemaakt op de rechten en rechtmatige belangen van betrokkenen. (zie punt 2.1.7. van de Leidraad)

De Raad acht de door verweerder gevolgde werkwijze dan ook niet journalistiek onaanvaardbaar.

 

Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door over klaagster te berichten zoals hij heeft gedaan.

 

BESLISSING

 

De klacht is ongegrond.

 

Aldus vastgesteld door de Raad op 18 mei 2010 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, T.R. Harkema, mw. E.J.M. Lamers, A. Mellink MPA en drs. L.W. Verhagen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en H. Osinga, junior secretaris.