2009/65 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Netwerk’ (NCRV)
 
Bij brief van 1 juli 2009 met acht bijlagen heeft X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Netwerk (hierna: verweerder). Hierop heeft mw. mr. H.S.R. Weeber, hoofd juridische zaken van de stichting samenwerking AVRO KRO NCRV, gereageerd bij brief van 26 oktober 2009 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 november 2009. Klaagster is daar verschenen. Aan de zijde van verweerder waren aanwezig voornoemde mr. Weeber, P. van der Maat, hoofdredacteur, en M. Grit, programmamaakster.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een dvd-opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 9 februari 2009 heeft de NCRV een aflevering van het televisieprogramma ‘Netwerk’ uitgezonden (hierna: de uitzending). Daarin is onder meer aandacht besteed aan de opening op 10 februari 2009 van vier blijf-van-mijn-lijf-huizen voor mannen in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Via een interview met mevrouw P. Gho, directeur van enkele blijf-van-mijn-lijf-huizen, en de voice-over is de kijker geïnformeerd over de oorzaken van mannenmishandeling, de vormen van huiselijk geweld waarvan mannen het slachtoffer kunnen worden, het aantal mannen dat naar schatting wordt mishandeld en het feit dat mishandeling van mannen een taboe is. De informatie is aangevuld met fragmenten uit interviews met twee onherkenbaar gemaakte mannen, die hun toevlucht hebben gezocht in een van de blijf-van-mijn-lijf-huizen, omdat zij naar eigen zeggen door hun ex-echtgenotes zijn mishandeld. Een van deze mannen is met een gefingeerde naam aangeduid als ‘Mehmet’.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster meent in ‘Mehmet’ en diens verhaal haar ex-echtgenoot te herkennen. Klaagster stelt dat zij door de uitzending in haar goede naam is aangetast. Volgens klaagster wordt ten onrechte de indruk gewekt dat de situatie van haar en haar ex-echtgenoot binnen het kader van de uitzending past. Het relaas van haar ex-echtgenoot, dat hij door haar zou zijn mishandeld, is echter onjuist, aldus klaagster. Integendeel, zij en haar kind zijn door haar ex-echtgenoot mishandeld en deze heeft een valse aangifte tegen haar gedaan. Door de uitzending is ten onrechte het beeld ontstaan dat zij zich schuldig zou hebben gemaakt aan verwerpelijke gedragingen, aldus klaagster. Zij meent dat verweerder journalistiek onverantwoordelijk heeft gehandeld, door het relaas van haar ex-echtgenoot uit te zenden zonder enig onderzoek te plegen of navraag te doen. Klaagster heeft daarvan schade ondervonden. Zij is door familieleden, vrienden en collega’s aangesproken op de uitzending. Het verhaal van haar ex-echtgenoot was voor haar directe omgeving zeer herkenbaar en ook klaagster heeft haar ex-echtgenoot fysiek als zodanig eenvoudig kunnen herkennen.
Verweerder stelt voorop dat hij de geïnterviewde ‘Mehmet’ anonimiteit heeft toegezegd en dat zijn verweer niet de erkenning inhoudt, dat deze persoon inderdaad de ex-echtgenoot van klaagster is. Verder stelt verweerder dat klaagster niet in de uitzending is genoemd dan wel omschreven en dat ‘Mehmet’ niet bij het grote publiek bekend is geworden. Verweerder heeft de grootst mogelijke zorgvuldigheid betracht om de privacy van ‘Mehmet’ en daarmee – indirect – die van zijn ex-echtgenote te beschermen. Zo heeft verweerder deze persoon voorzien van een gefingeerde naam, diens woonplaats niet genoemd, bepaalde feiten aangaande zijn huwelijk enigszins verdraaid en hem op een zodanige wijze gefilmd dat hij niet herkenbaar is. Aangezien ‘Mehmet’ onherkenbaar wilde blijven, heeft hij de opgenomen beelden eerst bekeken, alvorens zijn toestemming voor de uitzending van de beelden te geven.
Verweerder wil niet uitsluiten dat collega’s, familieleden en/of kennissen van klaagster in de geïnterviewde persoon haar ex-echtgenoot herkennen. Dat zal dan echter niet zo zeer gebeuren aan de hand van de fysieke kenmerken van de geïnterviewde persoon, maar eerder aan diens verhaal dan wel omdat klaagster de beelden heeft gepresenteerd als een interview met haar ex-echtgenoot. Hoewel ‘Mehmet’ door een beperkte kring uit zijn directe omgeving geïdentificeerd zou kunnen worden, betekent dit niet dat de grenzen van de journalistieke zorgvuldigheid zijn overschreden. Verweerder heeft de bescherming van de privacy van ‘Mehmet’ voldoende afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de rapportage was gediend.
Voorts merkt verweerder op dat ‘Mehmet’ als trotse Turkse man zijn toevlucht heeft gezocht in een opvanghuis. Hij is als slachtoffer naar voren geschoven door het opvanghuis. De programmamaakster heeft het verhaal van ‘Mehmet’ geloofwaardig geacht. Nu ‘Mehmet’ anoniem wilde blijven, was het niet mogelijk een reactie van zijn ex-echtgenote te vragen. Ook kon verweerder niet zomaar de door ‘Mehmet’ ingediende aangifte bij de politie opvragen en de aangifte vergelijken met diens verhaal, zoals klaagster heeft gesuggereerd.
Ten slotte heeft verweerder ter zitting uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij het vervelend vindt dat klaagster nadelige (emotionele) gevolgen van de uitzending heeft ondervonden en klaagster daarvoor zijn verontschuldigingen aangeboden.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad heeft de klacht aldus opgevat, dat de privacy van klaagster is aangetast en dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de juistheid van het verhaal van ‘Mehmet’ en ten onrechte heeft nagelaten wederhoor toe te passen voorafgaand aan de uitzending van 9 februari 2009.

Verweerder heeft vanuit een blijf-van-mijn-lijf-huis voor mannen verslag gedaan over het lot van mishandelde mannen. Het item is gemaakt vanuit het perspectief van deze mannen. De geïnterviewde mannen uiten een aantal ernstige aantijgingen aan het adres van hun ex-vrouwen, maar deze aantijgingen zijn voor rekening van de geïnterviewde mannen gelaten. De ex-vrouwen worden niet met naam genoemd en zijn verder ook niet direct of indirect identificeerbaar, mede omdat de personalia van de geïnterviewde mannen geanonimiseerd zijn. Bovendien zijn de geïnterviewde mannen zodanig onherkenbaar in beeld gebracht, dat zij niet voor het grote publiek herkenbaar zijn. Een en ander brengt mee dat niet kan worden geoordeeld dat de privacy van klaagster is aangetast.
 
De Raad kan zich voorstellen dat klaagster – nu zij zichzelf in de uitzending meent te herkennen en door enkele bekenden op de uitzending is aangesproken – de uitzending als grievend heeft ervaren. Echter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, kan niet worden geconcludeerd dat klaagster – objectief bezien – door de uitzending wordt gediskwalificeerd. Reeds daarom behoefde verweerder dan ook geen wederhoor bij klaagster toe te passen. Daar komt bij dat verweerder vanwege de aan ‘Mehmet’ toegezegde anonimiteit niet bij diens ex-vrouw onderzoek kon doen naar de juistheid van zijn verhaal. In de gegeven omstandigheden mocht verweerder afgaan op het feit dat ‘Mehmet’ door het opvanghuis naar voren was geschoven als een representatief voorbeeld en kon verweerder volstaan met een toetsing van de betrouwbaarheid van het verhaal van ‘Mehmet’ op basis van een voorafgaand gesprek met hem.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Netwerk’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 16 december 2009 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, drs. B.J. Brouwers, mr. T.E. Klein en mw. F. Santing, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.