2009/33 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X        
 
tegen
 
G. van der Marel en de hoofdredacteur van Koud Bloed
 
Bij brief met drie bijlagen, door de Raad ontvangen op 2 maart 2009, heeft X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen G. van der Marel en de hoofdredacteur van Koud Bloed (hierna: verweerders). Hierop hebben verweerders geantwoord in een brief van 23 maart 2009 met een bijlage.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 april 2009. Klaagster is daar verschenen en heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Van de zijde van verweerders zijn voornoemde Van der Marel en S. Eikelenboom, redacteur, verschenen
 
DE FEITEN
 
In november 2008 is in het magazine ‘Koud bloed’ een artikel verschenen van de hand van Van der Marel onder de kop “Gouden bergen aan zee” met het chapeau “De miljoenenfraude met het Golden Sun Resort in Turkije”. De intro van het artikel luidt:
“Nietsvermoedende beleggers steken twintig miljoen euro in de aanleg van een vakantieoord aan de Turkse kust, in ruil voor hoge rendementen. Als de betalingen uitblijven blijkt de directie van vastgoedbedrijf (…) met de noorderzon te zijn vertrokken. Het vakantieoord bestaat alleen op internet, niet in werkelijkheid. Achter de fraude zitten joviale sportschooljongens vermomd als heren. Vooral de opsporing van de geheimzinnige (…) kost veel moeite, maar uiteindelijk loopt hij tegen de lamp.”
 
In het artikel wordt ter illustratie de belegging van klaagster besproken. In de publicatie zijn haar voornaam, leeftijd en het door haar belegde bedrag vermeld.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt dat zij als een van de benadeelden in het artikel is genoemd en dat haar privacy door de publicatie is aangetast. Daarbij wijst zij op de vermelding van haar voornaam, leeftijd, het door haar belegde bedrag en de maandelijks ontvangen rentes. Voorts is volgens haar uit de context eventueel af te leiden door welke advocaat zij zich heeft laten bijstaan en dat zij via die advocaat aanspraak maakt op een restant van de bankrekening van (…). Daarnaast is vermeld dat zij Amsterdamse is, terwijl zij daar een postbus heeft. Ter zitting heeft zij in dit kader voorts opgemerkt dat is vermeld dat het om haar spaargeld zou gaan, terwijl dergelijke informatie nergens in de officiële stukken terug komt.
Klaagster acht van belang dat zij in september 2007, nadat zij aangifte had gedaan bij de recherche en het proces-verbaal was opgesteld, contact heeft opgenomen met de redactie van het Financieele Dagblad (FD) om zo feitelijk en objectief mogelijk de fraudezaak aan het licht te stellen. Zij heeft vervolgens een afspraak gemaakt met Van der Marel op de redactie van het FD. Klaagster benadrukt dat zij zich daar heeft voorgesteld als ‘gedupeerde’ en haar naam niet heeft vermeld. Bij deze afspraak heeft zij een dossier meegenomen met onder meer originele stukken van de Tweede Huis beurzen, het proces-verbaal en haar eigen aantekeningen. Ook had zij foldermateriaal meegebracht met onder andere aanbiedingen van huizen in Turkije. Van der Marel toonde een bijzondere belangstelling voor de folder van de ‘nieuwe belangenorganisatie Mondi’ van Tweede Huis, zo stelt klaagster ter zitting. Van der Marel en klaagster kwamen vervolgens overeen dat het 92-pagina tellend proces-verbaal ter plekke zou worden gekopieerd. Volgens klaagster heeft Van der Marel dit gekopieerd, waarna zij alle pagina’s heeft doorgenomen en al haar gegevens met een zwarte viltstift heeft doorgehaald. Vervolgens heeft zij het proces-verbaal aan Van der Marel overhandigd en heeft zij ook nog enkele malen telefonisch contact met hem gehad. Ter zitting brengt klaagster verder naar voren dat zij ook nog een aantal keren telefonisch contact heeft gehad met een andere medewerker van het FD, de heer M. Schiffers. Volgens klaagster heeft zij bij tenminste een van die telefonische contacten haar nummer achter gelaten en verzocht contact met haar op te nemen op het moment dat besloten werd iets over de affaire rond ‘Golden Sun’ te publiceren. Zij heeft daarna niets meer van het FD c.q. Van der Marel vernomen.
Nadat klaagster vervolgens door een tip van een bekende kennis had genomen van het gewraakte artikel, heeft zij geprobeerd contact op te nemen met Van der Marel. Bij de regie-zitting in de Golden Sun-strafzaak vernam zij dat Van der Marel twee weken in het buitenland zat. Daarna heeft zij hem telefonisch gesproken, waarbij hij haar stem herkende, aldus klaagster. Zij maakte uit dat gesprek op dat Van der Marel via journalistieke kanalen vertrouwelijke kopieën van 15 strafdossiers van Golden Sun had verkregen. Volgens klaagster hadden verweerders zorgvuldiger met die gegevens moeten omgaan. Zij heeft in de contacten met het FD duidelijk gemaakt niet persoonlijk bij de zaak betrokken te willen worden. Verweerders hadden er ook alles aan moeten doen om, juist in een zaak als deze, verder leed van gedupeerden te voorkomen. Het is in elk geval incorrect dat zij niet vooraf een en ander met de gedupeerden hebben besproken, zo stelt klaagster ter zitting. Zij is van mening dat verweerders de individuele mens achter het slachtoffer hadden moeten respecteren.
Voorts wijst klaagster erop dat het strafdossier rond (…) nog niet is afgerond. Verder stelt zij dat naar aanleiding van eerdere faillissementszaken gedupeerden nu ook met nummer kunnen worden aangeduid, zodat zij ook in rechtszittingen hun anonimiteit niet hoeven te verliezen. Klaagster benadrukt dat een vertrouwelijk strafdossier niet in handen mag komen van derden en zeker niet dient te worden gebruikt om naar vrije keuze en ongevraagd een gedupeerde te selecteren en te gebruiken voor een figuratieve rol in diens artikel. Klaagster is dan ook van mening dat verweerders onzorgvuldig hebben gehandeld door persoonlijke informatie uit het strafdossier te gebruiken zonder dit vooraf met haar te overleggen. Door deze handelwijze is zij onevenredig in haar privacy geschaad, aldus klaagster. Tot slot vraagt klaagster de Raad om verweerders te verzoeken niet meer over haar te publiceren.
 
Verweerders stellen voorop dat het hen spijt dat de Golden Sun-affaire, waarin klaagster gedupeerde is, ook nog tot de onderhavige procedure bij de Raad heeft geleid. Zij benadrukken dat het zeker niet de bedoeling was om met de publicatie extra leed toe te voegen aan klaagster. Niettemin zijn verweerders van mening dat zij zorgvuldig hebben gehandeld.
Verweerders melden dat klaagster begin dit jaar telefonisch contact heeft opgenomen met Van der Marel omdat zij meende dat haar privacy was geschonden. Bij dat gesprek herkende Van der Marel de stem van de vrouw waarmee hij anderhalf jaar eerder had gesproken. Destijds weigerde ze haar naam te geven. Wel heeft zij toen allerlei materiaal overgelegd dat betrekking had op haar zaak. Die informatie was geanonimiseerd. Op dat moment koos het Financieele Dagblad ervoor niet over de kwestie te publiceren, omdat de overgelegde informatie geen concreet handvat bood voor een artikel en – vanwege de anonimisering van het materiaal – de betrouwbaarheid ervan niet kon worden gecontroleerd. Een jaar later heeft Van der Marel op freelance basis een stuk geschreven voor Koud Bloed op basis van andere verzamelde feiten. Het stuk is gebaseerd op voorbeelden die hij uit een vertrouwelijk strafdossier had gehaald. Van der Marel wist niet dat één van de gekozen voorbeelden nu juist haar betrof. Hij kon dit ook niet weten, nu klaagster immers destijds haar naam niet had genoemd en hij haar niet in het materiaal had kunnen herkennen. Het was dus puur toeval, zo stellen verweerders.
Zij stellen voorts dat zij zo waarheidsgetrouw mogelijk over de zaak hebben willen publiceren en daarom ook enige informatie over een drietal beleggers hebben vermeld. Ter zitting hebben verweerders in dit kader nog naar voren gebracht dat zij juist een andere kant van dergelijke strafzaken willen belichten dan die waarover normaliter in kranten en tijdschriften wordt gepubliceerd. Daarom hebben ook de gedupeerden in de gewraakte publicatie een rol gekregen. De uiteenlopende achtergronden van de beleggers zijn opgenomen om duidelijk te maken dat zo een gebeurtenis iedereen kan overkomen. Het ging volgens verweerders dus om een duidelijk maatschappelijk belang.
Verweerders vonden het in dit geval niet nodig hoor en wederhoor toe te passen, gezien de compleetheid van het afgeronde strafdossier, de reeks aan personen die figureren en het feit dat de genoemde personen anoniem zijn opgevoerd. Ter zitting hebben verweerders in dit verband nog aangevoerd dat zij ook niet over informatie beschikten om de gedupeerden in het algemeen en klaagster in het bijzonder te bereiken. Van der Marel bestrijdt in elk geval dat klaagster haar telefoonnummer aan hem heeft gemeld in een van de telefoongesprekken die zij hebben gevoerd. In het verlengde hiervan benadrukken verweerders voorts dat zij de privacy van de betrokkenen zo min mogelijk hebben aangetast, door alleen de voornamen te vermelden. Zij hebben niet voor gefingeerde namen gekozen, omdat zij zo waarheidsgetrouw als mogelijk wilden publiceren. Overigens zijn geen adressen, huisnummers of achternamen vermeld en zijn geen foto’s van de gedupeerden geplaatst. Verweerders zijn dan ook van mening dat de gedupeerden voldoende anoniem zijn gebleven. Wat klaagster betreft merken zij nog op dat haar voornaam in Nederland veel voorkomt en dat zij in het verhaal als Amsterdamse is opgevoerd, terwijl zij daar kennelijk alleen een postbus heeft. Verweerders geloven dan ook niet dat de summiere informatie over klaagster ervoor kan zorgen dat ze geïdentificeerd en getraceerd wordt. Niettemin hebben verweerders ter zitting toegezegd dat zij in eventuele volgende publicaties over deze zaak klaagsters naam en andere gegevens achterwege zullen laten en niet meer over haar zullen publiceren. 
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht is dat verweerders ten onrechte en ongevraagd zodanige informatie over klaagster in het artikel hebben opgenomen dat daardoor klaagsters privacy onevenredig is aangetast.
 
De Raad stelt voorop dat een journalist waarheidsgetrouw behoort te berichten. Op basis van zijn informatie moeten lezers zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld kunnen vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. Daarbij behoeft een journalist geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.1. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 
 
In het artikel zijn klaagsters voornaam, haar leeftijd en het door haar ingelegde bedrag vermeld. Verder is klaagster aangeduid als Amsterdamse, terwijl zij in Amsterdam een postbus heeft. Zowel klaagster als een bekende van klaagster heeft haar in die gegevens herkend. Desgevraagd heeft klaagster meegedeeld dat de bekende van wie zij de tip over de publicatie ontving, op de hoogte is van de situatie van klaagster. De Raad acht het echter niet waarschijnlijk dat de gemiddelde lezer, die niet reeds van die situatie van klaagster op de hoogte is, klaagster eveneens in de combinatie van gegevens zal herkennen.
 
Er bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat verweerders het belang van klaagster bij de bescherming van haar privacy onvoldoende hebben afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat klaagsters privacy door de publicatie disproportioneel is geschaad.
 
Hoewel de Raad zich kan voorstellen dat klaagster het betreurt op die wijze geconfronteerd te worden met de gang van zaken waar zij slachtoffer van is geworden, kan niet worden geconcludeerd dat verweerders journalistiek onzorgvuldig jegens klaagster hebben gehandeld.
 
De omstandigheid dat klaagster reeds in een eerder stadium met Van der Marel contact heeft gehad over de zaak, maakt het voorgaande niet anders. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat de informatie die klaagster destijds aan Van der Marel heeft overhandigd door haar was geanonimiseerd en dat zij toen haar naam niet heeft genoemd. Niet is komen vast te staan dat Van der Marel wist althans had behoren te weten dat de gewraakte publicatie ook over klaagster ging. Daarbij komt dat – afgezien van de vraag of verweerders voorafgaand aan publicatie contact met klaagster hadden behoren op te nemen – Van der Marel gemotiveerd heeft betwist dat hij over het telefoonnummer van klaagster beschikte.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Koud Bloed te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 12 juni 2009 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. B.J. Brouwers, prof. dr. mr. B. de Gaay Fortman, drs. P.C.J. van Schaveren en M. Ülger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.