2009/4 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
Peter R. de Vries, SBS6 en Endemol producties
 
Bij brief van 10 november 2008 met twee bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen Peter R. de Vries, SBS6 en Endemol producties (hierna: verweerders). Daarbij heeft klager verzocht om versnelde behandeling. Gelet op artikel 2 lid 3 van het Reglement voor de werkwijze van de Raad, heeft de voorzitter van de Raad dit verzoek toegewezen. Vervolgens heeft mw. mr. J.A. Schaap, advocaat te Amsterdam, namens verweerders op de klacht geantwoord in een brief van 21 november 2008 met als bijlage een dvd-opname van het gewraakte fragment.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 november 2008. Klager is daar verschenen en heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerders zijn ter zitting vertegenwoordigd door mr. Schaap.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad de dvd-opname van het gewraakte fragment bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 9 november 2008 heeft SBS6 een aflevering van het televisieprogramma ‘Peter R. de Vries, misdaadverslaggever’ uitgezonden (hierna: de uitzending). In de uitzending wordt aandacht besteed aan de verdwijning van Natalee Holloway op Aruba, waarbij onder meer de werkwijze van het Openbaar Ministerie te Aruba in die zaak aan de orde wordt gesteld.
Op een zeker moment komt daarbij Peter R. de Vries in beeld die het volgende vermeldt:
“Wie heeft Joran die nacht geholpen? Wij kregen enkele zeer interessante en concrete tips en speelden die direct door aan de Arubaanse politie.”
Gedurende zes seconden wordt hierbij op de achtergrond een fragment getoond van een politiewagen, een passerende vrouw en klager.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij ten onrechte ongewild en ongevraagd te zien is in de gewraakte uitzending, waardoor hij in zijn persoonlijke belangen is geschaad. Klager wenst niet met zulke programma’s geassocieerd te worden en heeft dan ook na de uitzending per e-mail aan verweerders verzocht het fragment uit de uitzending te schrappen. Vervolgens is er telefonisch contact geweest met verweerders, waarbij hem duidelijk werd gemaakt dat zij niet van plan waren iets aan de uitzending te veranderen. Klager wijst erop dat de uitzending herhaald zou worden en ook te zien was via de website van SBS6. Voorts valt niet uit te sluiten dat de uitzending aan andere media wordt verkocht en ook in andere landen te zien zal zijn. Volgens klager is hij herkenbaar en voldoende lang in beeld. Bovendien, zo heeft klager ter zitting naar voren gebracht, is er geen garantie dat in de toekomst de beelden niet zullen worden verscherpt, waardoor hij nog duidelijker in beeld komt.
In dit kader acht klager van belang dat hij afkomstig is uit Aruba en zich daar mogelijk binnenkort als jurist wil vestigen. Gelet op de kleinschalige samenleving in Aruba en het onderwerp van de uitzending, dat in Aruba een grote impact heeft gehad, maakt klager zich zorgen over de publieke opinie in Aruba en het effect daarvan op zijn vestigings- en carrièremogelijkheden. Daarbij wijst klager er onder meer op dat hij nu al herkend is door collega’s en dat op de werkvloer verschillende grapjes worden gemaakt over zijn eventuele betrokkenheid bij de verdwijning van Natalee Holloway.
Tevens acht klager de tekst van belang die door Peter R. de Vries is uitgesproken op het moment dat hij herkenbaar in beeld is. Klager betwijfelt de stelling van verweerders dat ter zake geen verband bestaat, aangezien het monteren van een documentaire of film een doordacht proces is. Verweerders hebben gekozen voor het fragment waarbij hij te zien was met papieren in zijn hand naast een politieauto. Volgens klager is deze keuze niet gemaakt omdat hij een toevallige passant is, maar heeft men gezocht naar overeenkomsten in beeldtaal of beweging, hetgeen in de filmhandboeken wel associatieve montage wordt genoemd. Verweerders hadden ook voor een ander fragment kunnen kiezen of betaalde figuranten in kunnen zetten, aldus klager. Door toch ongevraagd gebruik te maken van beelden waarop hij herkenbaar in beeld is, hebben verweerders volgens klager zijn eer onevenredig aangetast en bovendien zijn portretrecht geschonden. Het filmen van een straatbeeld met opgehangen camera’s mag volgens klager alleen in het geval dat dat duidelijk is aangekondigd. Volgens klager is evenwel niet aan hem gecommuniceerd of het heimelijk filmen met of zonder opgehangen camera is verricht. Klager wil zich dan ook verzetten tegen verdere publicatie van zijn portret.
 
Verweerders stellen dat er geen sprake is van schending van het portretrecht. Daarbij wijzen zij op artikel 21 van de Auteurswet, waarin is gesteld dat de geportretteerde zich kan verzetten tegen openbaarmaking van zijn portret indien een redelijk belang van de geportretteerde zich tegen die openbaarmaking verzet. Uit jurisprudentie blijkt dat per geval een belangenafweging moet plaatsvinden. Verweerders brengen naar voren dat de beelden zijn gemaakt op een openbare weg en, in tegenstelling tot hetgeen klager beweert, niet met gebruikmaking van een opgehangen camera. Het staat een journalist vrij om beelden te maken van de openbare weg. Klager is voorts zodanig kort in beeld en bovendien niet erg scherp, dat het zeer twijfelachtig is of hij herkenbaar is. Bovendien is klager niet in een compromitterende of op anderszins privacy schendende wijze in beeld gebracht. Volgens verweerders is het voor de kijker evident dat de personen in het fragment toevallige voorbijgangers zijn. In dit kader bestrijden verweerders voorts dat er een verband bestaat tussen de door Peter R. de Vries uitgesproken tekst en de afbeelding van klager. Ter zitting is naar voren gebracht dat het fragment één van de vele straatbeelden is uit het archief. Het gaat slechts om het beeld van een straat met auto’s en voorbijgangers, waarbij op geen enkele wijze de voorbijgangers voor schut worden gezet of belachelijk worden gemaakt. Volgens verweerders heeft klager dan ook geen redelijk belang bij het verzet tegen openbaarmaking van de beelden.
Verweerders brengen verder naar voren dat als klager al herkenbaar zou zijn en als hij al een redelijk belang zou hebben – quod non – dan nog steeds een belangenafweging in het voordeel van het belang van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid dient uit te vallen. Volgens verweerders ligt het bij een uitzending als de onderhavige voor de hand dat beelden worden getoond van het politiebureau of het Ministerie van Justitie op Aruba. Het is daarbij onmogelijk om opnamen te maken van normale straatbeelden zonder voorbijgangers, aldus verweerders. Voorts zou het ondoenlijk zijn voor de journalistiek om bij elk straatbeeld de voorbijgangers onherkenbaar te maken, aldus verweerders.
Zij concluderen dat het gebruikte fragment geen inbreuk maakt op de privacy van klager en dat klager geen redelijk belang heeft bij verzet tegen de openbaarmaking van de beelden.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat klager, door hem herkenbaar in beeld te brengen, onevenredig in zijn privacy is aangetast.
 
De Raad stelt voorop dat een journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijke belang van de publicatie (zie punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek).
 
In de gewraakte uitzending, die in totaal twee uur duurt, is klager gedurende zes seconden in beeld. Deze beelden zijn niet geheel scherp en vertonen een straatbeeld met daarop een passerende vrouw, een politieauto en daarachter een manspersoon (klager). De beelden worden vertoond als achtergrond bij een inleiding door Peter R. de Vries van een onderdeel van de reportage. Daarbij is Peter R. de Vries prominent in beeld, en aan de zijkant daarvan zijn de – onscherpe – straatbeelden gemonteerd waarop onder andere klager voorkomt. De Raad acht het niet aannemelijk dat klager, door de wijze waarop hij in beeld is gebracht, voor het grote publiek herkenbaar is. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat klagers privacy door de publicatie van het gewraakte fragment disproportioneel is geschaad.
 
Dat klager wellicht door een beperkte groep uit zijn directe omgeving in het gewraakte fragment is herkend, kan aan het voorgaande niet afdoen. Bovendien is genoegzaam duidelijk dat de keuze van verweerders voor dit fragment met name verband houdt met de politieauto in combinatie met een straatbeeld, waarbij de getoonde personen moeten worden gezien als toevallige passanten. De Raad acht het dan ook niet aannemelijk dat klager in zijn privé- of professionele leven door de uitzending wordt gehinderd.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders jegens klager niet journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld, door klager in beeld te brengen zoals zij hebben gedaan.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Peter R. de Vries, misdaadverslaggever’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op hun website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 23 januari 2009 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. A.C. Diamand en T.R. Harkema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.
 
Raadslid mw. mr. H.M.A. van Meurs heeft aan de behandeling van en beraadslaging over deze zaak deelgenomen, maar is vóór de schriftelijke vastlegging van de uitspraak als raadslid teruggetreden.