2009/36 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
E. Brouwer en de hoofdredacteur van De Gooi- en Eemlander
 
Bij brief van 31 maart 2009 met een bijlage heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen E. Brouwer en de hoofdredacteur van De Gooi- en Eemlander (hierna: verweerders). Vervolgens heeft klager zijn klacht nader toegelicht in een schrijven van 9 april 2009. Verweerders hebben op de klacht geantwoord in een ongedateerde brief, door de Raad ontvangen op 20 mei 2009.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 29 mei 2009. Klager is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Namens verweerders zijn P. Schat, redactiechef, en E. Brouwer, ombudsman van De Gooi- en Eemlander, verschenen. Klager heeft zijn klacht toegelicht aan de hand van een pleitnota.
 
DE FEITEN
 
Op 30 maart 2009 is in De Gooi- en Eemlander in de rubriek 'De Ombudsman' een artikel verschenen onder de kop “Misbruik van ombudsman”. Het artikel heeft als intro:
“X hekelt het beleid van ING die hem vanwege een te laag inkomen een betaalrekening weigert plus de oranje stormparaplu. Aan onze hulp houden we geen goed gevoel over.”
Het artikel luidt verder:
“De Hilversummer memoreert dat ING miljarden laat verdampen maar ondertussen kleine consumenten zoals hij de deur wijst als ze een Betaal-Pakket willen waarop maandelijks niet minstens duizend euro wordt gestort. Alleen dan krijg je het welkomstcadeau, een sterke ING-oranje stormparaplu ter waarde van € 49,95. X vist met een inkomen dat een stuk onder die grens blijft achter het net. ,,Wij mogen geen betaalpakket en mij wordt een parapluutje door de neus geboord.” We vragen ING of er uitzonderingen op de instapeis mogelijk zijn. Daar wordt door de bank welwillend op gereageerd, al vinden ze actievoorwaarden verdedigbaar: 'voor een studentenrekening moet je ook student zijn'. De bank belt X en biedt aan voor hem een uitzondering te maken op de actievoorwaarde. Ze beloven hem alvast dat hij z'n felbegeerde paraplu krijgt toegestuurd. Maar als die prooi binnen is, besluit X om helemaal geen betaalrekening te openen. Hem ging het alleen om die gratis paraplu. Als de plu niet meteen was aangeboden, ja, dan zou hij wel een rekening hebben geopend. Om hem na een jaar op te heffen. Wij vinden zijn reactie bedenkelijk en laten hem dat ook weten. Nu heeft X via de krant de bank een paraplu van bijna vijftig euro afgetroggeld waarop hij helemaal geen recht heeft. Hem ging het alleen om die paraplu omdat die in zijn favoriete kleur oranje is, verweert hij zich. Enfin, hij heeft ermee bereikt dat hij bij ons nooit meer hoeft aan te kloppen. Dag meneer X.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij De Gooi- en Eemlander een advertentie heeft aangeboden, waarin hij zijn onvrede uitte over het beleid dat de ING hanteert ten aanzien van de inkomenseis voor het openen van een Betaal-Pakket. In diezelfde advertentie had klager gevraagd of iemand hem tegen betaling een oranje paraplu kon bezorgen. De advertentie is echter niet geplaatst omdat die te negatief over de ING zou zijn. Uitsluitend omdat de advertentie is geweigerd, heeft klager de ombudsman van De Gooi- en Eemlander aangeschreven. Het is nooit zijn bedoeling geweest een rekening te openen dan wel een gratis paraplu te verkrijgen, al dan niet door tussenkomst van verweerders. Volgens klager hebben verweerders, nadat hij de ombudsman had geattendeerd op de weigering van de advertentie, op eigen initiatief contact opgenomen met de ING. De ING heeft naar aanleiding daarvan aan klager laten weten dat de voorwaarden voor het openen van een rekening versoepeld zouden worden, en hem in ieder geval de paraplu toegezegd. Eerst toen verweerders hem vroegen of hij de rekening zou openen, heeft klager laten weten dat hij eigenlijk geen rekening nodig had, en dat hij die voor de vorm wel zou kunnen openen, maar na een jaar toch weer zou opzeggen. Verweerders waren hierover ontstemd. Zij hebben het gewraakte artikel opgesteld en hebben het concept hiervan naar klager gestuurd. Ondanks het verzoek van de echtgenote van klager om geen namen te noemen, zijn zij daarna tot publicatie van het artikel overgegaan.
Klager betoogt dat het artikel niet waarheidsgetrouw is, nu de actie van de ombudsman om contact op te nemen met de ING om de paraplu te verkrijgen het initiatief van verweerders is geweest, en niet dat van klager. Het was hem primair te doen om de advertentie geplaatst te krijgen en hij heeft nooit de rol van slachtoffer willen spelen. Verder heeft het artikel geen nieuwswaarde, maar is het rancuneus en tast het louter de goede naam van klager aan. Hij wijst in dit kader nog op een artikel onder de kop “Publieke oren wassen” dat in De Gooi- en Eemlander van 14 april 2009 is gepubliceerd en waarin opnieuw klager in een negatief daglicht is gesteld.
Volgens klager is verder zijn privacy aangetast doordat, ondanks het verzoek tot anonimisering, zijn volledige naam is vermeld. Volgens klager worden de publicaties die in de rubriek ‘De Ombudsman’ verschijnen normaliter geanonimiseerd. Ter zitting heeft klagers echtgenote desgevraagd meegedeeld dat zij en haar man in hun omgeving op het artikel zijn aangesproken en dat zij dat als vervelend hebben ervaren.
Klager stelt voorts dat een citaat van hem is opgenomen, dat afkomstig is uit een vertrouwelijk e-mailbericht van hem aan verweerders. Ter zitting heeft klager in dit kader betoogd dat hij altijd erg openhartig is geweest naar verweerders en de communicatie met hen als persoonlijk beschouwde. Zijn berichten aan verweerders waren derhalve niet bedoeld voor publicatie.
Tot slot stelt klager dat verweerders, toen zij het artikel vooraf ter inzage aanboden, hadden moeten meedelen dat er ook feitelijke onjuistheden konden worden gecorrigeerd.
 
Verweerders stellen dat de door klager aangekaarte kwestie over het beleid van de ING interessant was om te publiceren, nu daaruit bleek dat grote instanties als de ING ook oog hebben voor een individuele klant. Verder stellen verweerders dat het in dergelijke gevallen gebruikelijk is om eerst de betrokken instantie commentaar te vragen. Nadat verweerders met de ING contact hadden opgenomen en de ING had laten weten dat zij klager tegemoet zou komen, hebben verweerders dit aan klager meegedeeld. Klager heeft verweerders vervolgens per e-mail laten weten blij te zijn met het initiatief van verweerders. Hij heeft toen niet meegedeeld dat het niet de bedoeling was dat verweerders op eigen initiatief zich voor hem zouden inzetten om een rekening geopend te krijgen en de paraplu te verkrijgen, noch dat verdere acties uit zijn naam moesten worden stopgezet. Nadat bleek dat het klager enkel om de paraplu was gegaan en dat hij de rekening nooit had gewild, hebben verweerders vervolgens het artikel opgesteld. Zij meenden dat het onfatsoenlijk van klager was om de ING – door middel van de advertentie – publiekelijk aan de schandpaal te nagelen, terwijl hij zelf een paraplu wilde verkrijgen waar hij geen recht op had, omdat hij niet aan de voorwaarden voldeed c.q. wilde voldoen.
Volgens verweerders komen door acties als die van klager, de goede contacten die de ombudsman onderhoudt met bedrijven en instanties, alsmede zijn geloofwaardigheid en betrouwbaarheid in gevaar. De ombudsman achtte het nuttig lezers hierop te wijzen in het artikel. Van rancune is geen sprake.
Verweerders stellen verder dat zij het concept hebben toegestuurd aan klager. Omdat de echtgenote van klager nooit partij is geweest in het geschil, hebben zij geen acht geslagen op haar verzoek de publicatie te anonimiseren. Hoewel verweerders voorafgaand aan publicatie nog een e-mail hadden ontvangen van klager zelf, waarin hij uitlegde dat er miscommunicatie over zijn bedoelingen was ontstaan en dat hij niet de hulp van de ombudsman had ingeroepen om de paraplu te krijgen, zijn zij toch tot publicatie overgegaan. Verder menen zij dat het artikel niet nodeloos kwetsend of grievend is. Het geeft louter aan dat de ombudsman zich niet voor bedenkelijke acties wil inzetten.
Ten aanzien van de vertrouwelijkheid van de e-mails van klager, menen verweerders dat klager nooit heeft duidelijk gemaakt dat zijn berichten als zodanig dienden te worden behandeld. Verder hebben verweerders erop gewezen dat op de webpagina van De Gooi- en Eemlander uitdrukkelijk wordt vermeld dat hulpvragers in de regel met hun naam in de krant komen. In dat verband hebben verweerders ter zitting benadrukt dat klager in het verleden herhaaldelijk met hen heeft gecommuniceerd over andere kwesties. Klager heeft nooit eerder bezwaar gemaakt tegen publicaties waarbij zijn naam werd vermeld. Dat er thans een artikel is gepubliceerd waarin een min of meer negatief beeld van klager wordt geschetst, behoeft volgens verweerders geen reden te zijn om nu te anonimiseren. Door de aanbieding van zijn advertentie heeft klager zelf contact gezocht. Hij is geen slachtoffer dat beschermd moet worden, aldus verweerders.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht van klager bestaat uit de volgende onderdelen:
  1. het artikel is niet waarheidsgetrouw en eenzijdig;
  2. klagers naam is ten onrechte vermeld, waardoor hij onnodig is beschadigd;
  3. verweerders hebben misbruik gemaakt van vertrouwelijke informatie.
 
Ad 1.
Klager heeft gesteld dat ten onrechte niet is vermeld dat verweerders uit eigen beweging contact met de ING hebben opgenomen en dat klager de ombudsman louter had aangeschreven om zijn advertentie gepubliceerd te krijgen. Daardoor is een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, aldus klager.
 

De Raad kan zich voorstellen dat de publicatie klager niet welgevallig is, maar deelt het standpunt van klager niet. Klager heeft niet bestreden dat hij in zijn klacht die hij aan de ombudsman heeft voorgelegd – naast zijn bezwaar dat zijn advertentie ondanks acceptatie niet werd geplaatst – ook uitvoerig is ingegaan op het beleid van de ING en het feit dat hem een paraplu werd onthouden. Onder deze omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat sprake zou zijn van zodanig onjuiste en eenzijdige berichtgeving, dat verweerders daarmee jegens klager journalistiek onzorgvuldig zouden hebben gehandeld. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond.
 
Ad 2.
Verweerders hebben onbetwist gesteld dat klager in het verleden vaker met zijn naam in de krant is verschenen, naar aanleiding van door hem aan de orde gestelde kwesties. Ook in het onderhavige geval heeft klager zelf het initiatief genomen om de ombudsman aan te schrijven over onder meer het beleid van de ING. Aldus heeft klager zelf het risico aanvaard dat zijn naam opnieuw in de krant zou worden vermeld. Voorts hebben verweerders aannemelijk gemaakt dat het – ten behoeve van de volledigheid van de berichtgeving – gebruikelijk is dat in de rubriek ‘De Ombudsman’ de namen van betrokkenen worden vermeld, en dat klager met dat beleid bekend kon zijn. Hoewel het verweerders zou hebben gesierd als zij acht hadden geslagen op het verzoek van klagers echtgenote tot anonimisering van de publicatie, bestaat geen grond voor het oordeel dat zij journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld door dat niet te doen. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat klager weliswaar ter zitting heeft verklaard dat het ‘vervelend’ is om op de publicatie te worden aangesproken, maar dat niet is gebleken dat klagers belangen daardoor in een ernstige mate zijn aangetast. Ook dit onderdeel van de klacht slaagt daarom niet. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad)
 
Ad 3.
Voor zover klager heeft betoogd dat zijn communicatie met verweerders als vertrouwelijk moest worden beschouwd, overweegt de Raad dat niet gebleken is dat klager dit uitdrukkelijk of impliciet in zijn correspondentie met verweerders heeft duidelijk gemaakt. Voorts hebben verweerders onbetwist gesteld – zoals ook hiervoor ad 2. is vermeld – dat klager in het verleden met hen heeft gecorrespondeerd over andere kwesties en nimmer bezwaar heeft gemaakt tegen publicatie daarover. Dit onderdeel van de klacht is evenzeer ongegrond.
 
Conclusie
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Ten overvloede merkt de Raad op dat de door klager ter zitting overgelegde publicatie van 14 april 2009 geen onderdeel heeft uitgemaakt van de klacht, zodat de Raad niet toekomt aan de vraag of verweerders in die publicatie al dan niet journalistiek zorgvuldig over klager hebben bericht.
 

BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 7 juli 2009 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter,
prof. dr. M.J. Broersma, mw. drs. J.X. Nabibaks, drs.
P. Olsthoorn en mw. E.H.C. Salomons, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.