2010/12 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
H. Boere
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘EénVandaag’ (AVRO/TROS)
 
Bij brief van 16 november 2009 met vier bijlagen hebben G. Christiansen en dr. iur. M. Rahmlow, advocaten te Keulen respectievelijk Duisburg, namens H. Boere te Eschweiler (hierna: klager), een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘EénVandaag’ (hierna: verweerder). Hierop heeft J. Kriek, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 18 december 2009 met vier bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 januari 2010. Namens klager is daar voornoemde dr. iur. Rahmlow verschenen, vergezeld door mw. L. Ekkel, tolk. Van de zijde van verweerder waren voornoemde Kriek, J. Ponsen, redacteur, en J. Visser, verslaggever, aanwezig.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad dvd-opnamen van de gewraakte uitzendingen bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 21 september 2009 is in een uitzending van het televisieprogramma ‘EénVandaag’ aandacht besteed aan het proces tegen klager in verband met door hem gepleegde misdaden in de Tweede Wereldoorlog. De reportage wordt ingeluid als volgt:
“We beginnen met één van de laatste nog levende Nederlandse oorlogsmisdadigers, de 86-jarige Heinrich Boere. Hij werd na de oorlog bij verstek ter dood veroordeeld voor de moord op een aantal verzetstrijders. Na de oorlog vluchtte hij naar Duitsland. Uitlevering aan Nederland was decennia lang juridisch niet mogelijk. En uiteindelijk doet het Duitse Openbaar Ministerie nu een poging om hem alsnog te laten boeten voor zijn daden. Zelf is hij zich van geen kwaad bewust.”
Vervolgens worden beelden getoond van het plaatsje Eschweiler en van het bejaardentehuis waar klager nu woonachtig is. In de reportage komen M. Bicknese, familie van een van de slachtoffers, en U. Maass, Officier van Justitie, aan het woord. Zij laten zich onder meer uit over de vraag of klager al dan niet berouw zou hebben van zijn daden.
Verder worden diverse beelden getoond die met een verborgen camera in de kamer van klager in het bejaardentehuis zijn gemaakt. Zo is te zien dat verslaggever Visser bij een deur van het bejaardentehuis aanklopt, de kamer binnenloopt en zegt: “Goedemiddag meneer Boere”.
Klager: “… will nichts mit Journalisten zu tun haben.” 
Verslaggever Visser: “ Nee, wilt u niks met …”
Klager: “Raus. Ab.”
 
En verderop in de uitzending:
Visser: “Voelt u zich een oorlogsmisdadiger, ein Kriegsverbrecher?”
Klager schudt daarop zijn hoofd en zegt: “Nein” en maakt daarop een wegwuivend gebaar.
Hierna meldt de voice-over:
“De SS-er Heinrich Boere slijt z’n laatste dagen in dit bejaardentehuis in Eschweiler. 88 jaar oud, maar nog helder van geest. Al snel na onze ontmoeting is z’n toon een stuk vriendelijker. Want veel bezoek krijgt ie niet.”
Visser vervolgt: “En hoe heetten uw twee hondjes, die Namen? Was waren die Namen?”
Klager: “Sherry und Kelly. Siebzehn Jahre habe ich die gehabt. Ich bin immer mit die spazieren gegangen.”
 
Verderop in de uitzending zegt klager: “Mein Vater war dreizehn Jahre arbeitslos wenn ich neunzehn Jahre war. Meine Mutter war Deutsch, mein Grossvater war Deutsch.” Klager wijst op een aantal foto’s in zijn kamer en vervolgt: “Und ich war ook mit die Deutscher.”
 
Later in de uitzending vraagt de verslaggever aan klager: “Heeft u er spijt van? Van wat er allemaal is gebeurd, van wat u heeft gedaan?”
Klager: “Sicher, es war ja alles Blödsinn, nicht? Also da muss man es machen. Befehl ist Befehl. Oder….” En klager maakt een gebaar dat hij anders afgemaakt zou worden. “Man kam gar nicht mehr nach Hause”.
Verslaggever: “Wist u niet dat het onschuldige mannen waren?”
Klager: “Was für Männer?”
Verslaggever: “Die Opfer”
Klager: “Pff, wir haben alles gemacht. Die haben uns so fertig gemacht in die Ausburgerung [de SS-opleiding] nicht, tot wir nichts mehr wussten.”
 
Verderop in de uitzending zegt klager: “Ich kann nur beten fur was passiert is, nicht? Mehr kann ich nicht tun.” (…)
 
Later vraagt de verslaggever: “Hoe gaat het met uw gezondheid?”
Klager: “Ich kann nur sitzen, nicht mehr laufen, nicht mehr stehen. Ohne sitzen kann ich gar nichts mehr.”
(…)
Verslaggever: “Aber vielleicht mussen sie im Gefängnis.”
Klager: “Ob ich hier sitz oder da. Das macht doch nichts aus wann man so alt ist als ich. Nicht? Und die haben auch Fernsehen im Gefängnis habe ich gehört. Was woll ich dann noch mehr. Ich brauch auch nicht mehr hier. Hier ist auch genau wie einem Gefängnis.”
 
Een aantal van deze beelden is herhaald in een uitzending van ‘EénVandaag’ van 28 oktober 2009.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager betoogt dat verweerder journalistiek ontoelaatbaar heeft gehandeld door met een verborgen camera beelden en geluid van hem op te nemen en die opnamen vervolgens openbaar te maken.
Klager zet uiteen dat het openbaar ministerie te Dortmund jegens hem een opsporingsonderzoek heeft verricht wegens drievoudige moord. Hij zou die strafbare feiten in 1944 hebben gepleegd als lid van de SS in Nederland. Wegens deze feiten is hij in Nederland reeds veroordeeld, maar verzoeken tot uitlevering bleven zonder gevolg. Inmiddels is de zaak aanhangig bij het Landgericht te Aken, waar op 28 oktober 2009 het onderzoek ter terechtzitting is begonnen. De zaak heeft veel aandacht getrokken van met name de Nederlandse pers, omdat het gaat om een van de laatste processen, waarin de gebeurtenissen ten tijde van het nationaalsocialisme centraal staan en de feiten in Nederland zouden hebben plaatsgevonden.
Klager benadrukt dat hij lijdt aan een ernstige hartaandoening en dat het Landgericht te Aken vanwege die gezondheidsproblemen aanvankelijk de behandeling van de zaak ter terechtzitting heeft afgewezen.
Ten aanzien van het maken van de gewraakte opnamen stelt klager verder dat op 19 augustus 2009 twee journalisten van ‘EénVandaag’ zijn kamer in het bejaardentehuis betraden. Klager wijst erop dat hij onmiddellijk nadat de journalisten binnentraden duidelijk maakte dat hij niet met hen wilde spreken. Ondanks dat klager ook later met een handbeweging duidelijk maakte dat de personen de kamer moesten verlaten, bleven zij in de kamer. Ter zitting wordt benadrukt dat klager op zijn rolstoel is aangewezen en een oude man is, waardoor hij zich niet aan het gebeuren kon onttrekken. Bovendien bemoeilijkte die situatie hem om de personen te bewegen de kamer te verlaten.
De journalisten slaagden erin klager in een gesprek te verwikkelen. Het hele gesprek is met een verborgen camera opgenomen en delen ervan zijn uitgezonden. Klager wist niet dat er opnamen werden gemaakt, laat staan dat deze op de Nederlandse televisie zouden worden vertoond en op internet zouden worden geplaatst. Daarvoor heeft klager geen toestemming gegeven en dat zou hij ook nooit hebben gedaan. Ter zitting wordt hieraan toegevoegd dat redacteuren van ‘EénVandaag’ weliswaar contact hebben gehad met de advocaat van klager, maar dat geenszins een afspraak bestond over een interview met klager. Benadrukt wordt dat in het belang van klagers verdediging sinds enige tijd zeer terughoudend wordt omgegaan met contacten met de pers. Daarom is ook met het bejaardentehuis de afspraak gemaakt dat geen journalisten worden toegelaten, aldus klagers raadsman ter zitting.
Klager acht van belang dat over de zaak die aan de berichtgeving ten grondslag ligt, sinds jaren reportages zijn te vinden in de Nederlandse, Duitse en internationale pers. Er was dan ook film- en beeldmateriaal voorhanden dat voor de reportage gebruikt had kunnen worden. Ter zitting wordt daarbij verwezen naar een documentaire van de NPS van 10 jaar geleden en naar een reportage in het Duitse tijdschrift Focus. Volgens klager was het dus niet nodig hem in zijn eigen woning met een verborgen camera te filmen teneinde het publiek over de zaak te informeren. Daarbij komt dat de behandeling van de zaak door de rechtbank in het openbaar plaatsvindt. Voorts acht klager relevant dat hij zeer ernstig ziek is, hetgeen ook duidelijk blijkt uit de opnamen. Vanwege zijn zware hartaandoening bestond het concrete gevaar dat hij zich zou kunnen opwinden en zou kunnen sterven.
Volgens klager zijn de gedragingen van verweerder dan ook niet te rechtvaardigen, ook niet met een beroep op de persvrijheid.
 
Verweerder geeft allereerst een korte toelichting op de achtergronden van klager, ter verduidelijking van het besluit om het item over klager te maken. Hij wijst erop dat klager bij verstek ter dood is veroordeeld wegens de moord op drie Nederlanders, die hij in 1944 zou hebben gepleegd als lid van de beruchte Feldmeijercommando. Aangezien klager in 1949 uit de gevangenis is ontsnapt en enkele jaren later naar Duitsland is gevlucht, is het tot een tenuitvoerlegging nooit gekomen. Totdat in 2008 het Openbaar Ministerie in Aken besloot toch over te gaan tot vervolging, kon klager als een van de laatst gezochte Nederlandse oorlogsmisdadigers al die tijd in vrijheid leven in Duitsland. Toen bekend werd dat klager alsnog zou worden vervolgd, heeft verweerder contact opgenomen met de familie van de slachtoffers. Zij gaven allen aan dat klager nog nimmer spijt of berouw heeft getoond voor zijn daden. Het proces was zo belangrijk voor hen, omdat zij na decennia te weten wilden komen of klager toch de moorden zou bekennen en berouw zou tonen voor zijn misdaden. Gelet op het maatschappelijk belang besloot verweerder een afspraak te maken met de openbaar aanklager en ook met de advocaat van klager.
Volgens verweerder had zijn verslaggever op 19 augustus 2009 een afspraak met klagers advocaat voor een interview met klager. Het doel van die afspraak was om allereerst de zienswijze van klager en diens advocaat te vernemen. Aan hen zouden ook de twee belangrijkste vragen worden gesteld, namelijk of klager de misdaden wilde bekennen en of hij spijt heeft voor de daden. Ter zitting wordt in dit kader naar voren gebracht dat er enkele keren contact is geweest met de advocaat van klager en dat met hem was afgesproken dat een interview zou worden afgenomen voor de camera. Echter, kort voorafgaand aan het interview is de afspraak door de advocaat afgezegd, zonder opgaaf van reden. Uit het telefonisch contact dat daarna nog heeft plaatsgevonden, werd niet duidelijk of de advocaat in het geheel geen interview meer wilde geven. Eerst tijdens het proces in Aken werd duidelijk dat de advocaat niet meer met ‘EénVandaag’ wilde praten, aldus verweerder ter zitting.
De verslaggever heeft ook contact gezocht met het bejaardentehuis van klager. De redacteur heeft zich daarbij voorgesteld als journalist van het programma ‘EénVandaag’ en gevraagd of hij in verband met het proces kon worden doorverbonden met klager. Door de receptie van het bejaardentehuis werd echter aangegeven dat niet aan het verzoek gehoor zou worden gegeven en dat ze klager met rust moesten laten. Op basis van deze ervaring was de kans aanmerkelijk geweest dat de toegang tot het bejaardentehuis zou worden ontzegd indien men met open camera het tehuis was binnengelopen, aldus verweerder. In het kader van het maatschappelijk belang zag verweerder zich dan ook genoodzaakt om klager met behulp van verborgen camera-apparatuur te bezoeken. Er stond verweerder immers geen andere weg open om de zienswijze van klager persoonlijk dan wel via diens advocaat te belichten. Ter zitting benadrukt verweerder dat het om een persoonlijke reactie van klager op de zaak ging. Op het proces wachten was geen alternatief, aangezien het op de zitting om een juridische belichting van de zaak zou gaan. Inmiddels is ook gebleken dat klager tijdens het proces heeft gezwegen en enkel een verklaring door zijn advocaat heeft laten voorlezen, aldus verweerder.
Verweerder wijst er voorts op dat de verslaggever zich direct bij binnenkomst heeft voorgesteld. Vervolgens zegt klager op kalme toon dat hij niets met journalisten te maken wil hebben. Daarna verloopt het gesprek rustig en normaal en is het zelfs gemoedelijk te noemen. Dat blijkt onder meer uit het fragment waarin de verslaggever vraagt naar de namen van de hondjes van klager. Ook praat klager rustig en duidelijk over zijn oorlogsverleden. Bovendien heeft klager aan het eind van het gesprek tot twee keer toe nadrukkelijk aangegeven dat de verslaggever wel ‘verstandige dingen’ moest opschrijven. Klager leek het belangrijk te vinden dat zijn verhaal goed zou worden verwoord, aldus verweerder ter zitting. Ter zitting voegt Visser hieraan nog toe dat tijdens het gesprek met klager een verpleegster binnenkwam om te vragen waar klager wilde eten. Zij heeft toen tevens bij klager geïnformeerd of alles in orde was. Klager heeft toen op geen enkele wijze te kennen gegeven dat hij wilde dat de verslaggever vertrok.
Verweerder acht het van belang dat de vraag of klager spijt heeft van zijn daden aanleiding was voor het item en dat klager dit antwoord nu in rustige bewoordingen heeft gegeven. Hij benadrukt dat dit voor de families van de slachtoffers het belangrijkste antwoord was waar ze al jaren op zaten te wachten. Bovendien dragen de beelden bij aan de maatschappelijke discussie en publieke meningsvorming omtrent klager, zijn misdaden en het proces, aldus verweerder. Het gebruik van de verborgen camera was het enige nog openstaande middel om de families van de slachtoffers en het Nederlandse publiek hierover te informeren. Verweerder meent dat het gebruik van de beelden, gelet op de misstanden en de tot dan toe onbeantwoord gebleven vragen, maatschappelijk gerechtvaardigd was. Het gebruik van de verborgen camera woog in dit geval zwaarder dan de eerbiediging van de privacy van klager, aldus verweerder. Ter zitting heeft hij in dit kader nog opgemerkt dat klager slechts éénmaal eerder door een Nederlandse televisieploeg was geïnterviewd en dat was tien jaar geleden. Bovendien heeft klager toen wel enige spijt betuigd met betrekking tot één van de slachtoffers, maar de families van de andere slachtoffers wachtten nog tot het moment van de uitzending op enige vorm van berouw van de zijde van klager.

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht is dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van een verborgen camera om beeld en geluid van klager vast te leggen en dat verweerder deze beelden ten onrechte tot tweemaal toe in een uitzending heeft gebruikt.
 
De Raad stelt voorop dat het gebruik van verborgen opname-apparatuur in beginsel niet toelaatbaar is. Hiervan kan de journalist alleen afwijken als hem geen andere weg open staat om een ernstige misstand aan het licht te brengen of een zaak van maatschappelijk belang scherper te belichten, mits de werkwijze geen onevenredige inbreuk maakt op de privacy en de veiligheid van betrokkenen. Voordat een redactie tot publicatie of uitzending van de aldus verkregen beelden overgaat, dient zij het belang dat met de openbaarmaking wordt gediend af te wegen tegen de inbreuk die de publicatie of uitzending maakt op rechten en rechtmatige belangen van betrokkenen. (zie punten 2.1.5. en 2.1.7. van de Leidraad van de Raad)
 
Op grond van hetgeen in de stukken en ter zitting naar voren is gebracht kan worden aangenomen dat contact met klager via diens advocaat voor verweerder niet mogelijk was. Verder acht de Raad aannemelijk dat de verslaggever niet tot het bejaardentehuis zou zijn toegelaten, indien hij daar met open camera was verschenen. Daarbij acht de Raad van belang dat klagers raadsman ter zitting naar voren heeft gebracht dat daarover ook afspraken zijn gemaakt met de receptie van het bejaardentehuis.
 
De vraag is vervolgens of in dit geval sprake is van een zodanig maatschappelijk belang, dat het gebruik van een verborgen camera en de uitzending van de beelden daardoor gerechtvaardigd was. Naar het oordeel van de Raad betreft het hier een grensgeval.
Enerzijds was al bekend dat klager erkende schuldig te zijn aan de drie moorden, en was hij in een NPS-documentaire van ruim 10 jaar geleden ook zelf aan het woord geweest. In zoverre bevatten de gewraakte uitzendingen van ‘EénVandaag’ geen nieuwswaarde.
Daar staat echter tegenover dat de Tweede Wereldoorlog in het algemeen en de voormelde feiten met betrekking tot klager in het bijzonder van grote impact zijn geweest, niet alleen op de familie van de slachtoffers, maar op het gehele Nederlandse publiek. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt voorts genoegzaam dat verweerder heeft beoogd de persoonlijke visie van klager op door hem gepleegde feiten, de ontwikkelingen rond zijn veroordeling en het nieuwe proces vast te leggen. Aldus wordt enig inzicht gegeven in de beweegredenen en persoonlijkheid van klager, die bekend staat als de laatste nog levende Nederlandse oorlogsmisdadiger en daarmee ook model staat voor andere Nederlandse SS-ers. Naar het oordeel van de Raad kunnen de beelden in zoverre worden aangemerkt als een historisch document. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de laatste beelden van klager waarin diens persoonlijke visie aan de orde kwam, ruim tien jaar geleden tot stand zijn gekomen en recente beelden niet voorhanden waren.
 
Voorts acht de Raad in dit geval van belang dat de betrokken verslaggever zich direct bij binnenkomst heeft voorgesteld als journalist, werkzaam voor de televisie. Hoewel klager daarop antwoordde dat hij niets met journalisten te maken wilde hebben en dat ze moesten vertrekken, kan uit de beelden en het verhandelde ter zitting worden opgemaakt dat klager zich niet verder tegen de aanwezigheid van de journalisten heeft verzet, maar op rustige toon het gesprek met hen is aangegaan. Aan het eind van het onderhoud heeft hij zelfs gevraagd zijn verhaal goed op te schrijven.

Al het voorgaande in onderlinge samenhang beziend, is de Raad van oordeel dat klagers privacy niet onevenredig is aangetast en verweerder niet journalistiek ontoelaatbaar heeft gehandeld. De omstandigheid dat tijdens het proces nieuwe beelden van klager zouden kunnen worden gemaakt, kan daaraan niet afdoen. Het maatschappelijk belang was immers gelegen in het belichten van de persoonlijke visie van klager over zijn daden. Verweerder mocht ervan uitgaan dat die persoonlijke en ongedwongen visie tijdens het proces, dat juridisch van aard is, niet (voldoende) naar voren zou komen.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘EénVandaag’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 26 februari 2010 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. A.C. Diamand, T.R. Harkema, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.