2009/3 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
W.F. de Koning
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Zeilen
 
Bij brief van 18 oktober 2008 met twee bijlagen heeft W.F. de Koning te Leiden (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Zeilen (hierna: verweerder). Hierop heeft mr. P. van Driessen, advocaat te Amsterdam, namens verweerder geantwoord in een brief van 20 november 2008 met vier bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 november 2008. Klager is daar verschenen en heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van een notitie. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door J. Verschuur, verslaggever, en mr. Van Driessen.
 
DE FEITEN
 
Op 30 april 2008 heeft klager verweerder een ingezonden brief gestuurd in reactie op een in Zeilen geplaatste ingezonden brief. De ingezonden brief van klager luidt:
“In het mei-nummer van “Zeilen” heeft u op pagina 13 een ingezonden brief opgenomen van de familie Te Riele, die uw lezers op het verkeerde been kan zetten. In deze brief wordt beweerd dat het niet is toegestaan een verkeersbaan in een Traffic Separation Scheme (TSS) haaks door het water over te steken, wanneer je door het tij schuin weggezet wordt. Dat is onjuist.
De International Regulations Preventing Collisions at Sea (…), die ook van toepassing zijn op de Noordzee, bepalen onder rule 10.c het volgende: “A vessel shall so far as practicable avoid crossing traffic lanes, but if obliged to do so shall cross on a heading as nearly as practicable at right angles to the general direction of traffic flow.” Kortom, men dient een koers te houden die een rechte hoek vormt met de verkeersrichting in de verkeersbaan. Op deze manier passeert men de baan ook het snelst. Indien de Kustwacht heeft geconstateerd dat men de verkeersbaan schuin heeft overgestoken, dan zal men zelf moeten aantonen dat men door wind of getij is weggezet. Daarbij kunnen weerberichten, getijdentabellen, aantekeningen in het logboek of de logging van de kaartplotter gebruikt worden als bewijsvoering. Het wordt een lastig verhaal als men tijdens het oversteken een aantal malen is uitgeweken. Op zee hoeft een zeiljacht in principe niet uit te wijken voor vrachtschepen. Alhoewel, het is waarschijnlijk verstandiger om dat wel te doen. Aangenomen mag worden dat de Kustwacht daar consideratie mee heeft.” 
 
In juni 2008 is in Zeilen een artikel verschenen onder de kop “De kunst van het oversteken”, waarvan de intro luidt:
“In Zeilen 5/2007 rakelde de familie Te Riele de discussie over het kruisen van verkeersscheidingstelsels weer eens op. De vele reacties zijn reden genoeg voor een definitief antwoord op de vraag: hoe over te steken?”
 
Bij het artikel is de door klager ingezonden brief geplaatst, waarbij de inleiding van de brief is weggelaten en het slot is gewijzigd als volgt:
“Het wordt een ander verhaal als men tijdens het oversteken een aantal malen is uitgeweken. Op zee hoeft een zeiljacht in principe niet uit te wijken voor vrachtschepen (zeker wel in het verkeersscheidingstelsel - red.). Aangenomen mag worden dat de Kustwacht daar consideratie mee heeft.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat verweerder bij het plaatsen van zijn brief ten onrechte een cruciale zin heeft weggelaten, waardoor de inhoudelijke essentie van de brief is aangetast. Klager brengt naar voren dat zijn brief een reactie was op een eerder geplaatste ingezonden brief, waarin werd gesteld dat een boete was opgelegd voor het haaks door het water oversteken van een zogeheten ‘shipping lane’. In die brief werd ook gesteld dat bij het oversteken een aantal keren was uitgeweken voor passerende vrachtschepen. Het leek klager zeer onwaarschijnlijk dat de Kustwacht het zeeaanvaringsreglement onjuist zou interpreteren. Bovendien bevatte de brief volgens klager een tegenstrijdigheid, nu men niet haaks kan oversteken en tegelijkertijd voor passerende schepen kan uitwijken. Klager voelde zich dan ook geroepen op de brief te reageren.
De strekking van klagers betoog was dat aangenomen mag worden, dat de Kustwacht er consideratie mee heeft dat men bij het uitwijken voor vrachtschepen afwijkt van de haakse koers. Door het weglaten van de zin “Alhoewel, het is waarschijnlijk verstandiger om dat wel te doen.” en de toevoeging van een betweterig commentaar van de redactie, wordt nu ten onrechte de indruk gewekt dat hij verwacht dat de Kustwacht er consideratie mee heeft dat een zeiljacht níet uitwijkt en zonder meer een ‘shipping lane’ oversteekt zonder rekening te houden met passerende vrachtschepen. Dat is echter in strijd met goed zeemanschap en door hem zeker niet zo bedoeld. Klager voelt zich hierdoor in zijn goede naam als zeiler aangetast. Ter zitting heeft klager in dat verband naar voren gebracht dat hij regelmatig door bevriende zeilers op de ingezonden brief is aangesproken. Zij kunnen zich geen van allen voorstellen dat klager daadwerkelijk deze onjuiste zienswijze zou hebben verwoord in zijn brief.
Voorts acht klager van belang erop te wijzen dat de stelling van verweerder, dat een zeiljacht in een ‘shipping lane’ moet wijken voor een vrachtschip, niet per definitie juist is. Klager wijst in dit verband op twee voorschriften, waaruit volgens hem blijkt dat enerzijds een haakse koers moet worden aangehouden en anderzijds een zeilvaartuig de veilige doorvaart van een werktuiglijk voortbewogen vaartuig dat een verkeersbaan volgt, niet mag belemmeren. Aangezien het niet mogelijk is om een haakse koers aan te houden en tegelijkertijd uit te wijken voor een passerend motorvaartuig, is dus de vraag welke van de voorschriften prevaleert. Volgens klager zou dat, logisch redenerend, het eerste voorschrift zijn. Daarbij acht klager het waarschijnlijk dat de bedoeling van de wetgever is geweest te voorkomen, dat een klein vaartuig of een zeilvaartuig een ‘shipping lane’ oversteekt, wanneer er in die shipping lane een kruisend motorvoertuig aan komt. Ter zitting heeft klager in dit kader verklaard dat het stilleggen en dus niet oversteken immers ook met zich brengt dat de doorgaande vaart niet wordt belemmerd. Kiest men er wel voor om over te steken, dan zou men kunnen stellen dat de algemene uitwijkingsregel geldt en dat een motorvaartuig moet wijken voor een zeilvaartuig. Klager wijst er evenwel op dat goed zeemanschap vraagt dat men gevaarlijke situaties zo veel mogelijk tracht te voorkomen en dat iedere consciëntieuze schipper van een kwetsbaar zeiljacht dan ook zal uitwijken voor vrachtschepen die een duidelijke koers volgen. Ter zitting heeft klager gesteld dat hij met de laatste zinnen van zijn brief op deze situatie doelde.
Wat betreft de stelling van verweerder, dat zijn standpunt verwarrend zou zijn voor de lezer, wijst klager erop dat de eerdere brief van de familie Te Riele ook tot verwarring heeft geleid. De redactie heeft bij de plaatsing van die brief echter niet ingegrepen.
Ten slotte stelt klager dat hij het onbehoorlijk acht dat de redactie aanleiding heeft gezien het betweterige commentaar ín zijn brief te vermelden, in plaats van ónder de brief.
 
Verweerder stelt dat de redactie naar aanleiding van de vele reacties op een ingezonden brief over het kruisen van een verkeersbaan in een verkeersscheidingstelsel door een zeilvaartuig, heeft besloten een redactioneel stuk aan het onderwerp te wijden. Op dezelfde pagina is een aantal meningen van lezers opgenomen, waaronder die van klager. Verweerder stelt dat het de redactie vrij staat om ingezonden brieven te wijzigen of in te korten, zolang de essentie en toonzetting van de brief behouden blijft. De inleiding van de brief bevatte de aanleiding voor de brief. Nu de redactie heeft gekozen voor een redactioneel artikel en de brief wilde laten aansluiten bij dat artikel, is de inleiding geschrapt.
Wat de aanpassing van het slot van klagers brief betreft, was de redactionele toevoeging volgens verweerder noodzakelijk om misverstanden te vermijden en verwarring bij de lezer over de interpretatie van de regelgeving te voorkomen. Ter zitting heeft verweerder hierover opgemerkt dat het artikel betrekking had op verkeersscheidingstelsels en niet op de regelgeving op open zee. Verweerder heeft het nodig geacht om dit verschil expliciet in de brief te verduidelijken. Volgens verweerder geldt in een dergelijk stelsel namelijk dat een zeiljacht voorrang moet verlenen aan een vrachtschip en dus wél moet uitwijken. Verweerder is van mening dat ondanks deze aanpassing en verduidelijking de passages onderling bezien geen andere betekenis hebben gekregen. De essentie van klagers brief heeft betrekking op de wijze van oversteken en die essentie is overeind gebleven, zo stelt verweerder ter zitting.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De kern van de klacht betreft de wijze waarop verweerder het slotgedeelte van klagers ingezonden brief heeft aangepast.
 
De Raad stelt voorop dat het de redactie vrij staat ingezonden brieven en andere reacties van een naschrift te voorzien of niet te plaatsen, tenzij plaatsing geboden is vanwege bijzondere omstandigheden. Wijziging en inkorting zijn toegestaan zolang de inhoudelijke essentie en de toonzetting behouden blijven. (zie punt 5.2. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek)
 
In zijn ingezonden brief heeft klager kennelijk het optreden van de Kustwacht aan de orde willen stellen. Klager heeft duidelijk willen maken dat een schip in beginsel een verkeersbaan moet oversteken ‘in een koers die een rechte hoek vormt met de verkeersrichting in de verkeersbaan’. Op het moment dat een schip niet ‘recht’ maar ‘schuin’ is overgestoken, kan de Kustwacht optreden. Als het ‘schuin’ oversteken het gevolg is van wegzetting door wind of getij, moet de schipper dat kunnen aantonen, aldus de brief van klager. Daarnaast is het mogelijk dat de schipper ‘schuin’ is overgestoken, omdat hij een aantal malen is uitgeweken. In zijn brief heeft klager dat verwoord als volgt:
“Het wordt een lastig verhaal als men tijdens het oversteken een aantal malen is uitgeweken. Op zee hoeft een zeiljacht in principe niet uit te wijken voor vrachtschepen. Alhoewel, het is waarschijnlijk verstandiger om dat wel te doen. Aangenomen mag worden dat de Kustwacht daar consideratie mee heeft.”
Duidelijk is dat klager heeft betoogd dat de Kustwacht naar verwachting ‘consideratie heeft met het feit dat men – ook al hoeft het niet – tóch is uitgeweken’.
De vraag is of de essentie van dát betoog van klager teniet is gedaan door de redactionele aanpassing van klagers brief. Naar het oordeel van de Raad is dat niet het geval. Immers, het gewijzigde slot van klagers brief luidt:
“Het wordt een ander verhaal als men tijdens het oversteken een aantal malen is uitgeweken. Op zee hoeft een zeiljacht in principe niet uit te wijken voor vrachtschepen (zeker wel in het verkeersscheidingstelsel - red.). Aangenomen mag worden dat de Kustwacht daar consideratie mee heeft.”
 
Klager kan worden nagegeven dat door de aanpassing van zijn brief het verloop van de slotpassage taalkundig (dat wil zeggen de verwijzing van het woord ‘daar’ in de laatste zin) niet langer geheel juist is. Gelet op het begin van de passage “Het wordt een ander verhaal als men tijdens het oversteken een aantal malen is uitgeweken.” zal echter voor de gemiddelde lezer nog steeds duidelijk zijn dat klager heeft betoogd dat de Kustwacht naar verwachting ‘consideratie heeft met het feit dat men – ook al hoeft het niet – tóch is uitgeweken’. In de gehele context van de brief is het punt van klager voldoende duidelijk gebleven.
 
Wat de toevoeging van de redactie in de tekst van de brief betreft, overweegt de Raad dat het de redactie vrij staat om dergelijk commentaar te plaatsen. Hoewel het wellicht beter zou zijn geweest het commentaar – zoals gebruikelijk – ónder de brief te plaatsen, overweegt de Raad dat door de opmaak en toevoeging ‘red.’ voldoende duidelijk is dat het een redactionele aanvulling betreft.
 
Gezien het voorgaande ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat door aanpassing van de ingezonden brief van klager, grenzen zijn overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in Zeilen te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 23 januari 2009 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. A.C. Diamand en T.R. Harkema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.
 
Raadslid mw. mr. H.M.A. van Meurs heeft aan de behandeling van en beraadslaging over deze zaak deelgenomen, maar is vóór de schriftelijke vastlegging van de uitspraak als raadslid teruggetreden.