2009/68 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad
 
Bij brief van 31 augustus 2009 met een bijlage, aangevuld bij brief van 23 september 2009 met drie bijlagen, heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (hierna: verweerder). Hierop heeft T. de Jong, hoofd opinie/lid hoofdredactie a.i., geantwoord in een brief van 21 oktober 2009.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 november 2009. Klager is daar verschenen en heeft zijn standpunt aan de hand van een pleitnota toegelicht. Verweerder is daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 31 augustus 2009 is in het Brabants Dagblad een artikel verschenen onder de kop “Heusden verder met onteigening Castellum”. De publicatie gaat over een bestuursrechtelijke procedure betreffende de onteigening van de woning van klager. In het bericht worden de naam en het adres van klager vermeld. Het bericht bevat onder meer de volgende passage:
 “Bewoner X kwam met een bezwaar, onderbouwd met een groot aantal argumenten. X stelt onder meer dat de gemeente veel te voorbarig is met onteigenen: het publieke belang van onteigening zou niet zijn aangetoond, en er zou onvoldoende zijn onderhandeld om tot een ‘minnelijke verwerving’ te komen. Ook zou hem ten onrechte zijn geweigerd in te spreken tijdens een vergadering. B. en W. hebben dat bezwaar echter opzijgeschoven. Het college stelt daarbij ‘nadrukkelijk’ geprobeerd te hebben met X in gesprek te komen, ,,Maar zonder resultaat”, aldus het voorstel aan de gemeenteraad.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat in het artikel ten onrechte zijn naam en adres zijn vermeld. Hierdoor worden mensen tegen hem opgezet.
Verder is ten onrechte gesuggereerd dat hij niet bereid zou zijn om met de gemeente te praten, aldus klager. Hij meent dat een slachtoffer van onteigening in een kwetsbare positie zit en dat het gezien deze positie belangrijk is dat berichten over onteigening niet eenzijdig met behulp van foute berichten worden ingevuld. Volgens klager is het artikel gekleurd en geeft het slechts één kant van het verhaal weer.
Voorts merkt klager op dat hij het aanbod van verweerder voor een persoonlijk interview heeft geweigerd, omdat zijn woorden kunnen worden verdraaid. Klager heeft een schriftelijke reactie willen geven, maar dat aanbod is door verweerder niet geaccepteerd, zodat hij niet de kans heeft gekregen zijn standpunt naar voren te brengen.
 
Verweerder stelt dat van onjuiste berichtgeving geen sprake is. In het artikel zijn op correcte wijze de feiten en de standpunten van zowel de gemeenste Heusden als van klager weergegeven. Dat klager niet bereid zou zijn om te onderhandelen, is de mening van het gemeentebestuur van Heusden, zoals duidelijk uit het artikel blijkt.  
Verder stelt verweerder dat het algemeen gebruikelijk is in de journalistiek om bij onteigeningen informatie te verstrekken over de eigenaar en de locatie van het onroerend goed. Het vermelden van de naam en het adres staat in redelijke verhouding tot het maatschappelijk belang van de publicatie. Van ‘demoniseren’ is geen sprake, vooral nu de overheid c.q. de gemeente ook in openbare vergaderstukken en aankondigingen de volledige personalia vermeldt.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad)
 
In het algemeen bestaat geen bezwaar tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen in verslagen van een openbare terechtzitting in een civielrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure. Toch kan het belang van een partij om zoveel mogelijk onherkenbaar te blijven zo zwaar wegen dat van het vermelden van de (volledige) naam moet worden afgezien. (zie punt 2.4.8. van de Leidraad en vgl. onder meer: RvdJ 2005/7)
 
Van een dermate zwaarwegend belang aan de zijde van klager, waardoor van het hiervoor geformuleerde uitgangspunt had moeten worden afgeweken, is echter niet gebleken. In de onderhavige zaak gaat het om een onteigeningsgeschil van klager met de gemeente, waarvan verslag is gedaan. De vermelding van de naam en het adres van klager acht de Raad in dit geval journalistiek relevant. Niet is gebleken dat de vermelding van die gegevens voor klager onevenredig veel nadeel brengt. Daarbij komt dat deze gegevens, zoals verweerder heeft opgemerkt, ook op eenvoudige wijze voor een ieder in openbare vergaderstukken en aankondigingen van de gemeente zijn terug te vinden.
 
Voorts is in het artikel zowel het standpunt van klager als het standpunt van de gemeente weergegeven en worden beide zijden voldoende belicht. Anders dan klager, leest de Raad in het artikel niet dat klager niet bereid zou zijn om met de gemeente te praten. Er is slechts vermeld dat het college stelt dat het heeft geprobeerd met klager in gesprek te komen, echter zonder resultaat.
De Raad acht dan ook geen grond aanwezig voor de conclusie dat verweerder tendentieus over klager heeft bericht. Overigens heeft verweerder klager de mogelijkheid van een interview geboden, hetgeen klager heeft afgewezen.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 16 december 2009 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, drs. B.J. Brouwers, mr. T.E. Klein en mw. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.