2010/10 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
F. Houbraken
 
tegen
 
de hoofdredacteur van NRC Handelsblad
 
Bij brief van 15 oktober 2009 met diverse bijlagen heeft F. Houbraken te Bergeijk (hierna: klager) een klacht ingediend tegen een aantal media. Vervolgens heeft de secretaris van de Raad bij brief van 2 november 2009 aan klager verzocht zijn klacht te beperken tot één specifiek medium. Hierop heeft klager in een e-mail van 4 november 2009 aan de Raad meegedeeld dat hij de klacht richt tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (hierna: verweerder). S. de Jong, plaatsvervangend hoofdredacteur, heeft op de klacht geantwoord in een brief van 17 november 2009.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 22 januari 2010. Klager is daar verschenen, vergezeld door mw. M. Corstiaans, en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerder is daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 1 oktober 2009 heeft klager de redactie van NRC Handelsblad een ingezonden stuk gestuurd met de kop “De toepassing en acceptatie van het geldsysteem als dé oorzaak van de crisis”. In zijn begeleidende e-mail schrijft klager onder meer dat het stuk inhoudelijk meer wetenschapsfilosofisch van aard is. Ook laat klager weten dat hij zich bewust is van de inhoudelijke complexiteit ervan en van het feit dat het geen alledaags betoog is.
 
Bij e-mail van 5 oktober 2009 heeft een redacteur aan klager bericht dat het artikel niet zal worden geplaatst. Als reden wordt daarbij vermeld dat over de kredietcrisis al veel is geschreven en dat de bijdrage van klager wel erg fundamenteel is en meer iets lijkt te zijn voor een tijdschrift.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat zijn klacht min of meer betrekking heeft op een censuur van een bepaalde kijk op de wereld. In dit geval betreft het de benadering van de economie. Klager benadrukt dat de censuur in dit geval waarschijnlijk niet kwaadwillend is, maar dat men de voorkeur geeft aan gevestigde namen betreffende dit onderwerp.
Volgens klager betreft het een algemeen maatschappelijk belang dat hij onder de aandacht wil brengen. Ter zitting voegt hij hieraan toe dat het een moeilijk dilemma is, maar dat hij het gevoel heeft op de situatie te moeten reageren, om niet met zijn geweten in conflict te komen. Hij brengt naar voren dat hij de overtuiging heeft dat de toepassing en acceptatie van het geldsysteem enorme negatieve maatschappelijke gevolgen hebben.
Klager bestrijdt niet het recht van journalisten om vrij te zijn in de selectie van nieuws. Het gaat hem erom dat die selectie wordt gemaakt op grond van het door hen gevormde wereldbeeld. Artikelen die vanuit een ander wereldbeeld worden geschreven, worden als niet relevant beschouwd, maar kunnen een enorm maatschappelijk doel dienen indien ze correct blijken te zijn, aldus klager. Hij heeft dan ook bezwaar tegen de weigering tot plaatsing van zijn artikel.
Klager meent dat verweerder als het ware ‘in een andere wereld leeft’ en in zoverre de weigering niet kwalijk kan worden genomen. De wegingsvrijheid van de redactie is afhankelijk van het wereldbeeld dat men heeft. Klager voegt daar ter zitting aan toe dat de huidige media nagenoeg geen aandacht besteden aan artikelen vanuit een compleet andere benadering van het economische systeem. Klager wijst erop dat hij vanuit een ander paradigma kan verklaren dat de zich ontwikkelende maatschappelijke problemen enorme proporties zullen aannemen als het algemeen toegepaste geldsysteem geaccepteerd blijft. Zijn artikel kan de lezer dan ook andere inzichten geven teneinde de oorzaak van de maatschappelijke problemen te verklaren. Volgens klager probeert men de wereld te begrijpen vanuit een geldend wereldbeeld, dat wordt gevormd door tal van opvattingen en theorieën die collectief worden geaccepteerd. Indien de onderliggende theorieën radicaal veranderen, verandert ook het wereldbeeld en daarmee dus het oordeel van onze waarnemingen. Om die reden dient zijn artikel een groot maatschappelijk belang. Klager ziet zich dan ook, gelet op de onafwendbaarheid van de veranderingen en de wijze waarop mensen vanuit het huidige wereldbeeld daarop reageren, genoodzaakt zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen.
 
Verweerder stelt dat de redactionele vrijheid om ingezonden stukken te beoordelen een erkend journalistiek principe is. Op de website van verweerder wordt dan ook als richtlijn vermeld dat de redactie zich het recht voorbehoud om ingezonden artikelen te weigeren of in te korten.
Ten aanzien van klagers standpunt dat diens artikel een groot belang dient, stelt verweerder dat ook de beoordeling van het belang van het ingezonden stuk onder de redactionele wegingsvrijheid valt. Indien een stuk naar het oordeel van de redactie niets (interessants) toevoegt aan een lopende discussie, dan kan plaatsing worden geweigerd. De redactie kan zich daarin uiteraard vergissen, zeker indien ze zich in een ander ‘paradigma’ bevindt dan de auteur, maar dat laat het algemene principe intact.
Verweerder concludeert dat van censuur geen sprake is, maar wel van het uitoefenen van het erkende recht om ingezonden stukken al dan niet te plaatsen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerder ten onrechte niet is overgegaan tot plaatsing van het door klager ingezonden stuk.
 
De Raad stelt voorop dat het de redactie vrijstaat ingezonden brieven en andere reacties van een naschrift te voorzien of niet te plaatsen, tenzij plaatsing geboden is vanwege bijzondere omstandigheden. (zie punt 5.2. van de Leidraad van de Raad)
 
Voorts zijn een journalist en zijn redactie vrij in de selectie van nieuws. Het is aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht. Er bestaat geen journalistieke norm die meebrengt dat verweerder bij een publicatie over een maatschappelijk onderwerp zoals de kredietcrisis het standpunt van klager daarover zou moeten opnemen. (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad)
Het voorgaande brengt mee dat het verweerder vrijstond te bepalen of hij al dan niet tot publicatie van het door klager ingezonden stuk zou overgaan. De omstandigheid dat het artikel van klager wellicht – gezien de visie van klager op het economische stelsel in relatie tot de huidige maatschappelijke ontwikkelingen – een belangrijk maatschappelijk belang dient, maakt dit – hoe prijzenswaardig de intenties van klager ook zijn – niet anders.
 
Verweerder behoefde bovendien zijn keuze om niet tot publicatie over te gaan niet te verantwoorden. Niettemin heeft hij klager gemotiveerd van zijn besluit in kennis gesteld.
 
Een en ander leidt tot de conclusie dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. onder meer RvdJ 2006/13 en 2005/17)
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 26 februari 2010 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, mw. A.C. Diamand, T.R. Harkema, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.