2009/5 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
GlaxoSmithKline
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Zembla’ (VARA/NPS)
 
Bij brief van 29 oktober 2008 met elf bijlagen – waaronder een dvd-opname van de gewraakte uitzending – heeft mw. S. Doornweerd, arts en Head Corporate Communications, namens GlaxoSmithKline te Zeist (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘Zembla’ (hierna: verweerder). Hierop heeft mw. mr. B. den Ouden, bedrijfsjurist van Omroepvereniging VARA, namens verweerder geantwoord in een brief van 20 november 2008 met drie bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 november 2008. Klaagster is daar vertegenwoordigd door mr. M. van Emst, bedrijfsjurist, en voornoemde Doornweerd, die het standpunt van klaagster heeft toegelicht aan de hand van een pleitnota. Namens verweerder zijn M. Blaas en H. Nietsch, programmamaaksters, en mr. Den Ouden verschenen.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de dvd-opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 19 oktober 2008 is in het televisieprogramma ‘Zembla’ een reportage uitgezonden met de titel “Het omstreden kankervaccin” (hierna: de uitzending). Aan het begin van de uitzending wordt een reclamespot van de firma Sanofi Pasteur MSD getoond. De uitzending wordt vervolgens ingeleid met een aantal korte vooruitblikken, waarbij de voice-over meldt:
“Vanaf volgend jaar krijgen alle meisjes van 12 jaar een vaccin tegen baarmoeder-halskanker aangeboden. Artsen hebben hoge verwachtingen van het nieuwe vaccin. (…) De vaccinaties beginnen pas volgend jaar, maar het nieuwe middel is nu al vrij op de markt te krijgen. Toch zijn er nogal wat onduidelijkheden. Is het wel veilig? Hoe zit het met de bijwerkingen? En zal het echt wel werkzaam blijken?
Om het middel bij een breed publiek onder de aandacht te brengen werkt de farmaceutische industrie met consultants, die lobbyen en onopvallend ervoor zorgen dat de media de aandacht vestigen op een ziekte. Zembla sprak met zo’n voormalig consultant.”
Vervolgens komt S. van Nuland in beeld, die zegt:
“Er komt een middel op de markt, op alle gebieden worden mensen beïnvloed, bewerkt, om een positief gevoel te krijgen over dit middel.”
Daarop vervolgt de voice-over:
“En dan zijn er ook nog de artsen die reclame maken voor het vaccin, zoals deze gynaecoloog.”
Na een fragment waarbij de bedoelde gynaecoloog zich tijdens een presentatie positief uitlaat over het vaccin meldt de voice-over:
“De arts maakt niet alleen reclame, maar wat hij zegt klopt niet. Afgelopen week heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg invallen gedaan bij GlaxoSmithKline en Sanofi Pasteur MSD, op verdenking van ongeoorloofde reclameactiviteiten. Zembla over hele leugens en halve waarheden rond het omstreden kankervaccin.”
 
Hierna wordt aandacht besteed aan een meisje van 15 jaar, dat zich tegen baarmoederhalskanker heeft laten inenten. Daarbij wordt de vader van het meisje aan het woord gelaten en komt hoogleraar gynaecologie G. Kenter, verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum, aan het woord. Zij is, aldus de voice-over, voorstander van het massaal vaccineren van jonge meisjes.
De voice-over meldt vervolgens:
“Of het vaccin echt werkt, weten we pas over 30 jaar. Voorstanders vinden dat we daar niet op moeten wachten. Het vaccin is nu beschikbaar. Het lijkt te werken, het lijkt veilig, dus moet het zo snel mogelijk in het Rijksvaccinatieprogramma worden opgenomen. Maar professor Van Leeuwen van het Nederlands Kankerinstituut vindt dat het middel veel te snel wordt ingevoerd.”
Professor F. van Leeuwen deelt hierop mee:
“Het is natuurlijk heel bijzonder dat er nu een vaccin is wat mogelijk beschermt tegen een vorm van kanker. Dat is de eerste keer dat dat gebeurt, dus ik begrijp dat veel mensen dan euforisch worden en het bijna meteen willen gaan invoeren. Maar in de huidige geneeskunde is het toch juist de praktijk dat we heel goed al het onderzoek tegen het licht moeten houden voordat we iets echt populatiebreed, dus bevolkingsbreed, gaan introduceren. Dat is ontzettend belangrijk.”
De voice-over bericht aansluitend dat de kritiek van professor Van Leeuwen wordt gedeeld door professor Schellekens, die lid is van het college ter beoordeling van geneesmiddelen.
 
Vervolgens wordt aandacht besteed aan de marketingactiviteiten van de farmaceutische industrie. Professor H. Schellekens, hoogleraar biotechnologie, zegt in dat verband:
“De farmaceutische industrie geeft op dit moment gemiddeld geloof ik 3 tot 4 keer meer uit aan marketing, dus aan het proberen mensen te overtuigen om hun medicijnen en vaccins te gebruiken, dan ze uitgeven aan wetenschappelijk onderzoek. En dat is te merken, die marketing is heel erg sterk geworden.”
De voice-over vervolgt:
“Wij zien marketingplannen van GlaxoSmithKline. Veel voorstellen halen het niet omdat ze tegen de regels zijn. Maar het voorstel om alle vrouwelijke personeelsleden van GlaxoSmithKline gratis in te enten, net als de vrouwelijke partners van de werknemers, haalt het wel en is inmiddels uitgevoerd. Zembla legt contact met een oud-consultant van het bedrijf, die over deze plannen meedacht. Zij geeft openheid van zaken, iets wat in haar kringen zeer ongebruikelijk is.”
Hierop komt S. van Nuland aan het woord:
“Als je met het werk bezig bent, je denkt ook heel erg vanuit marketingperspectief, je bent een product aan het marketen, dan denk je minder aan andere dingen. Ik ben nooit over lijken gegaan, dat zal ik ook niet doen. En ik ben ook altijd voor mijn idee wel met patiënten met respect omgegaan.”
De voice-over meldt:
“Van Nuland werd ingehuurd als consultant. Ze werkte onopvallend en hoefde niet over medische kennis te beschikken. Haar talent zat hem vooral in het bespelen van de media. Uiteindelijk was ze drie jaar actief voor GlaxoSmithKline. In die tijd werd ze persoonlijk benaderd om voor het bedrijf te komen werken.
Van Nuland:
“Op het moment dat ze mij vroegen was ik een alleenstaande moeder met twee kinderen en ik had op dat moment niet veel werk. En het verdient ontzettend goed. En in het begin had ik ook nog wel de illusie iets goeds bij te dragen aan eerlijke voorlichting. En dat was voor mij een punt om ja te zeggen.”
De voice-over vervolgt:
“GlaxoSmithKline wil er voor zorgen dat het publiek overtuigd raakt van het feit dat het nieuwe vaccin zo snel mogelijk op de markt moet komen. Het was Van Nuland's opdracht om ervoor te zorgen dat de media uitgebreid over de ziekte baarmoederhalskanker zou berichten.”
en iets later:
“In veel artikelen wordt de angst voor baarmoederhalskanker dus aangewakkerd en het vaccin aangeprezen.”
Van Nuland:
“In Nederland is het verboden om reclame te maken voor receptgeneesmiddelen. Dus wat doen ze? Ze gaan vooral reclame voor de ziekte maken, want dat mag wel, onder het mom van voorlichting bijvoorbeeld.”
Verderop in de uitzending meldt de voice-over:
“Natuurlijk gebruikte Van Nuland ook het internet om het vaccin voor GlaxoSmithKline te promoten. Ze gaat zelfs zo ver, dat ze een site opent, waarop later een petitie wordt geplaatst die voor de Minister is bestemd. Hem wordt gevraagd haast te maken met de invoering van het vaccin voor alle vrouwen. Bijna 200.000 mensen tekenen de petitie.”
Van Nuland:
“Ondanks dat ik op de website gezet heb wie ik was en dat ik voor de farmaceutische industrie werkte, betwijfel ik dat mensen weten dat ik voor de farmaceutische industrie werkte. Puur om het feit dat mensen eigenlijk niet goed lezen waar iets vandaan komt. Ze tekenen, want ze denken: dat is goed, tekenen, klaar. En ze gaan daar niet zo diep op in.”
 
Daarna wordt aandacht besteed aan een onderzoek met twee vaccins, waaronder het vaccin tegen baarmoederhalskanker, waarbij ouders zijn benaderd om hun dochters te laten inenten. Volgens de voice-over wordt dit onderzoek geheel betaald door GlaxoSmithKline. Nadat onder meer een moeder aan het woord komt die haar dochters in het kader van dit onderzoek heeft laten vaccineren, meldt Van Nuland:
“Het lijkt op een seeding trial. En dat zijn onderzoeken die onder het mom van de wetenschap opgezet worden maar eigenlijk ook reclame is. (...)
De voice-over meldt:
“Sandra van Nuland werkt dus niet meer voor de farmaceutische industrie. De werkwijze die van haar werd verwacht, ging haar steeds meer tegen staan.”
Van Nuland:
“Ja, ik vond het niet prettig werken, want ik persoonlijk ben ontzettend voor eerlijke voorlichting. En dat gebeurde daar in mijn ogen niet. Dus dat voelde voor mij helemaal niet meer prettig.”
Daarop worden beelden getoond van een presentatie waarbij een arts zich positief uitlaat over het vaccin. De voice-over meldt daarbij:
“Een gynaecoloog die avonden belegt om een middel te promoten, folders van de fabrikant uitdeelt. Zo'n actie roept vragen op. Dat gebeurde ook bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg, die van deze bijeenkomst op de hoogte was en de kwestie nu in onderzoek heeft. (…)”
 
Ten slotte wordt in de uitzending aandacht besteed aan de politiek en de Gezondheidsraad die de Minister adviseert, en de beïnvloeding daarvan door de farmaceutische industrie. De voice-over bericht:
“Minister Klink liet zich over het inenten van meisjes tegen baarmoederhalskanker adviseren door een commissie van de Gezondheidsraad. Die was positief. De overheid zou er goed aan doen het vaccin op te nemen in het Rijksvaccinatieprogramma. Heeft de commissie ook de druk van buitenaf gevoeld?”
Professor J. van der Noordaa, voorzitter van de adviescommissie, deelt mee:
“Nou ja, dat gebeurde wel vanuit de maatschappij en vanuit de Tweede Kamer ook. Maar dat heeft voor ons geen rol gespeeld." (...) "Het gaat om de feiten en de gegevens die we hebben, en onze overwegingen, en ja op grond daarvan beslissen we en niet op of men daar nou vanuit de maatschappij of vanuit de Tweede Kamer om roept dat het zo nodig onmiddellijk moet gebeuren. Zo werkt dat niet in de Gezondheidsraadadvies.”
De voice-over vervolgt:
“Ondanks onduidelijkheden over de effectiviteit, bijwerkingen en veiligheid, heeft de commissie dus na veel wikken en wegen positief geadviseerd.”
Van der Noordaa:
“We constateerden dus als commissie dat er best nog een aantal onzekerheden waren. Die hebben we ook in een apart hoofdstuk vermeld omdat we de zaak niet mooier wilden voorstellen dan die was. Maar uiteindelijk hebben we toch gezegd, ja, wat voor ons hebben gezegd wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen. Wij vinden dus die halvering van het aantal ziektegevallen en het aantal sterfgevallen, ook omdat het vaak gaat om jonge vrouwen, vonden we zo belangrijk dat we hebben gezegd: ok, dat weegt voor ons het zwaarst en de onzekerheden die vinden we heel belangrijk, daar moet goed op gelet worden, maar dat hebben we dus eigenlijk het lichtst laten wegen.”
Voice-over:
“De commissie hoopt dat de 200 sterfgevallen van nu uiteindelijk naar 100 kunnen worden teruggebracht.”
Hierop komt professor Van Leeuwen aan het woord:
“Ik denk dat dat een grove overschatting is. In werkelijkheid zullen veel minder dan 100 sterfgevallen per jaar aan baarmoederhalskanker voorkomen gaan worden. Het rapport van de Gezondheidsraad gaat ervan uit dat vrouwen levenslang beschermd zijn tegen baarmoederhalskanker als ze de vaccinatie hebben gehad. En ik denk dat er een herhaalvaccinatie nodig zal zijn op 30-jarige leeftijd, misschien op 45-jarige leeftijd. En dat je dan lang niet alle vrouwen in Nederland kan bereiken."
De voice-over meldt vervolgens:
“Nederland heeft een van de beste bevolkingsonderzoeken op baarmoederhalskanker van de wereld. En als dat onderzoek nog meer verbeterd wordt, dan kunnen die 200 sterfgevallen volgens professor Van Leeuwen al op veel kortere termijn behoorlijk worden teruggebracht en is vaccinatie niet nodig.” (…) “Het is ongebruikelijk dat de Gezondheidsraad positief is over een vaccin waarover nog zoveel vragen bestaan. Neem de 12-jarigen bijvoorbeeld, die straks worden ingeënt. Die groep is nog nauwelijks onderzocht. Gynaecoloog Kenter maakte ook deel uit van de commissie.”
Kenter deelt daarop mee:
“Wij hebben uitgebreid extra advies en informatie gevraagd bij de industrieën die dit vaccin maken. En we zijn tot de conclusie gekomen dat het veilig genoeg is om het in Nederland te implementeren, in te voeren. (...) De industrie heeft de verantwoordelijkheid om die informatie op de juiste wijze aan te leveren.”
Op de vraag van de verslaggeefster hoe men er zeker van kan zijn dat de industrie daar een eerlijk antwoord op geeft, antwoordt Van der Noordaa:
“Nee, dat kan je ook niet en dat moet je dan maar hopen. Dat is gewoon zo en dat, wij gaan ervan uit dat we met serieuze mensen te maken hebben. Maar er is natuurlijk ook altijd nog het dilemma van dat er een marketingafdeling is en dat er van alles en nog wat moet gebeuren om dat allemaal weer te bekostigen, want dat is ook een gigantisch duur onderzoek geweest. Maar ja, wij hebben dus de mensen bevraagd, kritisch bevraagd, en wij hebben maar aangenomen dat wat ze ons verteld hebben, dat dat waar is.”
Voice-over:
“Er zijn nogal wat commissieleden die met diezelfde industrie hechte banden onderhouden. Voor zulke conflicterende belangen bestaat een meldingsplicht. Dit zijn de formulieren die de commissieleden moesten invullen om hun banden met de industrie te melden. Zembla kreeg inzicht na een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur. Professor Schellekens keek met ons mee.”
Schellekens:
“Wat opvalt, en dat ja, is dat een aantal leden wel heel erg sterk bindingen hebben met de industrie. Is onvermijdelijk overigens want ja, wij worden als wetenschappers steeds meer in de, door dezelfde overheid, in de handen van de industrie gedreven. Maar er zitten toch wel een aantal leden bij waarvan ik denk: die zitten wel heel erg sterk met hun poten in de industrie.”
Bij beelden van verschillende meldingsformulieren meldt de voice-over:
“Vijf van de acht leden van de commissie hebben banden met GlaxoSmithKline. Hier zien we een formulier van professor Meijer. Het bedrijf betaalt hem om lezingen te geven en hij krijgt onderzoeksgeld. En doctor Quint heeft een bedrijf, een diagnostisch laboratorium dat diensten verleent aan GlaxoSmithKline.”
Van der Noordaa reageert daarop als volgt:
“Al die mensen die daar dus zaten, die die belangen hadden of die banden hadden, die kende ik allemaal als integere wetenschappers En dat is wat voor mij speelt. De Gezondheidsraad maakt een oordeel op basis van de stand van de wetenschap. Daar gaat het om. En ik heb niet een van die adviseurs of mensen die dan zogenaamd belang hebben, kunnen betrappen op ook maar de geringste partijdigheid. En ik lette daar heel erg op.”
De voice-over bericht verder nog:
“De commissie bestaat uit leden en uit adviseurs. Adviseurs zijn geen lid, omdat hun banden met de industrie te nauw zijn. We hebben ook vergaderstukken in handen. Als we daar naar kijken, zien we dat enkele leden, waaronder professor Meijer en doctor Quint, tijdens de vergaderingen lid waren, maar in het eindrapport als adviseur worden aangemerkt, en dus hun stemrecht zijn kwijtgeraakt.”
Aan het slot van de uitzending meldt de voice-over het volgende: 
“We vragen doctor Quint waarom z'n status werd gewijzigd. Hij zegt (een geschreven tekst wordt in beeld gebracht): “Om alle schijn van belangenverstrengeling te vermijden, hebben we besloten dat ik adviseur werd. Ik vond zelf dat ik gewoon lid had kunnen blijven.” En professor Meijer, die dus banden heeft met GlaxoSmithKline, laat weten (wederom wordt een geschreven tekst in beeld gebracht): “Stel dat ik lid was gebleven, dan hadden de mensen gezegd: zie je nou wel. En om die schijn weg te nemen, heb ik er niets op tegen dat ik adviseur ben, maar in de praktijk verandert er niets.”
 In de praktijk is er dus niets veranderd. Leden en adviseurs hebben als gelijkwaardige deelnemers aan de discussie unaniem, zonder te stemmen, besloten de Minister positief te adviseren over het vaccin. En minister Klink onderzoekt nu of het financieel haalbaar is om vanaf volgend jaar alle 12-jarige meisjes tegen baarmoederhalskanker in te enten.” 
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat haar belangen door de uitzending ernstig zijn geschaad. De uitzending is eenzijdig, tendentieus en vooringenomen, en bevat diverse onjuistheden. Klaagster merkt op dat sinds een jaar vaccinatie tegen baarmoederhalskanker mogelijk is. Ten onrechte beweert verweerder in de op zijn website gepubliceerde aankondiging van de uitzending, dat het vaccin omstreden is. Klaagster meent verder dat in de uitzending met name personen aan het woord zijn gelaten die twijfel hebben dan wel twijfel zaaien over het vaccin. Om deze twijfel te versterken heeft verweerder bovendien met name de marketingactiviteiten van de industrie aan de orde gesteld, aldus klaagster. Zij meent dat het programma overduidelijk blijk geeft van een vooringenomenheid ten aanzien van werkzaamheid, veiligheid en effectiviteit van vaccins tegen baarmoederhalskanker. In dat kader merkt klaagster voorts op dat kort vóór en vlak ná de uitzending de fractievoorzitter van de SP en het dagblad Trouw hierover berichtten, hetgeen volgens haar geen toeval kan zijn.
De eenzijdigheid van de berichtgeving klemt volgens klaagster te meer, nu verweerder voor de uitzending per e-mail een aantal vragen aan haar heeft gesteld waarop door haar een uitgebreid, op wetenschappelijke feiten gebaseerd antwoord is gegeven. Van die informatie komt in het programma echter niets terug, aldus klaagster.
Zij wijst er verder op dat, afgaande op de vooraankondiging op de Zembla-website, het programma gaat over ‘oud’ nieuws dat al eerder is gepubliceerd in een commentaar in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde (NTvG) van augustus 2008. De Gezondheidsraad heeft evenwel op 18 oktober 2008 – dus een dag voor de uitzending – in een reactie in het NTvG laten weten dat het de aangevoerde argumenten in dat commentaar niet overtuigend vindt en dat de critici selectief omgaan met de informatie uit het advies van de Gezondheidsraad.
Klaagster stelt voorts dat in de uitzending ten onrechte is gesteld dat bij haar een ‘inval’ is gedaan door de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Het ging namelijk om een vooraf aangekondigd toezichtbezoek. Er was geen sprake van dat zij werd verdacht van overtreding van regels, hetgeen de Inspectie ook heeft bevestigd, aldus klaagster. Deze onjuiste informatie wordt door klaagster als zeer beschadigend ervaren, met name nu deze informatie door andere media is overgenomen.
Wat de in de uitzending opgevoerde critici betreft, merkt klaagster op dat deze vooral meningen verkondigen en veel suggereren. Maar van feitelijk en/of wetenschappelijk bewijs is geen sprake. Het enige feitelijke en juiste dat over vaccins is aangevoerd, is dat een herhalingsvaccinatie op den duur nodig kan blijken te zijn. In dat verband wijst klaagster er overigens op dat herhalingsvaccinaties een gangbaar fenomeen zijn. Voor het overige uiten de critici Schellekens en Van Leeuwen vooral persoonlijke meningen. De kijker wordt daarbij op het verkeerde been gezet, nu deze critici wel als objectieve autoriteiten worden gepresenteerd. Bovendien maken de programmamakers geen duidelijk onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen, hetgeen in strijd is met de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek, aldus klaagster. Ter zitting heeft zij in dat verband nog gewezen op een door verweerder overgelegd kritisch artikel over de opname van het vaccin in het Rijksvaccinatieprogramma. Daarin staat vermeld dat de auteurs financiële banden hebben met klaagster, hetgeen aantoont dat zij ook kritische wetenschappers ondersteunt. Dit, noch de mening van die critici, is in de uitzending naar voren gebracht.
Tevens merkt klaagster op dat Van Nuland meer dan eens de suggestie wekt dat klaagster regels heeft overtreden ten aanzien van de publieksvoorlichting over geneesmiddelen. Klaagster benadrukt dat het onderzoek van de Inspectie daar op korte termijn duidelijkheid in zal geven. Door op die bevindingen vooruit te lopen, plakt verweerder reeds het etiket ‘schuldig’ op klaagster, zonder daarvoor bewijs te hebben. Daarbij acht klaagster voorts van belang dat in de uitzending niet is vermeld dat Van Nuland nu in dienst is van het Nederlands Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik. Dit instituut heeft de taak om de uitgaven aan geneesmiddelen en vaccins zo laag mogelijk te houden en is een bekende tegenstander van farmaceutische marketing. Dit is voor de kijker relevante informatie die hem wordt onthouden, zo stelt klaagster ter zitting.
Klaagster voelt zich door de werkwijze van verweerder in haar goede naam aangetast. Volgens klaagster heeft verweerder de onafhankelijke journalistiek en de gezondheid van meisjes en vrouwen in Nederland geen goede dienst bewezen.
 
Verweerder stelt dat de gewraakte uitzending met name betrekking had op de vraag of de beslissing over de opname van dat vaccin in het Rijksvaccinatieprogramma wel op objectieve en onafhankelijke wijze tot stand is gekomen. In dat kader is gekeken naar de rol en samenstelling van de adviescommissie van de Gezondheidsraad, die daarover positief adviseerde. Verweerder benadrukt dat de uitzending op eigen initiatief tot stand is gekomen en dus niet, in tegenstelling tot wat klaagster suggereert, in samenspraak met Trouw of de SP. Dat zowel de SP als Trouw ook aandacht besteedde aan opname van het vaccin in het vaccinprogramma, toont volgens verweerder alleen maar aan dat ook anderen bij die opname vraagtekens zetten. In dat verband wijst verweerder op het in het NTvG gepubliceerde commentaar van een aantal epidemiologen en ook op de kritiek die is geuit door het Nederlands Huisartsen Genootschap. Volgens verweerder is de opname van het vaccin een omstreden kwestie en daaraan is in de uitzending op een evenwichtige wijze aandacht besteed.
Verweerder begrijpt niet dat klaagster stelt dat in de uitzending hoofdzakelijk gelijkgestemde critici aan het woord zijn gelaten. Weliswaar hebben drie geïnterviewden in de uitzending twijfels over het vaccin geuit, maar zij vragen zich met name af of de opname van het vaccin in het vaccinatieprogramma niet prematuur gebeurt. Zij ontkennen niet dat het vaccin ook positieve kanten heeft en zijn in die zin kritisch en genuanceerd, aldus verweerder. Bovendien komen ook twee voorstanders uitvoerig aan het woord en wordt aandacht besteed aan twee ouders die een weloverwogen keuze hebben gemaakt om hun dochters te laten vaccineren.
Wat betreft het antwoord van klaagster op de vragen van verweerder voorafgaand aan de uitzending, merkt verweerder op dat dit met name een ‘technische’ reactie bevatte. Daarin deed klaagster de onzekerheden die volgens critici aan het vaccin kleven, af als niet bestaand of niet waarschijnlijk. Dit terwijl die onzekerheden er wel degelijk zijn en ook voorstanders, zoals de commissievoorzitter, zulks naar voren hebben gebracht. In de e-mail aan klaagster zijn alle onzekerheden vermeld die ook de Gezondheidsraad heeft genoemd en is aan klaagster gevraagd waarom het publiek niet van deze onzekerheden op de hoogte wordt gebracht. Nu de reactie van klaagster daar eigenlijk geen antwoord op gaf, zag verweerder geen aanleiding om die reactie in de uitzending te verwerken. Voor een aanvullende reactie vanuit de industrie was geen aanleiding, zo stelt verweerder ter zitting, nu onder meer professor Van der Noordaa ook de kant van de industrie belichtte en begrip toonde voor de marketingstrategie.
Daarnaast merkt verweerder op dat de berichtgeving over het onderzoek van de Inspectie niet onjuist is. Verweerder stelt dat uit betrouwbare bron werd vernomen dat er invallen zouden worden gedaan. Vervolgens is contact opgenomen met de Inspectie en is aan de woordvoerder gevraagd of er inderdaad een inval zou worden gedaan bij onder meer klaagster. De woordvoerder antwoordde vervolgens volmondig “ja” en heeft het gebruik van de term inval niet gecorrigeerd of genuanceerd, zo stelt verweerder. Hoewel mogelijk formeel sprake was van een inspectiebezoek, worden dergelijke bezoeken – die uitdrukkelijk verband houden met het vermoeden van een overtreding – in de praktijk gewoonlijk aangeduid als ‘invallen’, aldus verweerder. In dit kader merkt verweerder voorts nog op dat in de uitzending op geen enkel moment en geen enkele wijze gesuggereerd wordt dat de overtredingen al vast zouden staan. Van stemmingmakerij is volgens verweerder dan ook geen sprake.
Evenmin heeft verweerder de indruk willen wekken dat de website van Van Nuland een website van klaagster was. Volgens verweerder blijkt uit het interview en in het bijzonder de vermelding van de voice-over dat het een actie van Van Nuland zelf was. Het ging er om dat het een persoonlijke actie betrof, die uiteindelijk niets anders was dan een onderdeel van de marketing van klaagster. Dat was de reden om deze website bij wijze van voorbeeld in de uitzending te noemen.
Verweerder betwist verder dat sprake zou zijn van eenzijdige berichtgeving. Aan de kijker worden verschillende meningen en standpunten voorgehouden. Die meningen worden niet als feit gepresenteerd, maar tegenover elkaar geplaatst. Op die wijze krijgt de kijker de ruimte om uiteindelijk zelf een oordeel te vellen over het traject dat aan de opname van het vaccin in het vaccinatieprogramma vooraf ging. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat de redactie bij de research voorafgaand aan de uitzending ook op een groot aantal kanttekeningen en mogelijke bijwerkingen van het vaccin is gestuit. Er is voor gekozen om deze zaken niet in de uitzending te vermelden, omdat het directe verband met het vaccin nog niet is bewezen. Er is derhalve juist onzorgvuldige berichtgeving over het vaccin voorkomen.
Wat de huidige functie van Van Nuland betreft merkt verweerder op dat het in de uitzending voldoende duidelijk wordt dat Van Nuland niet langer voor de farmaceutische industrie werkt en dat zij inmiddels een kritische houding heeft ten aanzien van die industrie. Volgens verweerder maakt deze informatie voldoende duidelijk dat Van Nuland afstand heeft genomen van het werk dat zij voorheen voor die industrie deed en dat zij daar nu moeite mee heeft.
Verweerder concludeert dat de uitzending een evenwichtig beeld geeft van de vraagtekens die kunnen worden geplaatst bij de opname van het vaccin tegen baarmoederhalskanker in het Rijksvaccinatieprogramma.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat de berichtgeving vooringenomen, tendentieus, eenzijdig en onjuist is. Volgens klaagster zouden daarbij personen zijn opgevoerd die zich beschuldigend dan wel suggestief over haar hebben uitgelaten, en die zelf belanghebbende zijn binnen het farmacotherapeutische gezondheidszorgdossier, terwijl van een van die belanghebbenden de huidige werkgever niet is vermeld.
 
Verweerder heeft aangevoerd dat hij heeft beoogd aan de orde te stellen of de opname van het vaccin tegen baarmoederhalskanker in het Rijksvaccinatieprogramma wel op objectieve en onafhankelijke wijze tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de Raad wordt dit voor de kijker ook genoegzaam duidelijk uit het geheel van de reportage. Het stond verweerder vrij om daarbij een kritische benadering te kiezen.
Een journalist en zijn redactie zijn immers vrij in de selectie van nieuws (zie punt 1.2. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek). Het is dan ook aan de redactie om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. Er bestaat geen journalistieke norm die meebrengt dat een (hoofd)redactie bij een publicatie over een bepaald onderwerp (alle) voor- en tegenstanders aan het woord dient te laten. (vgl. onder meer: RvdJ 2008/52)
 
Het voorgaande laat onverlet dat de journalist waarheidsgetrouw behoort te berichten. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. (zie punt 1.1. van de Leidraad van de Raad)
Bovendien dient de journalist in de berichtgeving een duidelijk onderscheid te maken tussen feiten, beweringen en meningen, en behoort hij eenzijdige en tendentieuze berichtgeving te vermijden. (zie punten 1.4. en 1.5. van de Leidraad)
 
De Raad is van oordeel dat in dit geval bovenstaande uitgangspunten voldoende in acht zijn genomen. Anders dan door klaagster gesteld, zijn niet alleen tegen- maar ook voorstanders van (spoedige) opname van het vaccin in het Rijksvaccinatieprogramma aan het woord gelaten. Daarbij is voldoende onderscheid gemaakt tussen (al dan niet wetenschappelijk onderbouwde) feiten en meningen. De visies van de geïnterviewden zijn voor rekening van de betrokkenen gelaten en weliswaar door verweerder geduid, maar niet als feit gepresenteerd. Bovendien is de insteek van alle geïnterviewden, ook die van mevrouw Van Nuland, aan de kijker voldoende duidelijk gemaakt.
 
Ook de marketingstrategieën van de farmaceutische industrie zijn van verschillende kanten belicht. Verweerder heeft kennelijk in het kader van zijn research voorafgaand aan de uitzending navraag gedaan bij klaagster en was vrij om klaagsters reactie te gebruiken op de wijze zoals hij heeft gedaan. Hoewel de farmaceutische industrie niet zelf aan het woord is gelaten, bevat de uitzending genoeg elementen om ook op dit punt evenwichtig te zijn. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat een deel van de door klaagster verstrekte informatie in de uitzending door anderen is verwoord.
 
Hoewel verweerder het vooraf aangekondigde toezichtbezoek door de Inspectie voor de Gezondheidszorg strikt formeel (in juridische zin) ten onrechte als ‘inval’ heeft aangeduid, acht de Raad dit – bezien in de context van de gehele berichtgeving – niet van zodanige aard, dat hij daarmee jegens klaagster journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat de woordvoerder van de Inspectie – blijkens een door verweerder overgelegde e-mail – aan verweerder heeft geschreven dat inspecteurs op deze manier optreden “wanneer het gaat om dit dossier ‘overtreding reclameregels baarmoederhalskankervaccins’”. De Raad deelt het standpunt van verweerder dat ook een dergelijk inspectiebezoek, waarbij informatie en documenten worden gevorderd, in de volksmond vaak een ‘inval’ wordt genoemd.
 
Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat de gewraakte uitzending een voldoende genuanceerd beeld van het vraagstuk geeft en dat de kijker voldoende de ruimte wordt geboden de verschafte informatie te wegen. Er bestaat geen grond voor de conclusie dat verweerder grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Zembla’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 30 januari 2009 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. A.C. Diamand en T.R. Harkema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.
 
Raadslid mw. mr. H.M.A. van Meurs heeft aan de behandeling van en beraadslaging over deze zaak deelgenomen, maar is vóór de schriftelijke vastlegging van de uitspraak als raadslid teruggetreden.