2009/6 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Stichting United Adoptees International Nederland
 
tegen
 
de hoofdredacteur van het Adoptietijdschrift
 
Bij brief van 29 oktober 2008 met zes bijlagen heeft mw. J. Hansink, vice-voorzitter, namens Stichting United Adoptees International Nederland te Sint-Michielsgestel (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Adoptietijdschrift (hierna: verweerder). Hierop heeft P.M. Benders, voorzitter van de redactieraad en directeur Stichting Adoptievoorzieningen te Utrecht, namens verweerder geantwoord in een brief van 1 december 2008 met drie bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 december 2008. Namens klaagster zijn daar H. Westra, voorzitter, en voornoemde Hansink verschenen. Namens verweerders is mw. L. Waanders, hoofdredacteur, verschenen, vergezeld door voornoemde Benders. Hansink heeft het standpunt van klaagster toegelicht aan de hand van een pleitnota.
 
Vanwege plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.
 
DE FEITEN
 
In het Adoptietijdschrift nr. 2 van 2008 is in de rubriek ‘achter de feiten aan’ een artikel verschenen van de hand van Waanders onder de kop “De valkuil van betrokkenheid” met de ondertitel “Een onderzoek dat de titel niet dekt” (hierna: het artikel). De lead van het artikel luidt:
 “Amper een dag na het verschijnen van het rapport van de commissie Kalsbeek opende United Adoptees International (UAI) de aanval op de commissie. Vreemd genoeg waren het niet de conclusies en aanbevelingen die het moesten ontgelden, maar de vermeende partijdigheid van de commissie, die zou blijken uit haar samenstelling. De integriteit van een aantal commissieleden werd in twijfel getrokken, hun deskundigheid genegeerd. Een week later presenteerden vier studentes van de opleiding ‘Sociaal Juridische Dienstverlening’ van de Hogeschool van Amsterdam hun afstudeerscriptie: ‘Interlandelijke Adoptie: kinderbescherming of kinderhandel?’ UAI was sponsor voor dit onderzoek.”
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passages:
“De onder de naam Onderzoeksgroep JJAG opererende studenten gaven hun rapport de titel ‘Interlandelijke Adoptie: Kinderbescherming of Kinderhandel?’. Hun belangrijkste onderzoeksvraag is echter: ‘moet Nederland de huidige wet- en regelgeving met betrekking tot interlandelijke adoptie blijven hanteren, aangezien deze ruimte openlaat voor misstanden en onduidelijkheid in de rol van de betrokken organisaties?’ (…) De vraag doet specifieke kennis, vooringenomenheid of beïnvloeding van buitenaf vermoeden. Alles – maar vooral het rapport zelf: stellingname, besproken casussen en bronnen – lijkt te wijzen op het laatste. Veel van wat geschreven is, is te herleiden tot de speerpunten en de wijze van redeneren en beargumenteren van de UAI.”
en
“De UAI in de persoon van Hilbrand Westra had echter wel beter moeten weten. In ieder geval in twee opzichten. Zijn aanval op een aantal leden van de commissie Kalsbeek was al niet zuiver, maar is zelfs behoorlijk hypocriet door zijn eigen rol als sponsor en souffleur bij het onderzoek van de studenten van de Hogeschool van Amsterdam.
Ernstig is ook dat hij opnieuw – na al eerdere gedane uitingen in de media – op een onzuivere manier over een vermeende samenhang tussen adoptie en kinderhandel aanstuurt en aan laat sturen. Misstanden komen bij interlandelijke adoptie in verschillende gradaties en op verschillende momenten in de procedure voor, en meer dan welke betrokkene – persoonlijk of professioneel – lief is. Dat aan de kaak stellen en op termijn uitbannen vraagt blijkbaar een objectiviteit en deskundigheid die ervaringsdeskundigen niet alle kan worden toegedicht.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt voorop dat zij wenst dat geadopteerden als volwaardig partner worden gezien bij het (inter)nationale adoptiedebat. Zij streeft naar een evenredige vertegenwoordiging van geadopteerden als gesprekspartner voor overheden, instanties en adoptieorganisaties.
Volgens klaagster brengt het artikel haar en haar voorzitter Westra in diskrediet. Klaagster vindt inhoudelijke kritiek om de dialoog aan te gaan meer dan welkom. Echter, verweerder heeft ten aanzien van de gewraakte publicatie ten onrechte geen wederhoor toegepast, zodat haar de mogelijkheid is ontnomen te reageren op de aantijgingen, aldus klaagster. Zij meent dat het artikel alleen ten doel heeft gehad om de persoonlijke grieven en aversie tegen klaagster, in de persoon van Westra, kenbaar te maken en de goede naam van klaagster aan te tasten.
Klaagster wijst erop dat zij werkt met verschillende organisaties uit het adoptieveld, waaronder diverse adoptieouderverenigingen. Veel adoptieouders ontvangen het Adoptietijdschrift. Het artikel kan, door een negatieve indruk over klaagster te wekken, een toekomstige samenwerking met de hiervoor bedoelde verenigingen bemoeilijken of zelfs verhinderen.
Ter zitting voegt klaagster hieraan nog toe, dat hoewel het volgens verweerder een opiniërend artikel betreft, dit niet maakt dat wederhoor achterwege kan worden gelaten. Klaagster vraagt zich overigens af of het artikel als opiniestuk kan worden aangemerkt. Volgens klaagster had Waanders – gelet op haar functie als hoofd- en eindredactrice – duidelijker moeten aangeven dat dit artikel slechts haar persoonlijke mening betreft en niet op enige autoriteit uit hoofde van haar functie is gebaseerd. Gelet op haar ervaring binnen het adoptieveld kan het niet anders dan dat Waanders zich bewust is geweest, dan wel had moeten zijn van het feit dat publicatie van haar artikel de positie van klaagster binnen het adoptieveld op negatieve wijze zou (kunnen) beïnvloeden. Van een zorgvuldige belangenafweging is niet gebleken. Hierbij wijst klaagster erop dat zij in het artikel, in de persoon van Westra, wordt beschuldigd van hypocriet gedrag. Ook de afsluitende opmerkingen ‘dat objectiviteit en deskundigheid kwaliteiten zijn die niet alle ervaringsdeskundigen kunnen worden toegedicht’ hebben duidelijk betrekking op klaagster c.q. Westra.
 
Verweerder stelt – samengevat weergegeven – dat het hier een opiniërend artikel betreft en de publicatie met name de persoonlijke visie van de auteur behelst, waarbij feitelijke verslaglegging niet voorop staat. De intentie en aard van het artikel zijn voor de gemiddelde lezer voldoende duidelijk. In het artikel komen geen kwalificaties voor die journalistiek onaanvaardbaar zijn, aldus verweerder.
Voorts stelt hij dat bij dit soort publicaties in beginsel geen wederhoor behoeft te worden toegepast. Verweerder meent dat de belangen van klaagster niet zodanig ernstig zijn geraakt, dat alsnog wederhoor was geboden.
Daarbij merkt verweerder op dat klaagster op alle mogelijke manieren de publiciteit opzoekt, waarbij zij forse uitspraken niet schuwt. Zij had een publicatie als de onderhavige kunnen verwachten. Bovendien is het belang van publicatie zorgvuldig afgewogen tegen de belangen die door het artikel mogelijkerwijs zouden kunnen worden geschaad.
Ten slotte merkt verweerder op dat Westra in juli zijn commentaar op het artikel al aan een selectie spelers binnen het adoptieveld heeft gestuurd. Daarmee is de klacht feitelijk ‘mosterd na de maaltijd’, aldus verweerder.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten wederhoor toe te passen.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist bij het publiceren van beschuldigingen behoort te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Verder past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
Het beginsel van wederhoor geldt niet voor publicaties die een persoonlijke mening bevatten (bijvoorbeeld columns, recensies en opiniërende bijdragen). Desalniettemin kan een dergelijke publicatie iemands belang zodanig raken dat wederhoor geboden is. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad)
 
Voorts overweegt de Raad dat het een journalist vrijstaat over een bepaald feit zijn mening te verkondigen, mits duidelijk is dat het om zijn persoonlijke opvatting gaat. Dat is hier echter niet gebeurd. Het gewraakte artikel is niet geplaatst en opgemaakt als column of opiniërend stuk, en bevat tevens feitelijke berichtgeving. Aldus is naar het oordeel van de Raad geen sprake van een publicatie waarbij in beginsel geen wederhoor behoeft te worden toegepast. (vgl. RvdJ 2006/59)
 
In het artikel is vermeld dat klaagster althans haar voorzitter ‘behoorlijk hypocriet is door zijn eigen rol als sponsor en souffleur bij het onderzoek van de studenten van de Hogeschool van Amsterdam’. Voorts is vermeld dat klaagster althans haar voorzitter ‘opnieuw op een onzuivere manier over een vermeende samenhang tussen adoptie en kinderhandel aanstuurt en aan laat sturen’.  
Aldus is sprake van een zodanige diskwalificatie van klaagster c.q. haar voorzitter dat verweerder deze uitlatingen niet zonder toepassing van wederhoor had mogen publiceren. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten, terwijl van hem – gezien de status van het tijdschrift in het adoptieveld – ter zake extra zorgvuldigheid mag worden verwacht.
 
De Raad komt derhalve tot de slotsom dat verweerder aldus de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in het Adoptietijdschrift te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 6 februari 2009 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, drs. G.T.M. Driehuis, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.