2009/64 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
D. Doesburg-Maas
 
tegen
 
B. Nielsen en de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden
 
Bij brief van 9 juli 2009 met vier bijlagen heeft D. Doesburg-Maas, gevestigd te Hoogezand (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen B. Nielsen en de hoofdredacteur van het Dagblad van het Noorden (hierna: verweerders).
Vervolgens heeft de secretaris van de Raad klaagster bij brief van 14 juli 2009 verzocht gemotiveerd aan te geven waarom zij zich niet binnen de termijn van zes maanden na de gewraakte publicaties, die zijn verschenen tot 22 oktober 2008, tot de Raad heeft gewend. Tevens heeft de secretaris aan klaagster gevraagd de klacht te verduidelijken voor zover die betrekking heeft op ongedateerde publicaties.
Klaagster heeft daarop gereageerd in een brief van 16 juli 2009, met dertien bijlagen. Vervolgens heeft de secretaris van de Raad bij brieven van 21 juli 2009 en 8 september 2009 nog aan klaagster verzocht duidelijkheid te verschaffen over de door klaagster overgelegde bijlagen. Daarop heeft klaagster gereageerd in een brief van 11 september 2009 met diverse bijlagen.
Ten slotte heeft P. Sijpersma, hoofdredacteur, namens verweerders op de klacht geantwoord in een brief van 6 oktober 2009 met diverse bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 23 oktober 2009. Klaagster is daar verschenen, bijgestaan door mr. R.L. Latten, advocaat te Rotterdam. Van de kant van verweerders zijn de voornoemde Nielsen en Sijpersma verschenen. Klaagster heeft ter zitting nog een nader stuk overgelegd.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd geen bezwaar gemaakt tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en overige leden.
 
DE FEITEN
 
Op 29 mei 2009 is in het Dagblad van het Noorden een artikel van de hand van Nielsen verschenen onder de kop “Aangifte tegen Diette Doesburg wegens fraude” en de onderkop “Werfdirecteur zou volgens personeel pensioenpremies hebben verduisterd”. De intro van het artikel luidt:
“Een aantal ex-werknemers van Maas Shipyard heeft aangifte van verduistering gedaan tegen oud-eigenaar en oud-directeur Diette Doesburg-Maas. Volgens de voormalige personeelsleden van de werf in Waterhuizen heeft Doesburg op het salaris wel geld voor pensioen ingehouden maar die premies niet afgedragen aan het pensioenfonds.”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passages:
“Een der werknemers, Bauke Adema, kreeg van pensioenfonds PME zelfs te horen dat hij niet eens was aangemeld.”
en
“Er zijn zeker vier ex-werknemers van Maas Shipyards die aangifte hebben gedaan. Adema won op 16 april ook een rechtszaak tegen Doesburg-Maas over achterstallig salaris (bijna 17.000 euro). “Dat geld heb ik nog steeds niet binnen”, aldus Adema. Doesburgs advocaat mr. Lagerwaard is niet onder de indruk van de aangifte. “Het is niet de eerste keer dat meneer Adema valse verklaringen aflegt”, stelt hij. “Hij heeft in het verleden ook al meinedige verklaringen afgelegd en is wel van standpunt gewijzigd als het om geld gaat.””
 
Vervolgens is op 30 mei 2009 in het Dagblad van het Noorden een artikel verschenen onder de kop “’Ex-werknemer werf kreeg wél salaris’”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passage:
“Bouke Adema, ex-werknemer van Maas Shipyards, heeft zijn achterstallig salaris wel degelijk gekregen. Dat zegt een van de advocaten van Diette Doesburg-Maas, mr. Latten uit Rotterdam. (…) Volgens advocaat Latten is het geld (bijna 17.000 euro) op 26 mei overgemaakt.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat in het artikel van 29 mei 2009 ten onrechte is gesuggereerd dat de heer Adema een persoonlijke vordering op haar had. Dit is echter onjuist, aangezien Adema de vordering had op Maas Shipyard B.V., het bedrijf waarvan klaagster directrice is. Aldus hebben verweerders er willens en wetens aan bijgedragen dat de naam van klaagster in diskrediet is gebracht. De rectificatie van 30 mei 2009 had dan ook specifiek op haar persoonlijk betrekking moeten hebben, in die zin dat Adema geen vordering had op haar, maar op haar bedrijf, aldus klaagster.
Zij stelt verder dat verweerders voorafgaand aan de publicatie zijn ingelicht door mr. Lagerwaard. Deze heeft meegedeeld dat het om een onterechte aangifte ging en dat de aanklacht geen betrekking had op klaagster persoonlijk. Desondanks hebben verweerders besloten tot plaatsing van de kop boven het artikel van 29 mei 2009. Daarbij komt dat de bewering dat klaagster fraude zou hebben gepleegd, is gebaseerd op een gerucht, hetgeen verweerders ten onrechte niet hebben vermeld. Klaagster bestrijdt dat aangifte is gedaan.
Ten slotte heeft klaagster gesteld dat bij de totstandkoming van het artikel van 29 mei 2009 onvoldoende wederhoor is toegepast. Weliswaar is er contact geweest met een van de advocaten van klaagster, maar deze was niet betrokken bij de behandeling van de vordering van Adema op klaagster.
 
Verweerders stellen dat het artikel van 29 mei 2009 geen onjuistheden bevat. Zij wijzen erop dat zij in het bezit waren van het proces-verbaal van de aangifte van Adema ter zake van fraude. Verder hebben zij getracht contact op te nemen met de advocaat van klaagster. Aangezien klaagster sinds 2004 weigerde contact te hebben met Nielsen, was hem niet bekend welke advocaat de salarisvordering van Adema in behandeling had en met wie hij contact moest opnemen. Nielsen heeft de advocaten mr. Lagerwaard, mr. Ter Waarbeek en mr. Latten telefonisch benaderd. Mr. Lagerwaard meldde dat hij niet de advocaat was die de kwestie Adema behandelde, maar dat hij wel in het algemeen iets wilde zeggen daarover, omdat hij bekend was met degene die aangifte had gedaan. Hetgeen mr. Lagerwaard heeft gezegd, is ook weergegeven in het artikel. Verder heeft mr. Lagerwaard Nielsen doorverwezen naar mr. Latten en met deze laatste heeft Nielsen eveneens getracht contact op te nemen. Mr. Latten was echter niet bereikbaar, maar zou terugbellen. Dat mr. Latten zich pas een dag later meldde, vormde voor Nielsen geen beletsel om de reactie van Latten een dag later alsnog mee te nemen.
Dat in de berichtgeving afwisselend de naam van klaagster en die van haar bedrijf zijn genoemd, is met name te wijten aan de eigen opstelling van klaagster. Zij heeft zich in het verleden altijd gepresenteerd als het gezicht van het bedrijf, aldus verweerders.
 

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat hij zich beperkt tot het geven van een oordeel over de klacht gericht tegen het artikel van 29 mei 2009, nu de overige door klaagster overgelegde artikelen dateren van langer dan zes maanden voor de indiening van het klaagschrift (zie artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek).
 
De klacht bevat de volgende drie onderdelen:
 1. de naam van klaagster is ten onrechte in het artikel vermeld;
 2. er is onvoldoende gelegenheid tot wederhoor geboden;
 3. het artikel bevat onjuistheden en stelt klaagster in een negatief daglicht.
 
Ad 1.
De Raad overweegt dat uit de stukken, waaronder een groot aantal publicaties uit de periode 2001 tot 2009, blijkt dat klaagster zich heeft geprofileerd als het gezicht van Maas Shipyard B.V. en dat klaagster en haar bedrijf als het ware vereenzelvigd konden worden. Uit het artikel van 29 mei 2009 blijkt duidelijk dat daar waar de naam van klaagster is genoemd, haar bedrijf wordt bedoeld en dat aangifte is gedaan tegen klaagster in haar hoedanigheid van directrice van Maas Shipyard B.V. Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders derhalve geen grenzen overschreden van hetgeen als journalistiek aanvaardbaar kan worden geacht, door in het gewraakte artikel de naam van klaagster te vermelden. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond. (zie punt 2.4. van de Leidraad van de Raad)
 
Ad 2.
Klaagster heeft er zelf voor gekozen geen contact meer te hebben met Nielsen. Deze kon daarom niet weten welke advocaat betrokken was bij de behandeling van de vordering van Adema. Bovendien hebben verweerders onbetwist gesteld dat Nielsen diverse pogingen heeft ondernomen om wederhoor toe te passen, door diverse advocaten van klaagsters bedrijf te benaderen. De reactie van mr. Lagerwaard is in het artikel van 29 mei 2009 opgenomen. Gesteld noch gebleken is, dat de weergave van die reactie onjuist is.
Dat verweerders de reactie van mr. Latten niet hebben afgewacht alvorens tot publicatie van het gewraakte artikel over te gaan, is onder deze omstandigheden niet journalistiek onzorgvuldig. Daarbij komt dat zij de reactie van mr. Latten alsnog, en slechts één dag later, hebben gepubliceerd. Ook dit onderdeel van de klacht slaagt daarom niet. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
 
Ad 3.
De Raad overweegt dat in het artikel van 29 mei 2009 de feitelijke gang van zaken wordt beschreven rond de aangifte van fraude en de rechtszaak inzake het achterstallig loon, die Adema heeft gewonnen. De Raad ziet geen aanknopingspunten om te oordelen dat deze feitelijke beschrijving zou getuigen van eenzijdige dan wel tendentieuze berichtgeving. Uit het overgelegde proces-verbaal van de aangifte van fraude blijkt dat van een gerucht geen sprake is. (zie punten 1.1., 1.2., 1.4. en 1.5. van de Leidraad)
Het feit dat achteraf bezien de stelling van Adema, dat hij zijn achterstallig salaris nog niet had ontvangen, achterhaald bleek te zijn – zoals verweerders ook hebben toegegeven – maakt nog niet dat het artikel tendentieus is en dat verweerders ter zake journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld. Daarbij komt dat verweerders direct de volgende dag, op 30 mei 2009, op eigen initiatief een ruimhartige rechtzetting hebben geplaatst, die ondubbelzinnig duidelijk heeft gemaakt dat de berichtgeving in het artikel van 29 mei 2009 op dit punt niet juist was. (zie punt 6.1. van de Leidraad) Ook dit onderdeel van de klacht is ongegrond.
Conclusie
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Dagblad van het Noorden te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 11 december 2009 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. E.J.M. Lamers, mw. drs. M.G.N. Mathot en mw. drs. P.C.J. van Schaveren, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.