2009/7 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X en Y
 
tegen
 
A. Ruitenbeek en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad
 
Bij brief van 31 oktober 2008 met één bijlage heeft mr. drs. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam, namens X en Y (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen A. Ruitenbeek en de hoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad (hierna: verweerders). Hierop heeft P. Hovestad, adjunct hoofdredacteur, namens verweerders geantwoord in een brief van 26 november 2008, met één bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 december 2008. Y is daar verschenen, vergezeld door mw. mr. E.M.C. van Nielen, advocaat te Amsterdam, die het standpunt van klagers heeft toegelicht aan de hand van een pleitnota. Aan de zijde van verweerders was voornoemde Hovestad aanwezig.
 
Vanwege plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.
 
DE FEITEN
 
Op 20 oktober 2008 is in het Noordhollands Dagblad een artikel van de hand van Ruitenbeek verschenen onder de kop “Witwassers voor de rechter” (hierna: het artikel). Het artikel gaat over een strafzaak tegen X, die wordt aangeduid als ‘hasjbaron’. In het artikel wordt het volledige woonadres van klagers genoemd.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers stellen, samengevat, dat het artikel een ongeoorloofde inbreuk op hun privéleven maakt, zonder dat van een journalistieke noodzaak is gebleken. In het artikel staat het volledige woonadres – plaats, straatnaam en huisnummer – van klagers vermeld, zodat voor een ieder bekend is dat op dat adres een hasjbaron woonachtig is. Klagers wonen samen met hun kinderen op het in het artikel genoemde woonadres.
Het ligt voor de hand dat het artikel – en met name de vermelding van het adres – een negatieve invloed kan hebben op de leefsituatie van het gehele gezin, vooral voor de schoolgaande kinderen van klagers. Y en haar kinderen voelen zich door de vermelding van het volledige woonadres ten onrechte gecriminaliseerd. Ter zitting heeft Y hieraan toegevoegd dat zij geen bezwaar zou hebben gehad tegen de enkele vermelding van de straatnaam.
Hoewel verweerders in hun reactie op de klacht hebben erkend dat de vermelding van het huisnummer onnodig en dus onjuist was, wensen klagers dat het oordeel van de Raad in een uitspraak wordt vastgelegd. Klagers hebben de klacht niet ingetrokken, omdat verweerders geen verontschuldigingen hebben aangeboden. Bovendien achten zij het van belang dat de drang van de pers tot verdere verpersoonlijking in berichtgeving omtrent verdachten, veroordeelden en hun families wordt tegengegaan.
Ten slotte merken klagers op dat zij zich niet eerst – voor indiening van de klacht bij de Raad – tot verweerders zelf hebben gewend, omdat verweerders op hun beurt hebben nagelaten voorafgaand aan de publicatie contact met klagers op te nemen en het kwaad al was geschied.
 
Verweerders stellen de klacht voor wat betreft het vermelden van het huisnummer te begrijpen. Zij betreuren dat het huisnummer in het artikel is vermeld. Die vermelding was onnodig en dus onjuist.
Het benoemen van de straatnaam achten verweerders echter correct, te meer nu zij dat al eerder hebben gedaan in artikelen over een inval bij klagers in 2006 en de juridische procedure die daarop in de periode 2006 tot en met 2008 is gevolgd. In die artikelen hebben verweerders zich altijd beperkt tot de aanduiding van de straatnaam.
Nu verweerders hebben erkend dat het vermelden van het huisnummer onjuist was, hebben zij aan klagers verzocht de klacht in te trekken.
Overigens betreuren verweerders dat klagers niet eerst contact hebben gezocht met de hoofdredactie. Een bevredigend contact tussen partijen zou mogelijk klagers en de Raad kostbare tijd hebben kunnen bespaard. Verweerders menen dat zij zich wel degelijk tegenover klagers hebben verontschuldigd.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Klagers stellen dat hun privacy disproportioneel is geschaad door de vermelding van het volledige huisadres, zijnde de straatnaam en het huisnummer.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie (zie punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad).
 
Verder dient de journalist te voorkomen dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd (zie punt 2.4.5. van de Leidraad).
 
Ter zitting heeft Y desgevraagd laten weten dat klagers tegen de enkele vermelding van de straatnaam geen bezwaar zouden hebben gehad, omdat hun straat erg lang is. De Raad acht de vermelding van de straatnaam in dit geval dan ook niet ontoelaatbaar. Niet aannemelijk is geworden dat klagers daardoor voor het grote publiek identificeerbaar zouden zijn. Overigens hebben verweerders de straatnaam kennelijk vermeld in eerdere publicaties over klagers en hebben klagers daartegen geen bezwaar gemaakt.
 
De vermelding van het huisnummer vormt echter een te vergaande inbreuk op de privacy van klagers. Klagers kunnen door die vermelding eenvoudig worden geïdentificeerd en getraceerd, terwijl het achterwege laten van die vermelding geen afbreuk zou hebben gedaan aan de aard en inhoud van de berichtgeving. Met het vermelden van het huisnummer hebben verweerders dan ook de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Verweerders hebben dit overigens erkend.
 

BESLISSING
 
Voor zover de klacht is gericht tegen de vermelding van het huisnummer is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 6 februari 2009 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, drs. G.T.M. Driehuis, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.