2009/69 deels gegrond onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
S.K.A. Brown
 
tegen
 
B. Middelburg, de hoofdredacteur van Koud Bloed en uitgeverij Nieuw Amsterdam
 
Bij brief van 24 september 2009 met vier bijlagen, aangevuld bij e-mailbericht van 26 september 2009, heeft S.K.A. Brown te Amsterdam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen B. Middelburg, de hoofdredacteur van Koud Bloed en uitgeverij Nieuw Amsterdam (hierna: verweerders). Hierop heeft Middelburg namens verweerders geantwoord in brieven van 13 en 22 oktober 2009. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat verweerders niet inhoudelijk op de klacht zullen reageren, omdat naar hun mening onduidelijk is wat precies de bezwaren zijn van klager en het daarom onmogelijk is adequaat verweer te voeren. Ten slotte heeft klager nog bijlagen overgelegd bij e-mailberichten van 5, 21 en 28 oktober en 6 november 2009.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 november 2009. Klager is daar verschenen, vergezeld door zijn echtgenote.
 
DE FEITEN
 
In september 2009 is in Koud Bloed nr. 6 een artikel van voornoemde Middelburg verschenen onder de kop “In Memoriam - Ronny Ondunk”. De column bevat onder meer de volgende passages:
“Met die B.V. begonnen zij, via de vastgoedhandel, zwart geld wit te wassen van Jotsa Jocic, destijds de baas van de Joegoslavische maffia. (...) Hasjhandelaar Steve Brown stak eveneens geld in de B.V.”
en
“Er diende overigens niet alleen maar te worden witgewassen. Najaar 1991 schoten de Joego’s per ongeluk iemand dood in een Nissan Patrol. Het interieur van de terreinwagen zat onder het bloed en de stukjes hersenen. Ondunk en de leraar economie moesten de Nissan schoonspuiten met een hogedrukspuit. Begin 1992 was Ondunks carrière als topcrimineel alweer over. Hij moest samen met Brown als bedreigde getuige van justitie onderduiken in het buitenland (vanwege de verklaringen die zij hadden afgelegd tegen Martin ‘de rechercheur’ Hoogland en tegen de Joego’s). Ondunk drukte bovendien geld achterover van zijn B.V. (en dus van Jocic), en tot overmaat van ramp kwamen Ondunk en Brown in Spanje ook nog eens in contact met een medewerker van Panorama, die begin 1993 tegen alle afspraken in een verhaal publiceerde waarin hij Ondunk liet leeglopen over Jocic.”
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager stelt dat het artikel opzettelijk onwaar is en dat sprake is van karaktermoord. Door de publicatie wordt zijn leven bedreigd, aldus klager. Verder stelt hij dat ten onrechte niet is vermeld dat hij auteur is, mediarecht studeert en een blanco strafblad heeft. Ten slotte stelt klager dat verweerders hebben nagelaten wederhoor toe te passen en dat sprake is van plagiaat.
Klager wijst erop dat hij nimmer geld heeft geïnvesteerd in de onderneming die in het artikel is bedoeld. Ondunk heeft juist geld van hem gestolen. Verder is hij nooit als bedreigde getuige van justitie in het buitenland ondergedoken en heeft hij nimmer een verklaring tegen de Joego’s – waarmee Jocic wordt bedoeld – afgelegd. Klager heeft op eigen kosten en vrijwillig enige tijd in de Verenigde Staten verbleven en tracht tot op heden (een deel van) de kosten hiervan door justitie vergoed te krijgen. Na dat verblijf heeft klager weliswaar een getuigenverklaring afgelegd, maar niet tegen Jocic.
Nu verweerders er welbewust voor hebben gekozen niet inhoudelijk op de klacht te reageren, dient de Raad de klacht op alle punten gegrond te verklaren, aldus klager.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat hij niet het standpunt van verweerders onderschrijft dat onduidelijk is wat de bezwaren van klager tegen de publicatie zijn en dat daarom geen adequaat verweer mogelijk is. Uit de door klager in zijn klaagschrift (blz. 3-7) letterlijk weergegeven e-mail-correspondentie van 15 september 2009 tussen klager en (H. de Leeuw namens) verweerders, blijkt dat verweerders goed hebben begrepen wat de bezwaren van klager tegen de publicatie zijn en dat zij daar toen ook inhoudelijk op gereageerd hebben. Ook in de onderhavige klachtzaak was derhalve adequaat verweer door verweerders mogelijk.
 
Indien de verweerder – zoals in het onderhavige geval – niet inhoudelijk op de klacht reageert, zal de Raad op basis van het hem beschikbare materiaal een oordeel geven over de vraag of de verweerder al dan niet journalistiek zorgvuldig heeft gehandeld. Als de Raad echter ten aanzien van een bepaald klachtonderdeel meent dat hij niet in staat is om enkel op basis van het standpunt van de klager en de door klager overgelegde stukken tot een gemotiveerd oordeel te komen, zal hij zich ter zake van een oordeel onthouden. (vgl. RvdJ 2009/14)
 
De Raad heeft de klacht aldus opgevat, dat de kern ervan bestaat uit de volgende twee onderdelen:
  1. het artikel is niet waarheidsgetrouw;
  2. er is sprake van plagiaat, nu delen van klagers boek in de column zijn overgenomen.
 
Ad 1.
Voor zover de klacht is gericht tegen de bewering dat klager geld in de B.V. van Ondunk heeft gestoken, is deze ongegrond. Uit de door klager overgelegde stukken blijkt dat hij in zijn eigen boek ‘Drugsbaron in Spijkerbroek’ heeft geschreven: “De panden zijn door mijn bemiddeling terechtgekomen bij Rolan B.V., conform de afspraken die ik met Jocic heb gemaakt. Daar zit van mij nog zo’n 300.000 gulden in.” Hieruit volgt dat klager kennelijk wel degelijk in de bedoelde onderneming heeft geïnvesteerd, zij het middels onroerend goed. Dat verweerders die investering hebben geparafraseerd als ‘geld in de B.V. steken’ is – anders dan klager stelt – niet journalistiek onzorgvuldig.

Voorts heeft klager gesteld dat hij nooit als bedreigde getuige van justitie in het buitenland is ondergedoken en hij op dat vlak nooit ondersteuning van justitie heeft gehad. Tevens stelt hij nimmer een verklaring tegen de Joego’s c.q. Jocic te hebben afgelegd.
Naar het oordeel van de Raad heeft klager de juistheid van zijn standpunten ter zake voldoende aannemelijk gemaakt. Bovendien meent de Raad dat – nu klager in zijn klaagschrift de klachtonderdelen duidelijk heeft opgesomd – het voor rekening van verweerders dient te komen dat zij niet inhoudelijk op de klacht hebben gereageerd en dat zij derhalve niet hebben aangetoond dat voor de beweringen voldoende grondslag bestond. Op dit punt is de klacht dan ook gegrond.
 
Ad 2.
De Raad overweegt dat hij niet de rechtmatigheid van een journalistieke gedraging beoordeelt. Een dergelijke toetsing is voorbehouden aan de rechter. Het is dan ook niet aan de Raad om te beoordelen of sprake is van schending van auteursrecht. Ter zake van de klacht dat verweerders plagiaat hebben gepleegd, onthoudt de Raad zich dan ook van een oordeel.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op de bewering dat klager als bedreigde getuige van justitie in het buitenland is ondergedoken en een verklaring tegen de Joego’s heeft afgelegd. Ter zake van de klacht dat verweerders plagiaat hebben gepleegd, onthoudt de Raad zich van een oordeel. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Koud Bloed te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 16 december 2009 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, drs. B.J. Brouwers, mr. T.E. Klein en mw. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.