2009/47 onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
de Bond tegen het vloeken
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Nieuw Dier’ (RTL5)
 
Bij brief van 10 juni 2009 heeft T. Bor, directeur, namens de Bond tegen het vloeken te Veenendaal (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘Nieuw Dier’ (hierna: verweerder). Vervolgens heeft klager bij brief van 19 juni 2009 nog een bijlage overgelegd. De secretaris van de Raad heeft partijen bij brief van 22 juni 2009 meegedeeld dat de Raad eerst zal beoordelen of hij bevoegd is over de klacht te oordelen. Verweerder is in de gelegenheid gesteld ten aanzien van de bevoegdheid van de Raad te reageren, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
 
De bevoegdheid van de Raad is beoordeeld ter zitting van de Raad van 17 juli 2009 buiten aanwezigheid van partijen.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de gewraakte uitzendingen via het internet bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 9 januari 2009 is in een uitzending van het televisieprogramma ‘Nieuw Dier’ een sketch getoond, die een parodie bevat op het laatste avondmaal van Jezus. Voorts zijn op 16 januari 2009 in een uitzending van ‘Nieuw Dier’ in een aantal sketches zowel Jezus als God nagespeeld. Delen van deze uitzendingen zijn op 20 februari 2009 in een uitzending van ‘Nieuw Dier’ herhaald.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager stelt dat in de uitzendingen ten onrechte Jezus in een belachelijke of bespottelijke positie wordt geplaatst. Volgens klager fungeerde Jezus in de uitzending als ridicuul voorwerp, hetgeen hij blasfemisch acht. Klager heeft verweerder daar in een brief van 21 januari 2009 op gewezen, waarna een correspondentie met de programmacoördinator volgde. Daarin is echter niet inhoudelijk op de klacht gereageerd, aldus klager.
Hij stelt voorts dat hij de vrijheid van meningsuiting hoog in het vaandel heeft staan, maar dat hij daarbij pleit voor respect en fatsoen. Klager wijst erop dat gelovigen Jezus kennen als de Zoon van God en dat Jezus een hoge plaats inneemt in het leven van gelovigen. Jezus belasteren of belachelijk maken, raakt hen dan ook diep. Volgens klager zijn de gewraakte uitzendingen daarom krenkend voor de geloofsovertuiging van een groot deel van de Nederlandse bevolking. In dat verband wijst klager tevens op de artikelen 137 en 147 van het Wetboek van Strafrecht.
Volgens klager is dan ook sprake van journalistiek onverantwoordelijk gedrag. Zowel inhoudelijk, nu de uitzendingen vergaand blasfemisch zijn en Jezus wordt neergezet als belachelijk voorwerp, als procedureel, nu verweerder verantwoording en discussie over de inhoud van de uitzendingen ontloopt.

BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID
 
Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan: een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep. Ingevolge het tweede lid van artikel 4, aanhef en sub c, voor zover thans van belang, moet onder journalist worden verstaan: “degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van programma's die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard”.
 
De Raad overweegt dat de gewraakte uitzendingen louter althans voornamelijk bestaan uit elementen van niet-journalistieke aard, zoals (pogingen tot) satire en amusement. Deze elementen hebben een zodanige invloed op de uitzendingen dat deze in het geheel als van niet-journalistieke aard moeten worden aangemerkt. Het journalistieke normenstelsel is voor de beoordeling van dergelijke uitzendingen niet bedoeld.
 
Gezien het voorgaande acht de Raad zich niet bevoegd om een inhoudelijk oordeel te geven over de gewraakte uitzendingen. (vgl. onder meer RvdJ 2008/65 en 2006/32)
 
BESLISSING
 
De Raad verklaart zich niet bevoegd om over de gewraakte uitzendingen te oordelen.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Nieuw Dier’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 17 augustus 2009 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. A.C. Diamand, mr. B. Geersing, mw. drs. M.G.N. Mathot en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.