2009/34 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
F. Naaijkens en de hoofdredacteur van Sprout
 
Bij brief van 12 maart 2009 met vijf bijlagen heeft X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen F. Naaijkens en de hoofdredacteur van Sprout (hierna: verweerders). Hierop hebben verweerders geantwoord in een brief van 25 maart 2009.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 april 2009 in aanwezigheid van klaagster. Verweerders zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
In februari 2009 is in het tijdschrift ‘Sprout’ een artikel van de hand van Naaijkens verschenen onder de kop “’Dit is natuurlijk geen innovatie’” met het chapeau “Innovatievouchers worden misbruikt voor privaat onderwijs, miljoenen gaan naar hogescholen”. De intro van het artikel luidt:
“Fontys Hogescholen wil in vier jaar tijd ruim 13 miljoen euro verdienen door misbruik van een subsidieregeling. Het gebruik van innovatievouchers is in strijd met de reglementen van voucherverstrekker SenterNovem. “Wat hier gebeurt is het bekostigen van privaat onderwijs – voor ondernemers – met publieke middelen.””
Vervolgens wordt aandacht besteed aan een voorlichtingsavond van Global Creative Economy (GCE), een onderneming die – aldus het artikel – internetmarketingprogramma’s aanbiedt.
Het artikel bevat tevens de volgende passage:
“X, zelfstandig subsidieadviseur onder de naam (…), nam vorig jaar deel aan het programma. In de tien maanden dat ze het traject volgde, waren de experts van GCE vooral aanspreekpunt voor technische problemen. Twee coaches van de hogeschool begeleidden X: een docent en een student. Laatstgenoemde deed zelf ook aan het hele programma mee. “De begeleiding van hen was minder handig. Soms liep ik voor op de stof, waarover zij nog helemaal niets wisten.” Zelf hoopt X het beter te doen als coach. In Eindhoven staat ze nu klaar voor vier deelnemende ondernemers die net aan het programma zijn begonnen. Dit keer niet als zelfstandig ondernemer. Voor Xs bijdrage als internetmarketingcoach staat de oud-deelneemster voor vijf uur per week op de loonlijst van Fontys.”
en verder:
“Maar bekende namen van succesvolle of innovatieve ondernemers kunnen de initiatiefnemers niet noemen. Toegegeven, ook X verdient nog geen duizenden euro’s per maand, zoals Beverwijk in zijn presentaties beloofde. “Ik zit in de zakelijke dienstverlening. Daar speelt live-contact toch een grotere rol dan wanneer je producten verkoopt. Affiliate marketing, waar het Fontys GCE-programma zich op richt, werkt niet zo voor mijn bedrijf. Wel ontvang ik een vergoeding als mensen zich aanmelden voor het Fontys GCE-programma via de linkjes op mijn eigen website.””

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat zij onjuist is geïnformeerd over de strekking van het artikel, waardoor zij bij de beslissing om mee te werken aan het interview andere verwachtingen van dat artikel had. Volgens klaagster heeft Naaijkens haar gemaild dat er een algemeen artikel zou komen over het gebruik van innovatievouchers in het mkb-bedrijf. Het Fontys GCE-programma zou daarin een onderdeel vormen. Klaagster heeft vorig jaar deelgenomen aan dat innovatieprogramma voor het mkb en daar een innovatievoucher voor gebruikt. Ter zitting licht zij toe dat het een traject over internetmarketing betreft, waarbij geleerd wordt die vorm van marketing beter in te zetten en eventueel met andere deelnemende ondernemers joint ventures op te zetten. Na afronding van dat programma is zij door Fontys benaderd om als coach en ervaringsdeskundige andere deelnemers te begeleiden.
Klaagster brengt naar voren dat het interview telefonisch is afgenomen. Volgens klaagster is daarbij gezegd dat het artikel over internetmarketing zou gaan en over innovatievouchers in algemene zin. In het artikel zou ook aandacht worden besteed aan andere programma’s en zaken waarvoor innovatievouchers worden gebruikt, zo stelt klaagster ter zitting. Het voor haar relevante deel van het artikel is voorafgaand aan de publicatie per e-mail aan haar toegezonden. Zij heeft Naaijkens vervolgens haar commentaar daarop gestuurd. Klaagster meent dat in de publicatie enkele passages zijn weggelaten die essentieel waren in de onderlinge context. Ter zitting heeft klaagster naar voren gebracht dat de passages die haar betreffen op zich niet onjuist zijn. Die passages zijn echter in een andere context geplaatst dan waarvan zij – gezien de door Naaijkens gegeven informatie – mocht uitgaan, aldus klaagster. Dat zij van een andere context is uitgegaan, blijkt ook uit het feit dat zij bij de wijzigingen heeft voorgesteld haar volledige naam, functie en bedrijfsnaam in het artikel op te nemen. Een dergelijke wijziging had zij natuurlijk niet voorgesteld als zij van de zeer negatieve context van het artikel weet had gehad, te minder nu zij zelf subsidieadviseur is en ook voor andere bedrijven innovatievouchers aanvraagt, zo licht klaagster toe. Zij benadrukt voorts dat zij geheel te goeder trouw aan het GCE-programma heeft deelgenomen en dat SenterNovem haar innovatievoucher daarvoor ook heeft goedgekeurd.
Klaagster acht voorts van belang dat uit onderzoek van GCE is gebleken dat het gehele artikel al maanden klaar lag en enkele betrokkenen, onder wie een docent van Fontys, achteraf alleen nog voor de vorm zijn geïnterviewd.
Voorts wijst klaagster er nog op dat Naaijkens zichzelf altijd aan haar heeft gepresenteerd als freelance-journalist, maar dat zij heeft gelezen dat Naaijkens al sinds 2006 op de loonlijst van VNU Media staat. Klaagster acht dit bevreemdend.
Klaagster betoogt dat verweerders, nadat de context van het artikel was gewijzigd, ingevolge de Leidraad van de Raad wederom contact met haar hadden moeten opnemen. Als klaagster de inhoud van het volledige artikel had gekend had zij haar naam daar nooit aan verbonden. Klaagster voelt zich dan ook in haar goede naam en eer aangetast.
 
Verweerders stellen dat de insteek van het artikel gedurende de researchperiode meermalen is gewijzigd. Naast het GCE-programma zijn ook andere projecten onderzocht die door middel van de innovatievoucher zijn bekostigd. Na redactioneel overleg is ervoor gekozen om het artikel toe te spitsen op het GCE-project. Op dat moment had het interview met klaagster al plaatsgevonden.
Volgens verweerders is bij het interview duidelijk aan klaagster gemeld dat het om haar ervaringen met het GCE-programma te doen was. Het is niet aan verweerders te wijten dat klaagster – zelf subsidieadviseur – vervolgens andere verwachtingen van het artikel had.
Voorts wijzen verweerders erop dat Naaijkens vier dagen per week in dienst is bij VNU Media. Eén dag in de week is zij echter freelancer en in die hoedanigheid en in die tijd heeft zij ook het artikel voor Sprout geschreven.
Tot slot benadrukken verweerders dat in het artikel een zo helder mogelijk beeld is geschetst en dat ook hoor en wederhoor is toegepast. Bovendien heeft klaagster de tekst voor publicatie gezien en – na het aanbrengen van enkele wijzigingen – geaccordeerd. Verweerders zijn dan ook van mening dat journalistiek zorgvuldig is gehandeld.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat het interview met klaagster ongevraagd in een andere context is geplaatst dan waarvan zij bij het geven van het interview mocht uitgaan.
 
De Raad stelt voorop dat de journalist die iemand wil interviewen, behoort te laten weten met welk doel hij informatie vergaart. De te interviewen persoon moet voldoende geïnformeerd kunnen beslissen of hij aan een publicatie of uitzending wil meewerken.
Van onzorgvuldige journalistiek is sprake wanneer een citaat van de geïnterviewde wordt gebruikt in een andere context dan hij mocht verwachten op grond van hetgeen hem door de interviewer is meegedeeld. De geïnterviewde moet opnieuw worden gevraagd of hij ermee instemt dat zijn uitlatingen worden gepubliceerd indien de aard of inhoud van een publicatie in de loop van het redactionele proces zozeer wordt gewijzigd dat niet meer wordt voldaan aan wat hij redelijkerwijs mocht verwachten. (zie punten 2.7.1. en 2.7.2. van de Leidraad van de Raad)
 
Door klaagster is aangevoerd dat Naaijkens bij het telefonisch interview heeft gemeld dat het artikel in algemene zin over de innovatievoucher zou gaan. In het verweerschrift hebben verweerders gesteld dat de insteek van het artikel ten tijde van de voorbereiding een aantal keren is gewijzigd, ook nadat het interview met klaagster had plaats gevonden. De onduidelijkheid over de insteek van het artikel is ter zitting besproken. Het is dan ook des te meer te betreuren dat verweerders het verschijnen ter zitting niet noodzakelijk hebben geacht.
 
Gelet op de standpunten van partijen staat niettemin voldoende vast dat klaagster bij het geven van het interview niet op de hoogte was van de uiteindelijk gekozen insteek van het artikel. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat klaagster uitdrukkelijk heeft verzocht haar naam, functie en bedrijfsnaam in het artikel te laten opnemen, terwijl daarin – naar klaagster pas achteraf is gebleken – kritische kanttekeningen worden geplaatst bij het gebruik van innovatievouchers voor een programma waaraan ook klaagster heeft deelgenomen en zij bovendien in haar hoedanigheid als subsidieadviseur innovatievouchers aanvraagt voor andere bedrijven. Gelet hierop hadden verweerders in elk geval kunnen vermoeden dat klaagster bij het geven van het interview andere verwachtingen over het artikel had en met het opnemen van haar interview althans haar persoonlijke gegevens na wijziging van die insteek mogelijk niet akkoord zou gaan. Naar het oordeel van de Raad lag het dan ook op de weg van verweerders om klaagster over de uiteindelijk gekozen insteek van het artikel te informeren en wederom haar instemming te vragen met het publiceren van (delen van) het met haar gehouden interview. Nu verweerders dit hebben nagelaten, hebben zij de grenzen overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Sprout te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 12 juni 2009 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. B.J. Brouwers, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, drs. P.C.J. van Schaveren en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.