2009/50 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
 
tegen
 
P. Buss, C. Springelkamp en de hoofdredacteur van De Telegraaf 
 
Bij brief van 24 juni 2009 met twee bijlagen heeft mr. A.C.H. Jansen, advocaat te Wijchen, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen P. Buss, C. Springelkamp en de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerders). Hierop heeft mw. mr. C.M. Schouwenaar, bedrijfsjurist Telegraaf Media Groep, namens verweerders in een brief van 10 juli 2009 laten weten geen medewerking aan de procedure bij de Raad te zullen verlenen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 augustus 2009 buiten aanwezigheid van partijen.
 
DE FEITEN
 
Op 19 mei 2009 is in De Telegraaf een artikel verschenen onder de kop “Moordenaar neergeschoten”. In het artikel wordt vermeld dat klager, die in een winkelcentrum in Tiel door Y is neergeschoten, twintig jaar daarvoor zelf was veroordeeld voor het doodschieten van zijn vriendin. In het artikel zijn de voor- en achternaam van klager genoemd.
 
Vervolgens is op 20 mei 2009 onder de kop “X  krijgt wat hem toekomt” wederom een artikel in De Telegraaf verschenen over het schietincident, waarbij nogmaals de volledige voor- en achternaam van klager zijn genoemd, evenals het feit dat klager 20 jaar eerder is veroordeeld voor het doden van zijn vriendin. Het artikel bestaat voor het grootste gedeelte uit een reactie van de dochter van die vriendin, op het schietincident en op de gebeurtenissen van 20 jaar geleden.
 
Beide artikelen zijn zowel in de papieren versie van De Telegraaf als op de daarbij behorende website gepubliceerd.
 
HE STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager betoogt dat de publicaties zowel hem als zijn familie ernstig hebben geschaad. Hij meent dat de publicaties in strijd zijn met punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad, waaruit voortvloeit dat een journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van de berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Volgens dat artikel overschrijdt een inbreuk op de privacy de grenzen van zorgvuldige journalistiek, wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie.
Volgens klager was het in het onderhavige geval in het kader van de berichtgeving zeker niet noodzakelijk de volledige voor- en achternaam van klager te vermelden. Bovendien werd het maatschappelijk belang niet gediend met publicatie van de volledige voor- en achternaam. Verweerders hadden eenvoudig kunnen volstaan met het vermelden van de initialen van klager of het vermelden van diens voornaam en de eerste letter van diens achternaam, zoals binnen de
journalistiek in Nederland gebruikelijk is, en zoals overigens ook gebeurd is met de naam van Y. Dat verweerders met publicatie van de volledige voor- en achternaam een ontoelaatbare inbreuk op de privacy van klager hebben gemaakt, is eens te meer het geval nu het schietincident waarvoor klager is veroordeeld meer dan twintig jaar geleden heeft plaatsgevonden, klager zijn straf al ruimschoots heeft uitgezeten en hij zijn leven volledig opnieuw heeft opgebouwd. Dit had voor verweerders reden moeten zijn voor extra terughoudendheid.
Verder acht klager de publicaties in strijd met artikel 2.4.5. van de Leidraad. Hierin is bepaald dat een journalist voorkomt dat hij gegeven in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. Door de volledige voor- en achternaam van klager te vermelden en tevens op te nemen dat zowel het incident op 19 mei 2009 als het incident twintig jaar geleden in Tiel hebben plaatsgevonden, hebben verweerders de identiteit van klager volledig onthuld. Iedereen die (één van) de betreffende artikelen heeft gelezen weet nu dat klager twintig jaar geleden zijn vriendin heeft doodgeschoten. Bovendien komt de achternaam van klager zeer weinig voor, en is er in Tiel maar één persoon met die achternaam. Klager wijst in dit verband nog op de uitspraken van de Raad van 12 december 2008 (RvdJ 2008/60) en 18 juli 2008 (RvdJ 2008/32) en verzoekt de Raad zijn klacht gegrond te verklaren.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht komt er op neer dat de privacy van klager door het vermelden van zijn volledige naam onevenredig is aangetast.
 
Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daar staat tegenover dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie (zie punt 2.4.1. van de Leidraad).
 
Bovendien dient een journalist te voorkomen dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd (zie punt 2.4.5. van de Leidraad). Dat de identiteit van een betrokkene door een publicatie bekend wordt, maakt die publicatie evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privéleven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijk belang anderzijds (vgl. onder meer: RvdJ 2007/82 en RvdJ 2008/32).
 
Zoals de Raad eerder heeft overwogen is het de plicht van de journalist om, wanneer het slachtoffer en/of zijn naasten door het bericht herkenbaar kunnen worden, zich af te vragen of onevenredige benadeling van of leedtoevoeging aan deze personen het gevolg van de berichtgeving kan zijn. De journalist dient in dat geval het belang van deze personen te laten prevaleren en dus hun herkenbaarheid te vermijden. Het in berichtgeving over geweldsmisdrijven herkenbaar en identificeerbaar maken van slachtoffers kan niet zonder meer als een dergelijke onevenredig zware leedtoevoeging beschouwd worden (vgl. onder meer: X tegen Panorama, RvdJ 2006/71).
 
Uit de publicaties blijkt dat klager slachtoffer is geworden van een schietincident, zodat in beginsel het vermelden van zijn voor- en achternaam niet als een onevenredig zware leedtoevoeging kan worden beschouwd. In dit geval is desondanks sprake van onevenredige benadeling van klager. De Raad overweegt hiertoe dat klager door het gebruik van het woord “moordenaar” in de kop van het eerste artikel en het uitvoerig stilstaan bij het misdrijf, dat klager twintig jaar geleden heeft begaan, in het tweede artikel niet zozeer als slachtoffer maar als veroordeelde van een ernstig misdrijf wordt geportretteerd. Naar het oordeel van de Raad is in dit geval niet gebleken dat met de vermelding van de naam van klager een maatschappelijk belang is gediend, dat bovendien zwaarder weegt dan het individuele belang van klager. Klager had ook anoniem kunnen worden genoemd of hoogstens met initialen kunnen worden aangeduid zonder dat afbreuk was gedaan aan de aard en inhoud van de berichtgeving. Niet is gebleken dat door het weglaten van klagers volledige naam een onaanvaardbare onduidelijkheid voor de lezer zou zijn ontstaan.
 
Hieruit volgt dat verweerders niet op verantwoorde wijze het belang van klager bij de bescherming van zijn privacy hebben afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend.
 
De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de vermelding van klagers naam een ongerechtvaardigde aantasting vormt van klagers privéleven. Verweerders hebben aldus grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 2 oktober 2009 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, mr. B. Geersing, T.R. Harkema, J.M. van der Hart en mw. E.J.M. Lamers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.