2009/32 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van De Telegraaf
 
Bij brief van 7 april 2009 met één bijlage heeft mr. R.P. Gasseling, advocaat te Rotterdam, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerder). Bij e-mailbericht van 10 april 2009 heeft A. Reekers, lid van de hoofdredactie, laten weten niet inhoudelijk op de klacht te zullen reageren.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 mei 2009. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 19 maart 2009 is in De Telegraaf een artikel verschenen onder de kop “Ex-(…)-bestuurder weer onder vuur”. De intro van dit artikel luidt:
“De aanstelling van X tot directeur van de (…) BV in (…) heeft voor veel onrust gezorgd.”
In het artikel komen verder de volgende passages voor:
“De Rotterdammer kwam in 2006 in opspraak, omdat hij als directielid van de (…) betrokken zou zijn geweest bij een miljoenenzwendel. De zaak is nog onder de rechter.”
en
“X werd in 2006 bij (…) ontslagen in verband met een verdenking van miljoenenzwendel. Samen met twee andere bestuurders zou hij forse winsten, die (…) maakt op verkoop van onroerend goed, in eigen zak hebben gestoken. Hij zou van die ‘inkomsten’ dure villa’s in het buitenland hebben gekocht, onder meer in Zwitserland en Curaçao.”
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager stelt dat sprake is van overschrijding van punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad nu de aantasting van zijn privacy niet in een redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. Met de vermelding van zijn naam is geen maatschappelijk belang gediend, dat zwaarder weegt dan zijn individuele belang, aldus klager. Hij had anoniem of hoogstens met initialen kunnen worden aangeduid. Op die wijze was geen afbreuk gedaan aan de aard en de inhoud van de berichtgeving. In dat verband wijst klager erop dat zijn volledige naam is vermeld, maar dat de overige betrokkenen daarentegen zijn aangeduid als ‘de twee andere betrokken bestuurders’. Ook voor de aanduiding van klager had de zinsnede ‘een van de bestuurders’ kunnen worden gebruikt.
Voorts wijst klager erop dat er nog geen onherroepelijk vonnis in zijn strafzaak is gewezen, waaruit blijkt dat de verdenkingen jegens hem juist zouden zijn.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht betreft de schending van klagers privacy.
 
Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daartegenover staat dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad)
 
Voor mensen met publieke c.q. min of meer openbare functies en voor bekende Nederlanders is een zekere mate van ongewilde publiciteit onvermijdelijk. Hun privégedrag en gedrag in besloten en privé-omgeving hebben recht op bescherming tegen ongewilde inbreuken, tenzij dat gedrag aantoonbaar van invloed is op hun publiek functioneren. (zie punt 2.4.2. van de Leidraad)
 
In het artikel wordt in het kader van klagers aanstelling als directeur van een (…)bedrijf aandacht besteed aan een fraudekwestie waarbij klager zou zijn betrokken. Hoewel het mogelijk pijnlijk is voor klager, dient hij zich bij het aanvaarden van een publieke functie te realiseren dat daarbij zijn naam openbaar zal worden gemaakt.
 
Als de berichtgeving zich zou hebben beperkt tot de fraudekwestie, zou dat wellicht hebben moeten leiden tot een verdergaande bescherming van klagers privacy door verweerder. Dat de gebeurtenissen uit klagers verleden in het gewraakte bericht worden opgehaald, is echter een risico dat het aanvaarden van de publieke functie met zich brengt.
Een andere opvatting zou in het onderhavige geval tot de onwenselijke consequentie leiden dat iemand die wordt benoemd in een publieke functie, niet met zijn volledige naam kan worden aangeduid.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van het privéleven van klager en verweerder derhalve geen grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door over klager te berichten op de wijze als hij heeft gedaan.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 3 juni door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. A.C. Diamand, mr. B. Geersing, mw. F. Santing en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.