2009/40 ongegrond onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Das je goed recht’ (SBS6)
 
Bij brief van 2 april 2009 heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘Das je goed recht’ (hierna: verweerder). Hierop heeft mw. mr. H.H.J. Verhagen, senior bedrijfsjurist SBS Broadcasting B.V., geantwoord in een brief van 28 april 2009 met zestien bijlagen. Ten slotte heeft klager ter zitting nog zes bijlagen overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 juni 2009. Klager is daar verschenen, vergezeld door W. van Veen. Namens verweerder zijn voornoemde Verhagen, G. Heeneman, bedrijfsjurist Endemol, J. van den Heuvel, presentator, en mw. H. Vos, producent, verschenen, vergezeld door W. de Vries en zijn echtgenote.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een dvd-opname van de gewraakte uitzendingen bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 18 januari 2009 en 1 februari 2009 heeft SBS6 afleveringen van het door Endemol geproduceerde televisieprogramma ‘Das je goed recht’ uitgezonden (hierna: de uitzendingen). Daarin is onder meer aandacht besteed aan een klacht van de familie De Vries over de werkwijze van klager, betreffende het bouwen van een uitbouw aan het huis van de familie. Klager is in de uitzendingen geconfronteerd met de bezwaren van de familie De Vries. In de uitzending van 1 februari 2009 zijn bovendien andere personen aan het woord gelaten, die problemen met klager zouden hebben ondervonden.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat diverse malen beelden van hem zijn uitgezonden zonder dat daarvoor zijn toestemming is gevraagd en dat hij ten onrechte als oplichter is neergezet.
Hij is aannemer van beroep en is begin november 2008 op een zaterdagmiddag naar een afspraak gegaan om een klus op te nemen. Deze afspraak bleek in scène te zijn gezet door verweerder. Klager heeft presentator Van den Heuvel op dat moment te woord gestaan over een klus die hij in 2006 heeft uitgevoerd. De week daarop is klager telefonisch benaderd door verweerder. In dat gesprek werd hem meegedeeld dat er een mooie reportage over hem zou worden gemaakt, als hij een financiële compensatie zou betalen aan de volgens verweerder gedupeerde klanten. Hierop heeft hij geantwoord dat hij niet zou betalen, omdat dat volgens hem niet aan de orde was. Verder heeft klager laten weten dat hij zelf geen vragen meer zou beantwoorden en heeft hij verweerder verwezen naar zijn advocaat.
Daarna heeft zijn advocaat zowel verweerder als de familie De Vries correct te woord gestaan en alle gestelde vragen beantwoord. Klager dacht dat daarmee de kwestie was afgedaan, maar tot zijn grote verbazing is daaraan toch aandacht besteed in de uitzending van 18 januari 2009. Deze uitzending bevat een aantal onwaarheden en bovendien is geknipt in zijn gesprekken met Van den Heuvel, aldus klager. In overleg met zijn advocaat heeft hij besloten om in eerste instantie geen stappen te ondernemen.
Vervolgens is klager benaderd door een zekere Ruben de Bruin die een offerte vroeg voor een badkamer en met wie hij voor 27 januari 2009 een afspraak heeft gemaakt. De desbetreffende woning bleek echter te koop te staan en vanwege een slecht voorgevoel is klager dan ook niet op de afspraak verschenen. Dezelfde dag was klager 's middags in het dorp om een pakketje op te halen, toen hij ‘toevallig’ Van den Heuvel met een filmploeg en de familie De Vries tegenkwam. Volgens klager heeft Van den Heuvel toen het portier van zijn auto opengetrokken, hem aan zijn arm getrokken en verteld dat hij uit zijn auto moest komen om te praten. Klager is uit zijn auto gestapt, waarna een schermutseling tussen hem en Van den Heuvel is ontstaan. Hiervan heeft hij aangifte gedaan bij de politie.
Klager stelt verder dat de uitzendingen diverse feitelijke onjuistheden bevatten. Zo wordt in de eerste uitzending gesproken over een baby van de familie De Vries van zes weken en in de tweede uitzending over een baby van zes maanden. Verder gaat het in de eerste uitzending nog over de aanbouw van het huis, terwijl in de tweede uitzending ten onrechte wordt meegedeeld dat de familie niet zou kunnen douchen omdat de badkamer niet klaar is.
In de tweede uitzending is bovendien zijn buurvrouw aan het woord gelaten. Haar verhaal dat zij nog geld van hem krijgt en dat hij de verbouwing van zijn huis met haar geld heeft betaald, kan klager met documenten weerleggen. Verder wijst klager erop dat zijn ex-werknemer, die eveneens is geïnterviewd, slechts kort voor hem heeft gewerkt en hem waarschijnlijk wegens wraakgevoelens heeft willen zwartmaken. Voorts is de bewering van een leasemaatschappij onjuist, dat deze klager niet meer zou kunnen vinden. Hij ontvangt van dat bedrijf namelijk nog steeds facturen.
Ten slotte merkt klager op dat de uitzendingen een behoorlijke impact hebben, vooral op zijn kinderen. Ter zitting wijst klager er in dat verband nog op dat hij ter zake beschikt over een brief van de school van zijn zoon.
Desgevraagd deelt klager ter zitting nog mee dat zijn eerste twee besloten vennootschappen beide ongeveer een jaar op elkaar volgend hebben bestaan en dat op zijn eigen verzoek faillissementen van die vennootschappen zijn uitgesproken. In elke besloten vennootschap werden 4 of 5 klussen uitgevoerd. Klager heeft nu een eenmanszaak.
 
Verweerder stelt voorop dat het televisieprogramma ‘Das je goed recht’ erop is gericht misstanden in de samenleving aan de kaak te stellen aan de hand van specifieke zaken die vanuit een juridisch perspectief worden belicht. In de onderhavige uitzendingen wordt aandacht besteed aan problemen die zich kunnen voordoen met aannemers, specifiek als het werk vooruit wordt betaald en vervolgens niet (volledig) wordt uitgevoerd.
Verder stelt verweerder dat de aanleiding van de uitzending van 18 januari 2009 lag in de omstandigheid dat de redactie verschillende klachten over laakbaar handelen van klager had ontvangen, waarbij de ernst van de klacht van de familie De Vries in het oog sprong. Na de eerste uitzending zijn bij de redactie zeer veel reacties binnengekomen van anderen, die door klager zijn gedupeerd. Daarom is besloten een tweede item over het handelen van klager uit te zenden. Daarbij was bovendien van belang dat klager, ondanks de toezeggingen die hij in de eerste uitzending had gedaan, de familie De Vries nog steeds niet tegemoet was gekomen.
In het kader van de belangenafweging merkt verweerder op dat het in de onderhavige zaak gaat om een ernstige misstand, te weten oplichting. De vaststelling van die misstand wordt ondersteund door de feiten, die door klager niet zijn ontkend, en verklaringen van diverse getuigen. In dit geval dient de uitingsvrijheid van de pers te prevaleren boven de privacy van klager. Bovendien is de privacy van klager voldoende beschermd; de naam van klager is niet vermeld en zijn gelaat is onherkenbaar gemaakt.
Voorts wijst verweerder erop dat Van den Heuvel zich bij het eerste contact met klager heeft voorgesteld en kenbaar heeft gemaakt voor welk programma hij werkt. Het onverwacht confronteren, zoals op 27 januari 2009 met klager heeft plaatsgevonden, dient wel als uiterst middel te worden gezien en daarvan moet dan ook terughoudend gebruik worden gemaakt. Overigens betwist Van den Heuvel de gang van zaken zoals door klager geschetst. Voor zover hij zich kan herinneren heeft hij op het raam van klagers auto geklopt en heeft klager zelf de deur geopend.
Verweerder stelt ten slotte dat de gebruikte bronnen duidelijk zijn, dat een aantal ontvangen klachten over klager door de redactie verder is onderzocht en dat in de tweede uitzending diverse gedupeerden verklaringen hebben afgelegd. Voorts is klager ter zake van beide uitzendingen in de gelegenheid gesteld om zijn kant van het verhaal te vertellen, zodat wederhoor is toegepast. Van onzorgvuldige journalistiek is dan ook geen sprake, aldus verweerder.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bestaat, samengevat weergegeven, uit de volgende onderdelen:
1.      in de uitzendingen zijn ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van klager geuit, terwijl klager onvoldoende gelegenheid tot wederhoor is geboden;
2.      de privacy van klager is ongerechtvaardigd aangetast.
 
Ad 1.
De Raad stelt voorop dat een journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. De journalist behoeft geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 
In de uitzendingen is aandacht besteed aan de handelwijze van klager als aannemer. Daarbij is aan de orde gesteld dat klager werk vooruit laat betalen, maar dat werk vervolgens niet (volledig) uitvoert. In dat verband overweegt de Raad dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de mogelijke betrokkenheid van klager bij onbehoorlijke praktijken. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
 
Het voorgaande neemt niet weg dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan. Bij het publiceren van beschuldigingen dient hij te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen.

De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
 
Verweerder heeft gemotiveerd aangevoerd dat hij gebruik heeft gemaakt van diverse bronnen en – hoofdzakelijk naar aanleiding van een klacht van de familie De Vries – eigen onderzoek heeft verricht. Aldus is aannemelijk geworden dat voor de berichtgeving voldoende grondslag bestond. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat hetgeen klager ter zitting heeft verklaard ten aanzien van zijn besloten vennootschappen, het in de uitzending geschetste beeld van klagers handelwijze bevestigt. Ook overigens is niet gebleken dat de berichtgeving zodanige feitelijke onjuistheden bevat, dat verweerder met de publicatie daarvan jegens klager journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. 
 
Voorts is klager voorafgaand aan beide uitzendingen geconfronteerd met de door verweerder verkregen informatie. De reactie van klager is ook in de uitzending verwerkt. Aldus bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende wederhoor bij klager heeft toegepast.
In dat verband overweegt de Raad nog dat het op straat onvoorbereid met draaiende camera aan een betrokkene vragen om een reactie, in beginsel – vanwege het intimiderende karakter ervan – niet kan worden aangemerkt als een serieuze manier tot het bieden van een gelegenheid tot wederhoor (vgl. RvdJ 2008/46). Verweerder heeft dan ook terecht opgemerkt dat deze werkwijze terughoudend moet worden toegepast.
Uit hetgeen partijen hebben aangevoerd blijkt echter genoegzaam dat aan klager ook nog op een andere, aanvaardbare wijze om een reactie is gevraagd. Zo heeft verweerder voorafgaand aan de eerste uitzending ook telefonisch contact met klager gehad en bovendien met de advocaat van klager gesproken.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de Raad derhalve van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval op dit punt niet journalistiek ontoelaatbaar heeft gehandeld.
 
Overigens verschillen partijen van mening over de vraag hoe de feitelijke gang van zaken is geweest tijdens de confrontatie op 27 januari 2009. Aangezien geen materiaal voorhanden is op grond waarvan de Raad kan vaststellen welk standpunt juist is, onthoudt hij zich van een verder oordeel ter zake.
 
Ad 2.
Klager is in de berichtgeving niet herkenbaar in beeld gebracht. Bovendien heeft verweerder geen persoonlijke gegevens van klager vermeld. De Raad acht het dan ook niet aannemelijk dat klager in de uitzendingen voor het grote publiek herkenbaar is.
Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 1. is overwogen ten aanzien van de maatschappelijke relevantie van de uitzending, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder het belang van klager bij de bescherming van zijn privacy onvoldoende heeft afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend.
Aldus kan niet worden geconcludeerd dat klagers privacy door de uitzending disproportioneel is geschaad. Dat klager wellicht door een beperkte groep uit zijn directe omgeving in de uitzending is herkend, kan daaraan niet afdoen. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad en vgl. RvdJ 2009/25)

BESLISSING
 
De klacht is ongegrond voor zover deze betrekking heeft op het uitzenden van ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van klager, zonder voldoende toepassing van wederhoor, en het schenden van klagers privacy. Voor het overige onthoudt de Raad zich van een oordeel.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Das je goed recht’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 31 juli 2009 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mw. A.C. Diamand, mr. T.E. Klein, drs. P. Olsthoorn en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.