2009/43 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Habitura B.V.
 
tegen
 
J. Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad
 
Bij brief van 15 mei 2009 met zes bijlagen heeft mr. E. Fleskens, statutair directeur en medeaandeelhouder, namens Habitura B.V. te Oirschot (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen J. Dohmen en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (hierna: verweerders). Hierop heeft S. de Jong, adjunct-hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 17 juni 2009 met drie bijlagen. Ten slotte heeft klaagster per e-mail van 24 juni 2009 nog drie bijlagen overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 juni 2009. Namens klaagster is daar voornoemde Fleskens verschenen, die het standpunt van klaagster heeft toegelicht aan de hand van een pleitnota. Aan de zijde van verweerders zijn voornoemde Dohmen en De Jong verschenen.
 
Vanwege de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben partijen desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en de overige leden.
 
Bij e-mail van 23 juni 2009 hebben verweerders een verzoek om wraking van Raadslid drs. P. Olsthoorningediend.
 
BEOORDELING VAN HET VERZOEK OM WRAKING
 
Verweerders hebben het wrakingverzoek als volgt toegelicht. Dohmen en Olsthoorn kennen elkaar té goed. Ze zijn beiden lid van de Vereniging van Onderzoeksjournalisten en drinken daar aan de bar een biertje. Bovendien hebben ze in het recente verleden herhaaldelijk professioneel contact gehad over elkaars werk, waarbij waardeoordelen en verschillen van mening zijn gewisseld. Naar de mening van verweerders kan Olsthoorn zich niet onbelast tegenover Dohmen c.q. NRC Handelsblad opstellen. Verweerders vinden het dan ook principieel onjuist dat Olsthoorn vervolgens als lid van de Raad over het werk van Dohmen oordeelt. Ook voor de klagende partij is dat niet fair.
Daarbij achten verweerders van belang dat Olsthoorn ook wel eens verslag doet van zaken die bij de Raad spelen en daarover publiceert. De vorige keer toen Dohmen bij de Raad moest verschijnen, zat Olsthoorn achter hem als verslaggever en thans zit Olsthoorn voor hem als lid van de Raad. Verweerders vinden dat geen correcte gang van zaken, die rollen zou Olsthoorn uit elkaar moeten houden.
Desgevraagd heeft De Jong hieraan toegevoegd dat hij niet élk informeel contact tussen een lid van de Raad en een aangeklaagde journalist ter discussie wil stellen. Het gaat hier om een collegiale identificatie, waarbij Dohmen en Olsthoorn elkaars werk beoordelen. Het zou goed zijn als binnen de Raad verder wordt nagedacht over de vraag waar de grens ligt voor journalisten om zitting te nemen in de Raad, aldus verweerders.
 
Olsthoorn heeft daarop geantwoord dat hij mediajournalist is. Volgens hem zou slechts sprake zijn van een probleem als zijn relatie met Dohmen onevenwichtig is, maar dat is niet het geval.
In de informele contacten met Dohmen heeft hij diens stukken zowel positief als negatief beoordeeld. In de door verweerders aangevoerde omstandigheden ziet hij onvoldoende aanleiding om zich alsnog te verschonen.
 
Gehoord het verzoek en de respons hebben de niet-gewraakte leden van de Raad zo spoedig mogelijk, te weten: ter zitting, over de wraking beslist conform artikel 7 lid 5 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek.
 
De omstandigheid dat een journalistlid van de Raad informele contacten onderhoudt c.q. heeft onderhouden met een aangeklaagde journalist, is naar het oordeel van de Raad onvoldoende om (schijn van) partijdigheid aan te nemen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de Raad een zelfregulerende instantie is, waarvan derhalve óók journalisten deel uitmaken, terwijl binnen de journalistieke sector iedereen elkaar min of meer kent.
Bijkomende feiten en omstandigheden kunnen echter maken dat de onpartijdigheid van de Raad in het geding komt. Uit hetgeen verweerders en Olsthoorn ter zake hebben aangevoerd, blijkt dat Dohmen en Olsthoorn regelmatig contact hebben, waarbij zij elkaars werk becommentariëren. Hieruit vloeit mogelijkerwijs voort dat Olsthoorn oordelen heeft over de kwaliteiten van Dohmen als onderzoeksjournalist. Een en ander brengt mee dat bij verweerders de indruk kan bestaan dat Olsthoorn thans niet in volledige onpartijdigheid over de onderhavige zaak kan oordelen. Het verzoek om wraking is derhalve toegewezen.
 
De klacht is vervolgens inhoudelijk behandeld door de voorzitter tezamen met de resterende leden.
 
DE FEITEN
 
Op 2 mei 2009 is in NRC Handelsblad een artikel van de hand van Dohmen verschenen onder de kop “Mogelijk fraude met Limburgs vastgoed”. De lead van het artikel luidt:
“Waterleiding Maatschappij Limburg (WML) is mogelijk voor miljoenen euro’s gedupeerd door vastgoedfraude. Tientallen percelen en panden van het bedrijf zouden vorig jaar, na opzettelijk lage taxaties, zijn doorverkocht aan vastgoedbedrijven. In verband hiermee is een rentmeester, in dienst van WML, op non-actief gezet.”
Het artikel is vervolgd onder de kop “Eenentwintig percelen: 115.003 euro – Mogelijke fraude met onroerend goed van Waterleiding Maatschappij Limburg”. De intro van dit vervolgartikel luidt:
“Rentmeester Richard L. verkocht percelen van zijn werkgever voor een habbekrats aan een kennis, die ze met forse winst doorverkocht. ,,Hij kon jarenlang zijn gang gaan.””
In het artikel komt verder de volgende passage voor:
“Een andere transactie betreft de verkoop van 36 hectare bos in Herkenbosch voor 100.000 euro. Voor dat bedrag ging het bos naar een Brabants bedrijf dat natuurgebieden ontwikkelt. Deze onderneming verkocht het bos, in een abc-constructie, dezelfde dag door voor 304.700 euro. Volgens een woordvoerder van het bedrijf is daar ,,niets mis mee”.”
Klaagster is het in deze passage bedoelde bedrijf.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat het optreden van verweerders in strijd is met de journalistieke zorgvuldigheid. Verweerders hebben op woensdag 29 april 2009 omstreeks 16.40 uur – dus eerst drie dagen voor de publicatie van het artikel, waarvan één dag Koninginnedag was – telefonisch contact opgenomen met de heer Raaijmakers.
Raaijmakers heeft tijdens dit gesprek meegedeeld dat het ging om een normale onroerend goed transactie, waarmee niets mis was. Toen Dohmen doorvroeg, heeft Raaijmakers laten weten dat hij geen woordvoerder van klaagster is en dat Dohmen contact met Fleskens moest opnemen. Raaijmakers heeft Fleskens van een en ander in kennis gesteld. Fleskens heeft toen, omdat hij in het buitenland zat en daar niet over het dossier beschikte, aan Raaijmakers gevraagd om Dohmen te laten weten dat hij op maandag 4 mei terug zou zijn en dan alle gelegenheid had om Dohmen te woord te staan. Toen bleek dat verweerders niet wilden wachten en het artikel zouden publiceren op zaterdag 2 mei, heeft Fleskens vervolgens op vrijdag 1 mei 2009 een aantal maal telefonisch contact met Dohmen gehad. In die gesprekken – die bij elkaar wel een uur in beslag hebben genomen – heeft Fleskens allereerst laten weten dat hij het onzorgvuldig vindt dat in een zaak waarbij feiten dermate belangrijk zijn op zo’n korte termijn een interview wordt ‘afgedwongen’.
Daarna heeft Fleskens Dohmen uitvoerig over de kwestie geïnformeerd. In dat verband wijst klaagster erop, dat Dohmen de casus tot in detail kende en over een dossier beschikte waarin alle contracten zaten. Verder heeft Fleskens aangeboden de zaak op een later tijdstip nog eens uitvoeriger te bespreken, waarbij aan verweerders alle relevante informatie zou kunnen worden verschaft. Dohmen heeft laten weten graag op dit aanbod in te willen gaan. Verder heeft hij toegezegd de naam van klaagster noch het door haar gegeven commentaar in het artikel op te nemen, maar alleen de transactie zelf weer te geven.
Klaagster meent dat hoewel haar naam niet is vermeld, door de wijze van omschrijving iedereen in Midden-Limburg weet welk bedrijf wordt bedoeld. Aldus is klaagster, in strijd met de door Dohmen gedane toezegging, alsnog identificeerbaar.
Ten aanzien van de weergave van de transactie merkt klaagster op dat de zinsnede “…de verkoop van 36 hectare bos in Herkenbosch voor 100.000 euro…” onvolledig is. Naast de betaling van dit bedrag moest de koper een verplichting tot sloop van een pompstation op zich nemen, die was begroot op € 225.000,--. Aldus bepaalt het contract dat de investering die met de verwerving door de koper is gemoeid € 325.000,-- bedraagt. Omdat verweerders in de publicatie aan de orde willen stellen dat er transacties zijn verricht waar geen reële tegenprestaties tegenover hebben gestaan, is deze aan de koper opgelegde verplichting elementair voor een evenwichtige verslaggeving. Als deze conditie in de publicatie was vermeld, was duidelijk geweest dat klaagster een marktconforme prestatie had geleverd.
Voorts is in het artikel ten onrechte vermeld dat het perceel bos op dezelfde dag zou zijn doorverkocht. Tussen de acceptatie van het bod van WML door klaagster en het tekenen van het contract tussen klaagster en de uiteindelijke afnemer lag geruime tijd. Op de in het artikel bedoelde dag hebben de juridische leveringen en betalingen plaatsgevonden.
Klaagster stelt verder dat verweerders, door te stellen dat het perceel is doorverkocht voor € 304.700,--, opnieuw de verplichting die bij klaagster achterbleef en op € 225.000,-- werd begroot, buiten beschouwing hebben gelaten. Door dit element weg te laten suggereren verweerders ten onrechte dat klaagster een onevenredig hoge winst zou hebben geboekt, zulks op één dag.
Klaagster betoogt dat verweerders ofwel álle relevante gegevens hadden dienen te vermelden dan wel de transactie in het geheel niet hadden moeten noemen. Door de transactie maar half weer te geven wordt geïnsinueerd dat klaagster betrokken is bij een transactie die niet deugt.
Ten slotte merkt Fleskens ter zitting op dat verweerders zonder medeweten en toestemming van hem en Raaijmakers de telefoongesprekken hebben opgenomen, hetgeen eveneens als zeer onzorgvuldig dient te worden aangemerkt.
 
Verweerders stellen dat een van de transacties van de rentmeester van WML die door WML wordt onderzocht, hetgeen zij uit betrouwbare bron hebben vernomen, de verkoop van 36 hectare bosgrond aan klaagster betreft. Dat feit maakt dat het noemen van de transactie in het artikel relevant is.
Daarbij merken zij op dat, hoewel op verschillende tijdstippen overeenstemming kan zijn bereikt over de transacties, beide transacties – aan- en doorverkoop – op dezelfde dag door middel van een zogenaamd ‘abc-tje’ plaatsvonden. Of die transactie marktconform is geweest, is de vraag, aldus verweerders.
Zij wijzen erop dat het artikel gaat over de verdenkingen tegen de rentmeester. In de publicatie wordt vooral een omvangrijke transactie, waarmee de affaire begon, uitgewerkt. Aan het einde van het artikel wordt gemeld dat er inmiddels meer transacties verdacht zijn. In dat verband worden kort twee voorbeelden, waaronder de transactie met klaagster, weergegeven. Ter zake van de transactie met klaagster hebben verweerders zich tot de vermelding van onbetwiste feiten beperkt. Overige informatie, die een uitvoeriger uitleg nodig zou maken – zoals de verplichting ten aanzien van de sloop van het pompstation – is weggelaten. Uit de hun bekende stukken van het kadaster is overigens gebleken dat de sloopkosten niet € 225.000,--, zoals klaagster stelt, maar € 25.000,-- bedragen.
Voorts merken verweerders op dat een reactietermijn van drie dagen voor de publicatiedatum, ook met inbegrip van Koninginnedag, niet onredelijk is te achten. Op 29 april 2009 heeft Raaijmakers verklaard dat met de transactie niets mis was. Van het ‘afdwingen’ van een interview is geen sprake. Verweerders bieden ter zake aan een bandopname van het gesprek met Raaijmakers te laten horen. Overigens is voor het opnemen van eigen telefoongesprekken geen toestemming nodig. Het is soms handig om te beschikken over een exacte weergave van hetgeen door een geïnterviewde is gezegd, aldus verweerders.
Zij stellen verder dat – juist omdat er veel meer te zeggen viel over de transactie met klaagster – is toegezegd de naam van klaagster niet te vermelden. Echter, bij het anonimiseren van rechtspersonen is het niet ongebruikelijk een omschrijving te geven van de aard van de werkzaamheden van het bedrijf. Dat ingewijden het bedrijf herkennen, is tot op zekere hoogte onvermijdelijk. De meeste lezers zullen echter niet weten om welk bedrijf het gaat. In die zin is van beschadiging van klaagster geen sprake. Bovendien heeft een zorgvuldige afweging plaats gevonden tussen de belangen van klaagster en het maatschappelijke belang dat is gemoeid met de openheid over (mogelijke) fraude met publieke middelen. Dat er mogelijk iets met de transactie aan de hand is, vloeit niet voort uit het artikel, maar uit de omstandigheid dat de transactie onderwerp is van onderzoek.
Ten slotte stellen verweerders dat zij verschillende keren hebben aangeboden verder te spreken. Zij zijn nog steeds bereid tot een nader gesprek met klaagster.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bestaat, samengevat weergegeven, uit de volgende onderdelen:
1.       er is sprake van eenzijdige, tendentieuze berichtgeving, waarbij ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van klaagster zijn geuit, zonder haar voldoende gelegenheid tot wederhoor te bieden;
2.       ondanks de toezegging van verweerders is klaagster in de publicatie identificeerbaar;
3.       verweerders hebben journalistiek onzorgvuldig gehandeld door een of meer telefoon-gesprekken op te nemen zonder medeweten en toestemming van klaagster.
 
Ad 1.
In het artikel is vermeld dat klaagster een perceel bos voor € 100.000,-- heeft aangekocht en op dezelfde dag – via een zogeheten ‘abc-constructie’ – heeft doorverkocht voor € 304.700,--. Klaagster heeft gemotiveerd aangevoerd dat de weergegeven informatie over de transactie waarbij zij is betrokken, onvolledig en daardoor onjuist is. Verweerders hebben daar tegenover gesteld dat er weliswaar ‘over de transactie met klaagster veel meer te zeggen viel’ maar dat het – gezien de context van de passage – niet nodig was meer informatie over de transactie op te nemen. Dit standpunt van verweerders volgt de Raad niet. De gewraakte passage betreft immers niet (alleen) het handelen van de rentmeester van Waterleiding Maatschappij Limburg, waaraan in het artikel uitvoerig aandacht wordt besteed, maar evenzeer het handelen van klaagster. Daarbij wordt de indruk gewekt dat klaagster actief is betrokken bij een transactie die niet deugt. Aldus is sprake van een zodanige diskwalificatie van klaagster dat verweerders deze niet zonder deugdelijke grondslag en behoorlijke toepassing van wederhoor hadden mogen publiceren. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
 
Uit hetgeen partijen ter zake hebben aangevoerd, blijkt dat voorafgaand aan de publicatie herhaaldelijk contact tussen partijen heeft plaatsgevonden. Nadat er kort contact is geweest tussen Raaijmakers en Dohmen, heeft Fleskens namens klaagster Dohmen uitvoerig over de bewuste transactie geïnformeerd. Door ondanks deze informatie de hiervoor bedoelde suggestie te wekken en daarbij de bekende feiten slechts gedeeltelijk weer te geven en voorts slechts de summiere reactie van Raaijmakers op te nemen, hebben verweerders jegens klaagster journalistiek onzorgvuldig gehandeld. Dat verweerders klaagster na de gewraakte publicatie herhaaldelijk hebben aangeboden verder over de kwestie te spreken, kan daaraan niet afdoen. Verweerders hadden ofwel in het artikel van 2 mei 2009 een uitvoeriger reactie van klaagster behoren op te nemen, dan wel daarin terughoudender ten aanzien van het (vermeende) handelen van klaagster dienen te berichten.
 
Verweerders hebben aldus grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond.
 
Ad 2.
Niet ter discussie staat dat Dohmen heeft toegezegd de naam van klaagster niet in het artikel te vermelden. Dit is ook niet gebeurd. Klaagster is in het artikel aangeduid als ‘een Brabants bedrijf dat natuurgebieden ontwikkelt. De naam en de vestigingsplaats van klaagster zijn niet vermeld. De Raad acht het niet aannemelijk dat klaagster in deze omschrijving voor het grote publiek herkenbaar is. Aldus bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerders op dit punt journalistiek ontoelaatbaar jegens klaagster hebben gehandeld. Dat klaagster wellicht door een beperkte groep personen c.q. instellingen uit haar directe omgeving in het artikel is herkend, kan daaraan niet afdoen. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.
 
Ad 3.
In het kader van hun bewijsvoering ten aanzien van de vraag of zij een interview hebben ‘afgedwongen’ hebben verweerders in het verweerschrift aangeboden een bandopname van hun telefoongesprekken met Raaijmakers te overleggen. Naar aanleiding daarvan heeft klaagster vervolgens haar klacht ter zake uitgebreid.
 
De Raad overweegt dat de journalist die een telefoongesprek opneemt teneinde (delen van) die opname uit te zenden of te publiceren, zijn gesprekspartner ervan op de hoogte dient te stellen dat, en met welk doel, hij die opname maakt. De journalist kan van deze norm afwijken als een gewichtig maatschappelijk belang dit rechtvaardigt en hetzelfde doel op geen andere manier bereikt kan worden. (zie punt 2.1.6. en de inleiding van de Leidraad)
 
Verweerders hebben ter zake gesteld dat zij geen toestemming van een gesprekspartner nodig hebben voor het opnemen van een gesprek. Volgens hen is het soms handig om over een exacte weergave te beschikken van hetgeen door een geïnterviewde is gezegd. De Raad heeft begrip voor dit standpunt, maar zulks laat echter onverlet dat verweerders Raaijmakers hadden moeten informeren over het feit dat de telefoongesprekken met hem werden opgenomen.
Door dat na te laten hebben verweerders gehandeld in strijd met de hiervoor geformuleerde norm. Gesteld noch gebleken is van een maatschappelijk belang dat de handelwijze van verweerders zou kunnen rechtvaardigen. Ook dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op de eenzijdige en tendentieuze berichtgeving en het opnemen van telefoongesprekken. Voor zover de klacht betrekking heeft op de identificeerbaarheid van klaagster is deze ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 31 juli 2009 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. A.C. Diamand en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.