2009/57 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
mr. dr. G.D. Dales
 
tegen
 
B. Mullink en de hoofdredacteur van ‘AT5 Nieuws’
 
Bij brief van 31 augustus 2009 met een bijlage heeft mr. dr. G.D. Dales te Den Haag (hierna: klager) een klacht ingediend tegen B. Mullink en de hoofdredacteur van ‘AT5 Nieuws’ (hierna: verweerders). Daarbij heeft klager verzocht om versnelde behandeling. Gelet op artikel 2 lid 3 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad, heeft de voorzitter van de Raad dit verzoek toegewezen. J. de Zwart, programmadirecteur AT5, heeft namens verweerders op de klacht geantwoord in een brief van 8 september 2009.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 september 2009. Namens klager is daar mr. I.J. de Vré, advocaat te Amsterdam, verschenen, die het standpunt van klager heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Van de zijde van verweerders waren Mullink en De Zwart aanwezig.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een dvd-opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 28 augustus 2009 is in een uitzending van ‘AT5 Nieuws’ een item uitgezonden met als titel “Gemeenteraad onvolledig geïnformeerd over het Noord-Zuidlijn dossier.
De nieuwslezeres opent het item als volgt:
“De gemeenteraad is rond het besluit van de aanleg van de Noord-Zuidlijn onvolledig en te laat geïnformeerd. Toenmalig wethouder Geert Dales zou informatie hebben achtergehouden en pas nadat de raad ja had gezegd tegen de metrolijn alsnog de raad hebben geïnformeerd. Dales ontkent. Maar bronnen rondom de enquêtecommissie Noord-Zuidlijn zeggen dat de onvolledige informatievoorziening hét punt van hun onderzoek is.”
Daarna volgt de reportage, waarin een voice-over vervolgt:
“9 oktober 2002 staat de Amsterdamse gemeenteraad voor de grootste beslissing uit haar geschiedenis. Wordt de Noord-Zuidlijn aangelegd of niet? In de aanloop naar deze belangrijke avond heeft de raad al tientallen malen over de lijn gesproken. Raadsleden klaagden tijdens die vergaderingen dat ze meer en duidelijkere informatie wilden.”
Na een aantal archiefbeelden, waarin twee raadsleden aan het woord komen, vervolgt de voice-over:
“(…) Verschillende bronnen meldden AT5 dat toentertijd relevante informatie niet met de raad is gedeeld. Zo werd eind 2001, nog vóór het besluit, een nieuw financieel overzicht gemaakt. Dat werd uit de openbare rapportage gehouden.”
Daarna wordt een sheet getoond met de volgende tekst:
Achtergehouden financieel overzicht
2001: bij wethouder bekend
2002: informatie naar de raad
De voice-over meldt daarbij:
“Pas nadat de raad ja had gezegd, kregen de raadsleden deze informatie. Financiële informatie werd dus achtergehouden.”
Bij archiefbeelden van klager in raadsvergaderingen meldt de voice-over het volgende:
“Maar wethouder Dales heeft volgens bronnen ook onduidelijkheid gecreëerd rond de risico’s van de contracten. De informatie die hierover naar de raad ging was slordig. Ook werd niet goed aan de raadsleden duidelijk gemaakt hoe de gemeente risico’s probeerde te vermijden.”
Vervolgens komt A. Krouwel, politicoloog, in beeld, die meldt:
“Ja, dat is heel erg. Als het juist is dat de raad niet volledig is ingelicht en er dingen waren die ze hadden moeten weten om een goed besluit te nemen, dan heeft de huidige wethouder een heel groot politiek probleem, omdat ook de huidige wethouder steeds volledig verantwoordelijk is voor dit dossier.”
De voice-over vervolgt daarna:
“Oud-wethouder Dales wilde vandaag niet op onze bevindingen reageren. Twee weken geleden zei hij over dit onderwerp het volgende.”
Op de archiefbeelden zegt klager vervolgens:
“Ik zou niet weten wat ik met de kennis van dat ogenblik anders had moeten doen dan wat ik heb gedaan, namelijk de raad alle informatie geven en ze ook wijzen op de risico’s die aan dit project vastzaten.”
Daarna sluit Mullink de reportage af als volgt:
“Had de gemeenteraad alle informatie om in 2002 goed over de Noord-Zuidlijn te kunnen beslissen? Dat is dé cruciale vraag van het onderzoek van de enquêtecommissie. Uit alle gesprekken die ik met ingewijden heb gevoerd blijkt nu dat de raad in 2002 meerdere malen te laat en onvolledig is ingelicht. Dat is een politieke doodzonde, die als de conclusie stand houdt, verstrekkende politieke gevolgen kan hebben.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij door de uitzending ernstig is geschaad in zijn belangen, en dat zijn goede naam en reputatie zijn aangetast. Volgens klager voldoet de uitzending niet aan hetgeen gelet op de Gedragscode voor Nederlandse Journalisten en de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek als zorgvuldige journalistiek mag worden beschouwd.
Klager brengt naar voren dat Mullink enkele uren voor de uitzending contact met hem heeft opgenomen, en daarbij heeft vermeld dat een item zou worden uitgezonden met de strekking dat klager als wethouder de gemeenteraad opzettelijk onvolledig en/of onjuist zou hebben geïnformeerd. Volgens klager heeft Mullink daarbij nadere specificatie noch nadere inlichtingen gegeven over welke informatie de raad zou zijn onthouden. Volgens klager is hem de ernst van de aantijgingen niet duidelijk gemaakt en was hem ook niet duidelijk waartegen hij zich zou moeten verweren. Op het verzoek om voor de camera te reageren, is klager niet ingegaan, omdat hij van mening is dat hij in het licht van de aanstaande openbare verhoren van de enquêtecommissie Noord-Zuidlijn terughoudend moet zijn in het doen van inhoudelijke mededelingen in de pers. Wel heeft hij Mullink aangeraden om een tekst te gebruiken die hij eerder voor de camera van AT5 had uitgesproken, namelijk dat hij destijds “de raad naar eer en geweten, juist, volledig en integer (heeft) geïnformeerd, zoals in 2005 ook reeds bevestigd door de commissie van onafhankelijke deskundigen onder leiding van oud-minister Sorgdrager.”
Volgens klager wordt in de uitzending ten onrechte met grote stelligheid beweerd dat hij de gemeenteraad meerdere keren onvolledig en te laat heeft geïnformeerd en dat hij informatie heeft achtergehouden, tot het moment waarop de gemeenteraad had ingestemd met de Noord-Zuidlijn. Op geen enkele wijze wordt echter inhoud gegeven aan de beschuldigingen, althans niet anders dan dat het zou gaan om een ‘financieel overzicht’ dat klager zou hebben achtergehouden, maar waarover verder geen inhoudelijke mededeling werd gedaan. Zo wordt niet duidelijk welke informatie het betrof, waarom het kwalijk was dat die informatie de raad werd onthouden en waarin die informatie afweek van de informatie die klager na het zogeheten ‘go besluit’ aan de gemeenteraad heeft gegeven. Voorts wijst klager erop dat met het interview met politicoloog Krouwel een en ander nog veel zwaarder werd aangezet. Bovendien heeft Mullink aan het slot van het item gemeld dat uit gesprekken met ingewijden ‘blijkt dat de raad in 2002 meerdere malen te laat en onvolledig is ingelicht’ en dat dit ‘een politieke doodzonde’ is.
Een en ander maakt volgens klager dat de beschuldigingen niet als gerucht, maar als keihard en vaststaand feit zijn geponeerd. Volgens klager wordt hij daarmee neergezet als iemand die misleidt en liegt, en die bovendien een ‘politieke doodzonde’ heeft begaan. Klager meent dat deze beweringen een serieuze onderbouwing en bewijsvoering nodig maken en niet kunnen stoelen op een vaag en volstrekt ongespecificeerd verhaal over een ‘financieel overzicht’ dat zou zijn achtergehouden. Op geen enkele wijze worden de beschuldigingen in de uitzending hard gemaakt; er is geen bron, er zijn geen stukken en er is ook anderszins geen inhoudelijke informatie, aldus klager. De informatie in de uitzending was volgens klager dan ook onvolledig en nergens controleerbaar.
Klager wijst erop dat hij meteen na de uitzending met Mullink contact heeft opgenomen. Volgens klager heeft Mullink toen gemeld dat het om een financieel overzicht uit september 2001 zou gaan en dat klager na oktober 2002 andere informatie zou hebben gegeven. Mullink weigerde echter een nadere toelichting te geven. Klager heeft daarop naar voren gebracht dat hij zich niet kan verweren tegen beschuldigingen waarvan hij de aard niet kent. Bovendien acht klager van belang dat het kennelijk ging om informatie van ruim een jaar vóór het besluit van de gemeenteraad, op welk moment nog twee aanbestedingsrondes plaatsvonden. Er vinden dan veel mutaties plaats en in dergelijke procedures kunnen niet alle financiële gegevens openbaar worden gemaakt. Op zijn verzoek om hem het financiële overzicht te laten zien, zodat hij zich daarover een oordeel kon vormen, wilde Mullink volgens klager niet ingaan. Ook De Zwart weigerde inzage in de desbetreffende stukken te geven.
Klager benadrukt dat hij het onaanvaardbaar acht dat hem niet tevoren de ernst van de aantijgingen duidelijk is gemaakt. Evenmin is hem vóór de uitzending informatie getoond op basis waarvan hij tot het besluit had kunnen komen om wél te reageren en uit te leggen waarom het materiaal geen aanleiding kon geven tot de gedane beweringen. Daarbij wijst klager er ter zitting op dat hij reeds eerder is geïnterviewd naar aanleiding van verwijten van raadsleden dat hij een te rooskleurig beeld zou hebben geschetst. In vrij algemene termen is toen kritiek geuit, maar er is nimmer ter sprake gekomen dat hij informatie zou hebben achtergehouden. Dit cruciale onderscheid ten opzichte van de eerdere berichtgeving hadden verweerders moeten melden. Aangezien verweerders dat hadden nagelaten, was hij nu in de veronderstelling dat verweerders eerder gepubliceerde feiten opnieuw gingen presenteren. Nu hem bovendien pas een aantal uren voor de uitzending om een reactie is gevraagd, is van het bieden van voldoende gelegenheid tot wederhoor volgens klager geen sprake.
Klager begrijpt niet waarom verweerders geen enkele bron of stukken bekend konden maken. Ter zitting heeft klager in dit kader naar voren gebracht dat hij het belang van bronbescherming erkent, doch dat die bescherming wel haar beperkingen kent. Volgens klager komt het standpunt van verweerders erop neer dat zij geen enkele informatie kunnen overleggen, maar dat maar moeten worden geloofd dat zij zorgvuldig hebben gewerkt. Daarmee wordt echter niets aannemelijk gemaakt, aldus klager. Hij betwijfelt of de bronnen van verweerders betrouwbaar zijn. In dit kader merkt hij verder op dat verweerders zelf hebben aangegeven dat de bronnen ‘betrokkenen’ zijn. Klager benadrukt dat het bekend is dat sommige ‘betrokkenen’ erop uit zijn om de schuld van alle problemen op hem af te schuiven. Dit noopt derhalve tot zorgvuldigheid bij de berichtgeving hierover, aldus klager.
Ter zitting wijst klager erop dat de beschuldigingen niet door andere media zijn overgenomen. Klager vermoedt dat dit te maken heeft met de magere onderbouwing van het verhaal. Ook de enquêtecommissie heeft er geen aandacht aan besteed bij de verhoren van klager. Desgevraagd heeft de voorzitter van de commissie klager gemeld dat besloten is hem op dit specifieke punt niet te bevragen. Volgens klager kan daaruit worden geconcludeerd dat de enquêtecommissie niet beschikt over informatie die grond zou bieden voor de beschuldigingen van verweerders. Voorts acht klager van belang dat de enquêtecommissie zal moeten uitmaken of er fouten zijn gemaakt in het Noord-Zuidlijn-dossier.
Klager acht de uitzending tendentieus en stemmingmakend, waarbij feiten, beweringen en meningen volledig door elkaar heen lopen. Volgens klager was van urgentie voor de uitzending geen sprake en zijn door de uitzending zijn belangen onevenredig geschaad.
 
Verweerders stellen voorop dat de nieuwe metroverbinding een van de meest besproken projecten is van Amsterdam. Ten tijde van het instemmende besluit van de gemeenteraad in 2002 heeft klager met grote stelligheid beweerd dat de nieuwe metrolijn voor een totaalbedrag van 1,4 miljard euro kon worden aangelegd. Inmiddels gaat de gemeente uit van totale kosten van 3,1 miljard. Door velen is met name onderzocht hoe de kosten zo uit de hand konden lopen. Besloten is tot een raadsenquête om de historie van de besluitvorming en de bestuurlijke aansturing van het project te onderzoeken. Ter zitting benadrukken verweerders in dit kader dat de problematiek rond de Noord-Zuidlijn in Amsterdam een hot issue is, dat enorm leeft bij alle Amsterdammers en dagelijks onderwerp is van gesprek. Volgens verweerders is de in de uitzending aan de orde gestelde vraag, op welke punten het in de besluitvorming is misgegaan, dan ook journalistiek zeer relevant.
Verweerders wijzen erop dat uit alle verslagen rond het besluit in 2002 het beeld naar voren komt dat verschillende raadsleden meer informatie wilden ontvangen. Aangezien ook de besluitvorming door de enquêtecommissie onderzocht zou worden, hebben verweerders met meerdere betrokkenen gesprekken gevoerd, onder wie klager. Een aantal betrokkenen gaf aan dat de raad onvolledig was geïnformeerd. De gesprekken waren off-the-record en de betrokkenen wilden niet dat zij geciteerd werden. De lezing over de informatievoorziening kwam zeer concreet terug in een uiterst betrouwbaar stuk dat verweerders in handen kregen. Ook uit dat stuk mocht niet worden geciteerd. Ter zitting hebben verweerders benadrukt dat het stuk van dien aard is dat daaruit vrij gemakkelijk bekend kan worden wie de bron is. Anonimiseren of passages weglakken is niet mogelijk zonder de bron prijs te geven, en ook het overtikken van informatie is onvoldoende om te voorkomen dat de bron bekend wordt, aldus verweerders. Zij benadrukken dat de betrouwbaarheid van het stuk uitvoerig is gecontroleerd en dat de informatie betrouwbaar is gebleken. Ook de achtergrond van de betrokkenen is daarbij meegewogen. Bovendien, zo is ter zitting naar voren gebracht, is in de gesprekken met de betrokkenen de informatie uit het stuk door in elk geval twee personen bevestigd en geven de bronnen een eenduidig beeld. Daarbij benadrukken verweerders dat deze personen niet met het stuk zijn geconfronteerd, maar dat de personen zelf met de informatie kwamen. Nu geen van de bronnen bekend wilde worden, kon de informatie niet controleerbaar worden aangeboden, aldus verweerders. Zij achten van belang dat uit de gevoerde gesprekken en de stukken bovendien moet worden geconcludeerd dat hetgeen is beweerd als feit moet worden beschouwd.
Aangezien het besluit van 2002 cruciaal is in de beantwoording van de vraag waarom de kosten zo uit de hand zijn gelopen, is besloten tot publicatie over te gaan, zonder vermelding van de bron. Daarbij wijzen verweerders er ter zitting op dat de uitzending deel uit maakte van een serie van reportages over de Noord-Zuidlijn. Gelet op het grote belang van het onderwerp is besloten om, alles tegen elkaar afwegende, het publiek hierover te informeren. De middag voor de uitzending is contact opgenomen met klager en is hem gemeld dat in ‘AT5 Nieuws’ aan de orde zou komen dat hij als verantwoordelijk wethouder de raad rond het besluit tot aanleg onvolledig en te laat heeft geïnformeerd. Volgens verweerders heeft klager toen vrijwel meteen aangegeven dat hij helemaal nergens meer op ging reageren, omdat hem was verzocht de enquêtecommissie haar werk te laten doen. Klager stemde in met het gebruik van een citaat uit een eerdere uitzending, waarbij hem is duidelijk gemaakt dat nog zou worden bekeken welk citaat als meest relevant kon worden geacht. Ter zitting hebben verweerders naar voren gebracht dat ook zij liever hadden gezien dat klager wél op de aantijgingen had gereageerd.
Verweerders betwisten dat klager de ernst van de reportage onvoldoende is duidelijk gemaakt. Volgens verweerders heeft Mullink klager in het telefoongesprek duidelijk gemaakt dat de uitzending van een heel andere aard zou zijn dan voorgaande uitzendingen en is klager gemeld dat het erom ging dat hij informatie zou hebben achtergehouden. Volgens verweerders had dat bij een persoon als klager voldoende moeten zijn om daarop alert te reageren.
Na de uitzending heeft klager contact opgenomen met verweerders, waarbij hij van verweerders eiste dat ze met de desbetreffende stukken bij hem langs zouden komen. Verweerders hebben klager daarop duidelijk gemaakt dat dit in verband met de vertrouwelijkheid en de bescherming van de bron niet mogelijk was.
Al met al zijn verweerders van mening dat zij journalistiek zorgvuldig hebben gehandeld.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat de uitzending ernstige, ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van klager bevat, zonder dat op gedegen wijze gelegenheid is geboden tot wederhoor.
 
De Raad stelt voorop dat een journalist waarheidsgetrouw bericht. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. Daarbij is de journalist vrij in de selectie van nieuws. Voorts maakt de journalist in de berichtgeving een duidelijk onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen en vermijdt de journalist eenzijdige en tendentieuze berichtgeving. (zie punten 1.1., 1.2., 1.4. en 1.5. van de Leidraad van de Raad)
 
Teneinde het publiek zo goed mogelijk te informeren maakt de journalist bij voorkeur zijn bronnen bekend. De journalist beschermt evenwel de identiteit van zijn bronnen aan wie hij vertrouwelijkheid heeft toegezegd, en van bronnen van wie hij wist of kon weten dat zij hem informatie hebben toegespeeld in de verwachting dat hij hun identiteit niet zou onthullen. Van informatie die hem is toegespeeld en van informatie die hem is meegedeeld door bronnen van wie hij de identiteit niet kan onthullen, maakt hij alleen gebruik wanneer hij de betrouwbaarheid heeft onderzocht, en de publicatie ervan voldoende nieuwswaarde heeft, een algemeen belang dient en geen onevenredig groot gevaar voor personen oplevert. (zie punten 2.2.1., 2.2.2. en 2.2.3. van de Leidraad)
 
Voorts onderzoekt de journalist bij het publiceren van beschuldigingen of voor die beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. De journalist past, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij de betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
 
In de uitzending wordt beweerd dat klager bewust informatie heeft achtergehouden in een politiek proces, hetgeen door Mullink is gekwalificeerd als ‘politieke doodzonde’. Aldus bevat de uitzending een zeer zware beschuldiging aan het adres van klager. Door de wijze waarop de beschuldiging is gepresenteerd en bezien in de context, wordt de kijker weinig ruimte gelaten voor een andere conclusie dan dat de handelwijze van klager niet deugt. Deze suggestie tast de integriteit van klager als (voormalig) bestuurder aan en is uitermate diffamerend.
 
Daarbij komt dat de beschuldiging volgens verweerders is gebaseerd op drie anonieme bronnen; een vertrouwelijk stuk, waarvan de informatie door twee personen is bevestigd. De Raad houdt er rekening mee dat het hier een moeilijk te achterhalen materie betreft, waarbij grote belangen, van degenen die bij de besluitvorming over de aanleg van de Noord-Zuidlijn zijn betrokken, op het spel staan. Het is daarom begrijpelijk dat verweerders bepaalde informatie in deze zaak alleen onder plicht van geheimhouding konden verkrijgen en dat het niet mogelijk was die bronnen in de uitzending bekend te maken. Bovendien is genoegzaam aannemelijk geworden dat verweerders voorafgaand aan de uitzending uitgebreid onderzoek hebben gedaan naar en aandacht hebben besteed aan de betrouwbaarheid van de bronnen.
Van dit onderzoek is in de uitzending echter onvoldoende blijk gegeven. In de uitzending wordt niet specifiek naar voren gebracht waarop de beschuldiging aan het adres van klager betrekking heeft. Niet is duidelijk gemaakt in hoeverre de (vermeend) achtergehouden informatie relevant had kunnen zijn voor de besluitvorming van de gemeenteraad inzake de Noord-Zuidlijn. De juistheid van de beschuldiging is aldus voor het publiek onvoldoende controleerbaar. Bovendien is aan de kijker evenmin duidelijk gemaakt op hoeveel bronnen de informatie is gebaseerd en waarom deze bronnen anoniem wensten te blijven.
 
Uit een en ander vloeit voort dat van verweerders – gelet op de in het geding zijnde belangen – extra zorgvuldigheid mocht worden verwacht ten aanzien van het toepassen van wederhoor.In lijn met eerdere uitspraken overweegt de Raad in dit verband dat, indien aan een betrokkene om een reactie wordt gevraagd, die betrokkene niet steeds vooraf volledig behoeft te worden geïnformeerd over de inhoud van de publicatie. Volstaan kan worden met aan betrokkene voldoende duidelijk mee te delen, waarop het te geven commentaar betrekking moet hebben. Daarbij is de mate waarin een journalist opening van zaken moet geven afhankelijk van de aard van het te publiceren bericht. (vgl. onder meer RvdJ 2006/72)
 
Op basis van hetgeen door partijen naar voren is gebracht stelt de Raad vast dat Mullink de middag voor de uitzending contact heeft opgenomen met klager. Klager heeft gemotiveerd aangevoerd dat in eerdere uitzendingen niet aan de orde is gesteld dat hij bewust informatie zou hebben achtergehouden en hij heeft nadrukkelijk betwist dat Mullink hem heeft meegedeeld dat hij daarvan in de gewraakte uitzending zou worden beschuldigd. De Raad kan niet vaststellen wat in het telefoongesprek tussen Mullink en klager daadwerkelijk is besproken. Uit de door partijen geschetste omstandigheden maakt de Raad op dat het gesprek van korte duur was en dat binnen dat tijdsbestek partijen overeenkwamen dat gebruik zou worden gemaakt van een citaat van klager uit archiefbeelden.
 
Gelet op hetgeen door beide partijen aldus is geschetst, staat naar het oordeel van de Raad niet onomstotelijk vast dat aan klager zodanige informatie is verstrekt dat hij een goede afweging heeft kunnen maken om al dan niet op het verzoek tot wederhoor in te gaan. Gelet op de aard en de ernst van de beschuldigingen hadden verweerders in dit geval, nu klager deze niet onmiddellijk had hoeven begrijpen, klager daarop moeten wijzen alvorens tot uitzending over te gaan. Niet is aannemelijk gemaakt dat onmiddellijke uitzending geboden was.
 
Alles in samenhang beziend is de Raad dan ook van oordeel dat verweerders, door te handelen en na te laten als hiervoor is overwogen, de grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘AT5 Nieuws’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op hun website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 23 oktober 2009 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, H. Blanken, prof. dr. M.J. Broersma, mw. drs. P.C.J. van Schaveren en drs. L.W. Verhagen, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.