2009/61 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
G. Vossen
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger
 
Bij brief van 7 augustus 2009 met drie bijlagen heeft G. Vossen te Tegelen (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger (hierna: verweerder). Hierop heeft verweerder geantwoord in een brief van 28 augustus 2009 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 september 2009, waar klager is verschenen. Verweerder was daar niet aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 6 augustus 2009 is in Dagblad De Limburger een artikel verschenen onder de kop “George Vossen laat een miljoen schuld achter”. Het artikel bevat de volgende passages:
“De schuldeisers van het failliete makelaars- en verzekeringskantoor George Vossen in Tegelen kunnen fluiten naar hun centen. Dat valt op te maken uit het faillissementsverslag van curator Jos Bloo van Meulenkamp Advocaten in Venlo.”
en
“Als er wat overblijft voor UWV en Belastingdienst zullen de ‘gewone’ crediteuren, aldus Bloo, naar verwachting niet op een uitkering hoeven te rekenen. De makelaardijportefeuille was niks waard (…).”
en
“De curator gaat nog uitzoeken of het faillissement rechtmatig was en wat de reden is. Volgens Vossen is het faillissement veroorzaakt door hoge financieringslasten, een teruglopende markt en een liquiditeitstekort.”
 
In de bijlage van de krant is dezelfde dag nog een kort bericht geplaatst onder de kop “George Vossen laat 1,2 miljoen schuld na”.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij zich door met name de kop en de aanhef van het artikel – waarin is vermeld dat schuldeisers naar hun centen kunnen fluiten – persoonlijk aangevallen voelt. Er is sprake van stemmingmakerij, aldus klager.
Verder stelt hij dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten te vermelden dat een doorstart is gemaakt en dat het nieuwe kantoor alweer bijna een jaar volop draait.
Klager brengt voorts naar voren dat de vermelde cijfers op zich juist zijn, maar dat daarbij een nadere toelichting van tenminste de curator geplaatst had moeten worden. Volgens klager zou dan zijn gebleken dat een aantal vorderingen veel te hoog is. Als dat ook vermeld zou zijn, zou dat de zaak in een ander daglicht hebben gesteld, aldus klager.
Hij wijst erop dat niet alleen de curator, maar ook hijzelf – als ‘beschuldigde’ – niet aan het woord is gelaten. Bovendien meent hij dat van een financiële journalist enige zorgvuldigheid en verstand van zaken mag worden verwacht. Om tot een journalistiek verantwoorde verslaggeving te komen zouden aspecten met betrekking tot de doorstart en de afhandeling van het faillissement niet mogen ontbreken. In dit kader heeft klager opgemerkt dat met de curator zeer goede afspraken zijn gemaakt en dat de curator over de afhandeling erg tevreden is.
Klager stelt verder dat hij na de publicatie contact heeft opgenomen met verweerder. Die zag echter geen aanleiding om nog verder aandacht aan de zaak te besteden. Daarop heeft klager een brief ingezonden, maar deze is tot op heden ook niet geplaatst.
Klager benadrukt dat het artikel nadelige effecten heeft voor zijn nieuwe bedrijf. Aangezien dat bedrijf dezelfde naam draagt, is zowel bij relaties als bij werknemers ten onrechte de indruk ontstaan dat er opnieuw iets mis is, terwijl er juist hard gewerkt wordt om het werk weer goed op de rails te krijgen. Volgens klager dreigt de publicatie hem op achterstand te zetten.
 
Verweerder stelt dat over klager is gepubliceerd, omdat daar journalistieke aanleiding toe was. Klager is onder zijn bedrijfsnaam een bekende ondernemer in de regio. In algemene zin is verslaglegging van faillissementen en dus ook van die van klager geen persoonlijke aanval. Zeker indien een ondernemer voor de tweede keer failliet gaat, zoals in dit geval, is er alle reden om daarover te berichten.
Verder stelt verweerder dat klager in september 2008 is teruggekeerd in zaken, maar dat geen sprake is van een doorstart. Weliswaar heeft de curator de activa verkocht aan een bedrijf, dat vervolgens een deel van die activa heeft doorverkocht aan een BV waarbij klager betrokken is, maar dat houdt volgens verweerder nog geen doorstart in. Verweerder betwijfelt zelfs of klager het op prijs had gesteld als diens nieuwe activiteiten in de publicatie in verband zouden zijn gebracht met de failliete bedrijven.
Volgens verweerder hoefde de curator niet te worden gehoord, nu die spreekt middels zijn verslag. Dat verslag is een openbaar en officieel juridisch document. Verweerder gaat ervan uit dat een dergelijk verslag een objectief feitenrelaas behelst, waarop een toelichting niet noodzakelijk is. Dat verslag op zich kan al voldoende grondslag bieden voor een nieuwsbericht. Ook klager zelf behoefde niet te worden gehoord, aldus verweerder, nu deze niet wordt beschuldigd. Bovendien is klager geen partij meer in deze kwestie, aangezien de curator formeel ‘de baas’ is van de failliete onderneming. Overigens is in de publicatie wel de visie van klager over de oorzaken van het faillissement opgenomen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat sprake is van onvolledige en persoonlijk grievende berichtgeving, en dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten wederhoor toe te passen.
 
De Raad stelt vast dat de feitelijke juistheid van hetgeen in het artikel is vermeld niet door klager is betwist. Het artikel bevat vrijwel alleen gegevens uit een faillissementsverslag van de curator. Verweerder mocht van de juistheid van die gegevens uitgaan en behoefde de curator noch klager gelegenheid te bieden tot wederhoor. Het beginsel van wederhoor geldt immers niet voor berichtgeving van feitelijke aard, terwijl niet is gebleken dat de gewraakte publicatie klagers belang zodanig raakt dat wederhoor niettemin was geboden. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad van de Raad)
 
De omstandigheid dat in de kop de naam van klager is vermeld maakt het voorgaande niet anders, nu het failliete bedrijf de naam van klager draagt. Dit is voor de lezer ook voldoende duidelijk. Naar het oordeel van de Raad is objectief bezien geen sprake van een persoonlijke aanval op klager.
 
De Raad overweegt ten slotte dat het verweerder vrij stond om zich tot de feitelijke weergave van gegevens uit het faillissementsverslag te beperken. Hoewel de publicatie aldus summier van aard is, maakt het achterwege laten van door klager relevant geachte informatie niet dat daarmee grenzen zijn overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad De Limburger te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 20 november 2009 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, H. Blanken, prof. dr. M.J. Broersma, mw. drs. P.C.J. van Schaveren en drs. L.W. Verhagen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.