2009/66 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van

X

tegen

de hoofdredacteur van AD Haagsche Courant 

Bij brief van 27 augustus 2009 met twee bijlagen, aangevuld bij brief van 10 september 2009 met diverse bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van AD Haagsche Courant (hierna: verweerder). Hierop heeft mr. O.G. Trojan namens verweerder geantwoord in een brief van 20 oktober 2009 met zes bijlagen.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 november 2009. Namens klager is daar A. Lyra, gemachtigde, verschenen, die het standpunt van klager heeft toegelicht aan de hand van een notitie. Van de zijde van verweerder waren B. Verkade, hoofdredacteur, en L. van der Velde, journalist, aanwezig.

DE FEITEN  

Op 7 augustus 2009 is in AD Haagsche Courant een artikel van de hand van C. van Kranenburg en voornoemde Van der Velde verschenen onder de kop “Raad van State: bordeel terecht gesloten”. De publicatie gaat over een bestuursrechtelijke procedure betreffende de sluiting van twee bordelen in Den Haag voor de periode van drie maanden, omdat er door de controleurs van de politie een minderjarige prostituee was aangetroffen. In het artikel wordt de volledige naam van klager vermeld. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Twee bordelen van de Haagse seksexploitant [X] zijn in de zomer van 2007 terecht voor drie maanden gesloten. Tot dat oordeel kwam de Raad van State deze week na een zitting eind juni.”
en
“[X] ging in beroep tegen de beslissing, maar de gemeente verklaarde het bezwaar ongegrond. Ook de rechtbank zag niets in de argumenten van de bordeelhouder.”
en
“Volgens [Y], het bedrijf achter de bordelen, was de sluiting een onevenredig zware maatregel, omdat het bedrijf niet kan worden verweten dat het niet wist dat het meisje minderjarig was.”

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager stelt dat zijn naam niet vermeld had mogen worden, nu daarmee geen enkel maatschappelijk belang was gediend, en dat hij ten onrechte is aangeduid als seksexploitant en eigenaar van de in het artikel bedoelde bordelen.
Klager wijst erop dat in de uitspraak van de Raad van State zijn naam niet is vermeld, maar alleen Y – het bedrijf achter de bordelen – is genoemd. Uit gemeentelijke stukken noch uit de uittreksels van het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat hij de eigenaar van de bedrijven is, aldus klager.
Dat klager in een op 16 juli 2007 in het AD gepubliceerd artikel over de sluiting van de bordelen – waarvan hij niet op de hoogte was – reeds eerder is genoemd en aangeduid als exploitant van de betrokken bordelen, maakt niet dat hij in het onderhavige artikel als zodanig met zijn volledige naam kan worden neergezet. In 2007 is hij slechts als woordvoerder van de bordelen opgetreden.
Volgens klager zijn de journalisten door andere bronnen aangezet het artikel op deze wijze, met vermelding van zijn naam, te publiceren.
Klager betoogt dat hij door de publicatie publiekelijk is beschadigd, zonder dat verweerder enig bewijs heeft getoond dat de inhoud van de publicatie zou kunnen onderbouwen.

Verweerder stelt dat al in 2007 de betrokken journalisten naar een van de bordelen zijn gegaan om in verband met de tijdelijke sluiting een reactie van de exploitant te vragen, alvorens daarover op 16 juli 2007 in het AD te publiceren. Klager stapte destijds naar voren, toen hij de journalisten een vraag hoorde stellen aan de beheerster van het bordeel, en liet daarbij weten dat hij de baas was. Hij deelde de journalisten mee, dat als ze iets van het bedrijf wilden weten ze naar hem moesten komen. Klager presenteerde zich op dat moment dus als bordeelhouder. In het op 16 juli 2007 gepubliceerde artikel over de sluiting van de bordelen, was de achternaam van klager vermeld en werd hij aangeduid als exploitant van de bordelen. Klager heeft tegen deze publicatie nimmer bezwaar gemaakt.
Verder merkt verweerder op dat Van der Velde bekend is met het Haagse prostitutie-, drugs- en gokcircuit en klager al sinds de jaren zestig kent als een actieve speler in deze circuits. Van der Velde wist dat klager de man achter beide bordelen is. Dit is ook in het Haagse circuit algemeen bekend en bovendien door anonieme bronnen bevestigd.
Verweerder wijst er voorts op dat uit de handelsregisterhistorie van de Kamer van Koophandel volgt dat stichting Y 1 enig aandeelhouder van Y 1 B.V. is geweest en dat klager bestuurder van de stichting is geweest. Verder is opvallend dat er ook een inmiddels ontbonden vennootschap bestaat genaamd Y B.V. en dat klager tot tweemaal toe stond ingeschreven als enig aandeelhouder van die vennootschap.
Daarnaast acht verweerder van belang dat het hier een bestuursrechtelijke procedure betreft en dat alleen verdachten van een strafbaar feit met initialen worden aangeduid. Verweerder wil zijn lezers zo volledig mogelijk informeren. De bestuursrechter oordeelt over de vraag hoe de overheid omspringt met belangen van burgers. Met berichten over bestuursrechtelijke procedures is dus een algemeen belang gediend. Het vermelden van namen en feiten is vanwege de duidelijkheid gerechtvaardigd. Daar tegenover staat het belang van klager bij bescherming van zijn privacy. Verweerder heeft een zorgvuldige belangenafweging gemaakt.
Alle omstandigheden tezamen maken dat hij niet onzorgvuldig heeft gehandeld door klager aan te duiden als bordeelhouder c.q. te kwalificeren als seksexploitant en daarbij klagers naam te vermelden, aldus verweerder.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT

Kern van de klacht is dat de volledige naam van klager is vermeld en dat hij is aangeduid als seksexploitant c.q. bordeelhouder.

De Raad stelt voorop dat een journalist vrij is in zijn selectie van nieuws. Een nieuwsbericht dient zoveel mogelijk de gegevens te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Er is geen norm van journalistieke zorgvuldigheid die meebrengt dat een journalist toe- of instemming behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. Daartegenover staat dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad)

Volgens het vaste oordeel van de Raad bestaat in het algemeen geen bezwaar tegen vermelding van de namen van de betrokken partijen als het gaat om verslaggeving van een openbare terechtzitting in een civielrechtelijke of – zoals hier het geval is – een bestuursrechtelijke procedure. In sommige gevallen kan het belang van een partij om zoveel mogelijk onherkenbaar te blijven zo zwaar wegen dat van het vermelden van de (volledige) naam moet worden afgezien. (zie punt 2.4.8. van de Leidraad en vgl. onder meer: RvdJ 2005/7)

Van een dermate zwaarwegend belang aan de zijde van klager, waardoor van het hiervoor geformuleerde uitgangspunt had moeten worden afgeweken, is echter niet gebleken. Dat de publicatie onwelgevallig is voor klager, is daarvoor onvoldoende.

Namens klager is ter zitting erkend dat klager zich al in 2007 tegenover de betrokken journalisten presenteerde als woordvoerder van Y, het bedrijf achter beide bordelen. Uit de door verweerder overgelegde uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel volgt voorts dat klager niet alleen betrokken is geweest bij de (inmiddels ontbonden) vennootschap Y B.V., maar ook (via Stichting Y 1) bij Y 1 B.V., de onderneming die is genoemd in de uitspraak van de Raad van State waarover het artikel handelt. Bovendien heeft verweerder onbetwist gesteld dat Van der Velde klager al tientallen jaren van naam en gezicht kent uit het Haagse drugs-, seks- en gokcircuit. De vermelding van klager in de publicatie vond derhalve voldoende steun in de feiten.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht de Raad het daarom begrijpelijk en niet journalistiek onaanvaardbaar dat verweerder in het artikel klagers volledige naam heeft vermeld en klager als de exploitant van de bordelen heeft aangemerkt.
Er is dan ook geen grond voor de conclusie dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke zorgvuldigheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in AD Haagsche Courant te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 16 december 2009 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, drs. B.J. Brouwers, mr. T.E. Klein en mw. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.