2009/31 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
G. van Doorn
 
tegen
 
R. Willems en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger
 
Bij brief met één bijlage, ontvangen door de Raad op 31 maart 2009, heeft G. van Doorn te Heerlen (hierna: klaagster), mede namens de andere erven en vrienden van C. Broeren, een klacht ingediend tegen R. Willems en de hoofdredacteur van Dagblad De Limburger (hierna: verweerders). H. Driessen, adjunct hoofdredacteur, heeft namens verweerders op de klacht geantwoord in een brief van 21 april 2009 met één bijlage. Klaagster heeft op het verweer gereageerd in een schrijven van 25 april 2009 met negen bijlagen. Daarop heeft voornoemde Driessen ten slotte nog gereageerd bij brief van 1 mei 2009.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 mei 2009. Partijen zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 26 februari 2009 is in Dagblad De Limburger een artikel van de hand van R. Willems verschenen onder de kop “’Erfenis wordt groot drama’” met het chapeau “Vriendendienst - José Frijns zit in haar maag met inboedel vriend”. De intro van dit artikel luidt:
“In goed vertrouwen heeft José Frijns uit Valkenburg zich vorig jaar ontfermd over de inboedel van een overleden vriend. Het is één groot drama geworden.”
De publicatie gaat over de afwikkeling van een erfenis. Bij het artikel is een foto van een deel van de inboedel van de overledene geplaatst. In het artikel komen verder de volgende passages voor:
“De opbrengst van zijn huis, dat inmiddels is verkocht aan de buurman, moet op grond van het notarieel vastgelegde testament verdeeld onder vierendertig vrienden. Een van die vrienden is aangewezen als executeur-testamentair: hij is belast met de verdeling van dat geld. De meubels en de overige huisraad zijn dus voor Frijns. Het meeste is helemaal niks waard.”
en
“,,Ik had gehoopt dat ik nog een paar spullen zou kunnen verkopen”, zegt ze, ,, maar alle waardevolle dingen zijn al door andere ‘vrienden’ weggehaald. Op een enkele antieke kast na is het allemaal niks waard.””
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt – kort samengevat – dat zij zich zeer gekwetst voelt nu zij en de andere vrienden van de overledene in het artikel bij monde van mevrouw Frijns als dieven worden weggezet, terwijl de executeur zeer zorgvuldig met de inboedel is omgegaan, deze alles heeft gefotografeerd en een taxateur de inboedel heeft laten taxeren. Het artikel berust op onwaarheden en wederhoor is door verweerders ten onrechte achterwege gelaten. De publicatie geeft slechts de uitlatingen van voornoemde Frijns weer, zonder dat deze uitlatingen op juistheid zijn geverifieerd. Er wordt in het artikel zodoende een totaal verkeerd – eenzijdig en tendentieus – beeld van de gang van zaken geschetst, waardoor de nagedachtenis van de overledene wordt bezoedeld.
Voorts wijst klaagster erop dat verweerders een misleidende foto van het interieur van de schuur bij het artikel hebben geplaatst en het pand van de overledene ten onrechte in het artikel als een ‘oud huisje’ hebben aangeduid.
Ten slotte stelt klaagster dat de door haar bij verweerders over het artikel ingediende klacht niet op juiste wijze is afgehandeld, nu de publicatie om rectificatie had gevraagd. Het aanbod van verweerders om een door hen geredigeerde en gefingeerde ingezonden brief te publiceren – gebaseerd op een brief van de executeur aan mevrouw Frijns, maar dan ingekort – sorteert niet hetzelfde effect als een rectificatie, aldus klaagster.
 
Verweerders stellen voorop dat in hun dagblad dagelijks betere stukken te lezen zijn. Het stuk mist op deze wijze vooral maatschappelijke relevantie. Als Driessen het stuk voor publicatie had gezien, was het zo niet verschenen. Dan had hij meerdere partijen aan het woord gelaten om een breder verhaal te krijgen over het accepteren of verwerpen van erfenissen. Verweerders betwisten echter dat zij jegens klaagster journalistiek onzorgvuldig hebben gehandeld.
Volgens verweerders kan hen het verwijt worden gemaakt geen wederhoor te hebben toegepast, maar waren zij niet gehouden de publicatie te rectificeren. Zij wijzen er in dat verband op dat zij als beleid hebben dat feitelijke onjuistheden ruimhartig en vaak op eigen initiatief worden rechtgezet. Echter, nu niet vast is komen te staan dat in het artikel sprake is van feitelijke onjuistheden – in deze kwestie bestaat geen gelijk of ongelijk – valt er voor verweerders niets te rectificeren. Dat klaagster is overtuigd van het onrecht dat haar is aangedaan en daarin een rechtvaardiging vindt om verweerders allerlei donkere motieven toe te dichten en verweerders te dicteren wat volgens haar moet gebeuren, maakt niet dat verweerders de klacht niet adequaat hebben afgehandeld. Waar het in deze kwestie volgens verweerders om gaat is dat klaagster c.s. recht hebben op een weerwoord. Vanaf het prille moment dat de kwestie speelt is dat ook de inzet van de krant geweest. Verweerders hebben klaagster dan ook verschillende keren verzocht haar grieven op papier te zetten, zodat verweerders op de kwestie zouden kunnen terugkomen, hetgeen door klaagster echter is geweigerd. Een goedbedoelde poging van de redactie om een brief van de executeur om te werken tot iets wat aan de grieven tegemoet zou kunnen komen, wordt door klaagster nu uitgelegd als een kwaadaardige poging de zaak af te doen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bestaat, samengevat weergegeven, uit de volgende onderdelen:
  1. er is sprake van eenzijdige, tendentieuze berichtgeving, waarbij ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van klaagster zijn geuit, zonder haar voldoende gelegenheid tot wederhoor te bieden;
  2.  de door klaagster tegen het artikel ingediende klacht is door verweerders niet op juiste wijze afgehandeld.

Ad 1.
Ingevolge punt 1.1. van de Leidraad van de Raad bericht de journalist waarheidsgetrouw. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. Bovendien dient de journalist in de berichtgeving een duidelijk onderscheid te maken tussen feiten, beweringen en meningen, en behoort hij eenzijdige en tendentieuze berichtgeving te vermijden. (zie punten 1.4. en 1.5. van de Leidraad)

Bijzondere zorgvuldigheid is geboden bij de publicatie van beschuldigingen die afkomstig zijn van personen die ten tijde van de publicatie van het artikel in conflict zijn met de beschuldigde, of anderszins belanghebbende zijn. Zeker wanneer tegengestelde belangen en emoties een rol spelen, laten geschillen zich over het algemeen niet op een verantwoorde wijze beschrijven aan de hand van feiten en beweringen zoals deze door een der partijen gepresenteerd worden. In deze gevallen mag de betrouwbaarheid van één bron als brenger van objectieve feiten niet zonder meer worden aangenomen. (zie punt 2.2.5. van de Leidraad)
 
Bij het publiceren van beschuldigingen onderzoekt de journalist of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. De journalist past, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie, te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
 
De publicatie over de verdeling van een erfenis – een delicaat onderwerp – is kennelijk slechts op één bron gebaseerd. Deze bron, mevrouw Frijns, laat zich daarbij op beschuldigende wijze uit over klaagster en de overige in het artikel bedoelde vrienden. Door Frijns wordt immers beweerd dat klaagster c.s. in de erfeniskwestie onheus hebben gehandeld door waardevolle spullen weg te halen. De uitlatingen van Frijns zijn door verweerders niet op juistheid c.q. volledigheid geverifieerd, waardoor – mede gelet op de foto bij het artikel – een eenzijdig en onvolledig beeld van de gang van zaken is geschetst. Daarbij worden klaagster c.s. gediskwalificeerd en heeft de berichtgeving voor klaagster een uitermate tendentieuze, negatieve lading gekregen, terwijl niet is gebleken dat daarvoor voldoende rechtvaardiging bestaat. Voorts hebben verweerders nagelaten wederhoor bij klaagster dan wel één van de andere ‘vrienden/erfgenamen’ toe te passen.
 
Aldus moet worden geconcludeerd dat verweerders op dit punt journalistiek ontoelaatbaar hebben gehandeld. Dit onderdeel van de klacht is dan ook gegrond.
 
Ad 2.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen had het op de weg van verweerders gelegen over te gaan tot een passende en ruimhartige rechtzetting, die ondubbelzinnig duidelijk maakt dat de berichtgeving in de te rectificeren publicatie op onvolledige informatie was gebaseerd (zie punt 6.1. van de Leidraad en vgl. onder meer: RvdJ 2006/35). Dit hebben zij ten onrechte nagelaten.
 
Het aanbod van verweerders om een brief van de executeur aan Frijns te bewerken en te publiceren, kan naar het oordeel van de Raad niet als een deugdelijke rectificatie worden beschouwd en ontslaat de journalist niet van zijn verplichting de onjuistheden c.q. onvolledigheden eigener beweging recht te zetten. Bij het rectificeren dient de journalist immers aan de lezer duidelijk te maken dat hij in de te rectificeren publicatie niet juist c.q. volledig heeft bericht. Ook dit onderdeel van de klacht slaagt daarom.
 
Conclusie
Door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld, hebben verweerders derhalve de grenzen overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING
 
De klacht is gegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad De Limburger te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 3 juni 2009 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. A.C. Diamand, mr. B. Geersing, mw. F. Santing, en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.