2009/9 niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van De Telegraaf
 
Bij brief van 9 oktober 2008 met een bijlage heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerder). Hierop heeft de secretaris van de Raad klager bij brief van 10 november 2008 verzocht gemotiveerd aan te geven waarom hij zich niet binnen de termijn van zes maanden na de publicatie tot de Raad heeft gewend. Klager heeft daarop geantwoord in een schrijven van 22 november 2008. Vervolgens heeft de secretaris van de Raad klager bericht dat de Raad zich eerst zal uitspreken over de ontvankelijkheid van klager. Verweerder is in de gelegenheid gesteld ten aanzien van de ontvankelijkheid van klager te reageren, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
 
Ter zitting van 16 januari 2009 heeft de Raad de ontvankelijkheid van klager beoordeeld. Klager is daar, in het bijzijn van zijn partner Y, verschenen en bijgestaan door mw. mr. E.A.C. van Kempen, advocaat te ‘s-Gravenhage.
 
DE FEITEN
 
Op 27 juni 2007 is in De Telegraaf een artikel verschenen onder de kop “Rijswijkers in angst na bomaanslag bus”. De intro van het artikel luidt als volgt:
“Bewoners van de Rijswijkse Schildersbuurt voelen zich niet meer veilig in hun eigen huis, nadat vorige week woensdag ’s nachts in de Willem Marisstraat een Mercedesbus met vermoedelijk een benzinebom is opgeblazen.”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passage:
“Volgens de politie Haaglanden, die tot nu toe over de ontploffingen heeft gezwegen, hebben de branden te maken met de belettering van de ‘klussenbus’. Ook de buurvrouw, die het stel goed kent, weet dat de letters niet goed op de Mercedes waren geplakt en de Haagse tapijtlegger om die reden weigerde de rekening te voldoen.”
In het artikel is vermeld dat de wagen eigendom is van klager en dat deze niet bereikbaar was voor commentaar.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager stelt dat in het artikel ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat de branden rechtstreeks zijn terug te voeren naar een vermeend zakelijk geschil en het niet nakomen van betalingsverplichtingen. Verder wijst klager erop dat zijn volledige naam en adresgegevens in het artikel zijn vermeld, hetgeen een inbreuk vormt op zijn privacy. Daarnaast acht klager van belang dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is toegepast.
Klager benadrukt dat de verzekering door de suggestie die in het artikel wordt gewekt, weigert de geleden schade uit te betalen. Voorts stelt klager dat verweerder geen blijk heeft gegeven van een zorgvuldige belangenafweging en geen rekening heeft gehouden met de reputatieschade, die hij heeft geleden. Klager stelt dat hij na verschijnen van het artikel klanten is kwijt geraakt en dus ook werk en inkomen.
Ter zitting heeft klager erop gewezen dat hij direct na het verschijnen van het artikel een aantal keren contact heeft opgenomen met verweerder. Volgens hem wilde verweerder niet naar hem luisteren en was het niet mogelijk om met verweerder te spreken over eventuele rectificatie. Vervolgens heeft klager alles op alles moeten zetten om het hoofd boven water te houden en zijn gezin te kunnen onderhouden. Door dit alles had hij derhalve iets anders aan zijn hoofd dan het indienen van een klaagschrift. Bovendien, zo is ter zitting naar voren gebracht, was hij niet op de hoogte van het bestaan van de Raad voor de Journalistiek alvorens zijn advocaat hem daar op wees..
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID
 
Artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek luidt:
1.      Een klaagschrift moet worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden.
2.      Een klaagschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn door het secretariaat van de Raad voor de Journalistiek is ontvangen.  
3.      Indien een klaagschrift niet tijdig is ingediend, is de klager in zijn klacht niet-ontvankelijk.
4.      Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend klaagschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de klager in verzuim is geweest.
 
Vaststaat dat de klacht niet binnen zes maanden na de gewraakte publicatie bij de Raad is binnengekomen.
 
Naar het oordeel van de Raad kunnen de door klager aangevoerde omstandigheden niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat klager reeds kort na het verschijnen van het artikel op de hoogte was van het bestaan van de publicatie en zich vervolgens tot verweerder heeft gewend en zijn bezwaren tegen de berichtgeving heeft kenbaar gemaakt.
 
Klager heeft gesteld dat hij zich vervolgens heeft willen richten op het opnieuw opbouwen van zijn bedrijf. Hoewel de Raad begrip heeft voor deze opstelling van klager, is zulks onvoldoende voor het oordeel dat de termijnoverschrijding klager redelijkerwijs niet kan worden tegengeworpen. Het had op de weg van klager gelegen zich nader te informeren omtrent het nemen van verdere stappen, toen hem duidelijk werd dat hij niet in overleg met verweerder tot een oplossing kon komen. Klager moet dan ook in zijn klacht niet-ontvankelijk worden verklaard. (vgl. onder meer: RvdJ 2008/4)
 

BESLISSING
 
Klager is in zijn klacht niet-ontvankelijk.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 13 februari 2009 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. F.W. Dresselhuys, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.