2009/28

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
J.D. Bouma, N. Carlier en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad
 
Bij brief van 7 januari 2009 met zestien bijlagen heeft mr. W.H.A.M. van den Muijsenbergh, advocaat te Rotterdam, namens mevrouw X (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen J.D. Bouma, N. Carlier en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (hierna: verweerders). Hierop hebben verweerders geantwoord in een brief van 5 februari 2009 met achttien bijlagen. Ten slotte heeft klaagster nog twee bijlagen overgelegd bij brief van 19 februari 2009.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 februari 2009. Klaagster is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot en mevrouw A, docente van [naam school]. Namens verweerders zijn verschenen bovengenoemde Bouma, redacteur, S. de Jong, adjunct-hoofdredacteur, en mevrouw mr. E.M. Polak, advocaat te Amsterdam. Het standpunt van klaagster is toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.
 
DE FEITEN
 
Op 11 juli 2008 is in NRC Handelsblad een artikel van de hand van Bouma en Carlier verschenen onder de kop “Uittocht leraren Rotterdams [schooltype]” en “Op het [naam school] ruziën leraren met het bestuur en met de [functie]”. De intro van het artikel luidt:
“Op het [naam school] in Rotterdam rommelt het al enige tijd. Gisteravond protesteerden leraren tegen bestuur, onder meer om het ontslag van een [functie].”
In het artikel wordt verslag gedaan van een bijeenkomst ter gelegenheid van de afsluiting van het schooljaar 2007-2008 van [naam school] te Rotterdam. Het bevat de volgende passages:
“Het rommelt op het [naam school]. Het prestigieuze [schooltype], een van de grootste van het land, kampt al enige tijd met interne conflicten. Het schoolbestuur, Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam (BOOR), maakte gisteren per brief het vertrek van [functie] X en het ontslag van [functie] B bekend.”
en
“Leraar [functie] C las een brief voor. “Er heeft zich op onze school de afgelopen jaren een conflict ontwikkeld tussen een flink deel van het personeel en de [functie]. Door gebrekkige communicatie is ons vertrouwen in haar ondermijnd”. Ook algemeen directeur D van het schoolbestuur nam tijdens de plechtigheid het woord. Hij verklaarde het vertrek van [functie] X met de woorden dat “zij toe is aan een nieuwe uitdaging”.”
en
“Ook docent [functie] E geeft aan dat er al jaren sprake is van gesteggel. E diende in februari van dit jaar zelf haar ontslag in na een conflict met X.. Ze vervolgt haar carrière in [plaatsnaam]). Behalve E vertrekken in ieder geval ook twee docenten [functie] om vergelijkbare reden. Een voormalig personeelslid, dat anoniem wil blijven vanwege een nog lopende klacht bij de bezwaarcommissie, werd na een beoordelingsgesprek met onmiddellijke ingang uit zijn functie ontheven.”
 
Op 11 juli 2008 is op de website van NRC Handelsblad een artikel verschenen onder de kop “Bestuurscrisis op [naam school]”. Het artikel heeft als lead:
“Het [naam school] in Rotterdam kampt met een bestuurscrisis. Twee van de drie leden uit het schoolbestuur, onder wie [functie] X, zijn teruggetreden.”
Het artikel bevat verder onder meer de volgende passage:
“Ook [functie] B is ontslagen bij het [schooltype], dat met 1031 leerlingen een van de grootste van Nederland is.”
 
Op 26 juli 2008 is in NRC Handelsblad een tweede artikel van Bouma verschenen onder de kop “Altijd lastig, zo'n prestigieus [schooltype]”. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Toch ging deze maand [functie] X weg. Ze is “toe aan een nieuwe uitdaging”. Er was ruzie op de school. Tussen opstandige docenten en de schoolleiding. De leiding op haar beurt was intern verdeeld omdat één van de [functie] de opstandige docenten steunde. Maar bovenal waren er veel persoonlijke irritaties. Tijdens een ceremonie met leerlingen en ouders in de Laurenskerk in Rotterdam deze maand, lazen docenten een brief voor waarin ze vertelden over de problemen.”
en
“De [functie] van het Rotterdamse [schooltype] is “weggepest door een harde kern van lastige docenten”, meent haar voorganger op [naam school], F. Sterker, F is zélf zeven jaar geleden weggepest van het [naam school], zegt hij.”
en
“Het clubje docenten klaagde niet zonder reden, zegt E, docente [functie], die hoorde bij de groep die zich tegen de [functie] verzette. Zij verhuisde deze maand met haar man, die daar al een baan had, naar [plaatsnaam]. Als de sfeer beter was geweest, was ze misschien gebleven, zegt ze. Maar X trad intimiderend op, vond E. Dat vinden overigens ook docenten buiten de ‘harde kern’. Volgens E mocht het mailsysteem van de school niet meer door de medezeggenschapsraad worden gebruikt voor agendapunten en stond het schoolplan “vol stijlfouten en schrijffouten”.”
In het artikel wordt verder achtergrondinformatie gegeven over de onrust op de school en wrijvingen tussen docentencorpsen en bestuur op andere [schooltype] in het algemeen. Het artikel bevat de mededeling dat klaagster pas na de zomer commentaar wil geven.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt – kort samengevat – dat verweerders met het eerste artikel van 11 juli 2008 de artikelen 1.1., 1.5., 2.1.1., 2.1.5., 2.1.7., 2.2.5., 2.3.1. en 2.3.4. van de Leidraad van de Raad hebben geschonden. Ten aanzien van de punten 1.1. en 1.5. van de Leidraad meent klaagster dat verweerders niet waarheidsgetrouw hebben bericht, zodat lezers zich niet een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld over het nieuwsfeit hebben kunnen vormen. Verder is eenzijdig en tendentieus bericht, en heeft geen wederhoor plaatsgevonden. Klaagster betoogt onder meer dat er geen sprake is geweest van een uittocht van leraren maar van normaal verloop en dat genoemde docente E niet is weggegaan vanwege een conflict met klaagster, maar om familieredenen. De verklaring van het voormalige personeelslid, inhoudende dat hij na een beoordelingsgesprek met onmiddellijke ingang uit zijn functie zou zijn ontheven, is volgens klaagster gelogen. Het onder de feiten geciteerde gedeelte van de brief dat door docent C zou zijn uitgesproken in de kerk, is volgens klaagster niet publiekelijk uitgesproken maar te elfder ure doorgehaald. Volgens klaagster hadden verweerders al deze feiten op inhoudelijke juistheid kunnen en moeten controleren.
Met betrekking tot de eenzijdige berichtgeving stelt klaagster dat verweerders hebben volstaan met het klakkeloos overschrijven van alleen wat door enkele rancuneuze (oud-)medewerkers is verteld,      
zonder klaagster hierover te horen. Hierdoor hebben verweerders aan de gedebiteerde onjuistheden en zelfs leugens gewicht toegekend. Klaagster stelt verder dat verweerders er ten onrechte geen melding van hebben gemaakt dat een toonaangevende docente tijdens de bijeenkomst spontaan het woord heeft genomen en zich heeft beklaagd over wat door de kleine groep ‘opstandige’ docenten was aangericht. Ook de positieve woorden van de voorzitter van het College van Bestuur van het BOOR over klaagster zijn ten onrechte niet in het artikel opgenomen. Van deze lofbetuiging is enkel in het artikel verschenen dat klaagster “toe was aan een nieuwe uitdaging”.
Met betrekking tot de punten 2.1.1. en 2.1.5. van de Leidraad stelt klaagster zich op het standpunt dat verweerders niet officieel waren uitgenodigd voor de besloten bijeenkomst in de kerk en heimelijk zijn binnengedrongen. Verweerders hadden er ook niet zonder meer van mogen uitgaan dat degenen die hen hadden uitgenodigd, daartoe bevoegd waren. Ook hebben zij zich tijdens het vergaren van informatie niet als journalist bekend gemaakt aan klaagster, die als schoolleider bepaalde wie was uitgenodigd voor de bijeenkomst.
Ook punt 2.1.7. van de Leidraad is naar de mening van klaagster geschonden, nu verweerders hadden kunnen en moeten vaststellen dat door de gevolgde onderzoeksmethoden de belangen van klaagster ernstig zouden worden geschaad. Punt 2.2.5. van de Leidraad is eveneens geschonden, aangezien het duidelijk was dat klaagster en het schoolbestuur met elkaar in conflict waren. Juist hierom hadden verweerders zorgvuldig te werk moeten gaan bij het controleren van de betrouwbaarheid van hetgeen werd verteld op de bijeenkomst, en bovendien niet mogen afgaan op één bron, namelijk een beperkt aantal personen van wie duidelijk was dat zij met klaagster een persoonlijke rekening hadden te vereffenen.
Tot slot betoogt klaagster dat de punten 2.3.1. en 2.3.4. van de Leidraad zijn geschonden, nu zij gedurende de hele avond van 10 juli 2008 gemakkelijk aanspreekbaar was en ook de dag daarna beschikbaar was voor wederhoor. Het gebrek aan wederhoor was in dit geval te meer geboden omdat de publicatie het belang van klaagster zou raken.
De publicatie van 26 juli 2008 is volgens klaagster eveneens in strijd met de punten 1.1., 1.5., 2.2.5. en 2.3.1. van de Leidraad. Voor zover het artikel 2.3.1. van de Leidraad betreft, heeft klaagster onder meer aangevoerd dat de mededeling in het artikel dat zij pas na de vakantie commentaar zou willen geven, onjuist is en dat het haar vrijwel onmogelijk was om op zo korte termijn een reactie te geven. Zij wijst erop dat het concept van het artikel op 25 juli 2008 om 12:01 uur per e-mail aan haar toenmalige advocaat is gestuurd, met de mededeling dat het een eerste concept betrof en voor publicatie in de week daarop op het programma stond. Het definitieve stuk werd echter al op 26 juli 2008 geplaatst. Ook hierdoor is het beginsel van wederhoor ernstig geschonden, aldus klaagster.
Verder bestrijdt klaagster dat zij is ‘weggepest’. Zij betoogt dat drs. F verweerders als reactie op het concept van 25 juli 2008 uitdrukkelijk heeft verzocht de term ‘weggepest’ te verwijderen uit het concept van het artikel. Volgens klaagster kon F niet voor of over haar verklaren dat zij was weggepest, en heeft hij dat in zijn reactie aan verweerders gemeld. In zoverre is het artikel dus niet waarheidsgetrouw.
Ook punt 1.5. van de Leidraad is volgens klaagster overtreden bij het tot stand komen van het artikel van 26 juli 2008. Opnieuw is enkele buitenstaanders en ‘opstandige’ docenten als E en B om commentaar gevraagd, maar haar noch andere docenten die hadden aangeboden informatie te verstrekken, is de ruimte geboden een reactie te geven. Tot slot is punt 2.2.5. van de Leidraad door verweerders geschonden door de voor klaagster schadelijke stellingen van E te publiceren. Volgens klaagster was er sprake van een conflictsituatie en hadden verweerders bijzondere zorgvuldigheid moeten betrachten. Dit klemde te meer nu verweerders zonder enig voorbehoud of weerwoord de verklaring van E dat klaagster “intimiderend” optrad, hebben overgenomen. De betrouwbaarheid van deze bron had niet zonder meer mogen worden aangenomen, aldus klaagster.
Het artikel van 11 juli 2008 op de website van NRC Handelsblad verhoudt zich naar de mening van klaagster evenmin met punt 1.1. van de Leidraad. Het artikel wekt de indruk dat klaagster is ontslagen, door het gebruik van het woord ‘ook’ in de zinsnede “Ook [functie] B is ontslagen”, terwijl dat niet het geval was en zulks ook niet gezegd is tijdens de bijeenkomst in de kerk op 10 juli 2008. Tot slot heeft klaagster nog aangevoerd dat het beginsel van wederhoor herhaaldelijk is geschonden en dat verweerders nooit inhoudelijk zijn ingegaan op de klacht in de onderlinge briefwisseling met de toenmalige advocaat van klaagster. Verder heeft klaagster ter zitting nog betoogd dat verweerders ten onrechte vertrouwelijke correspondentie in het dossier hebben gevoegd.
 
Verweerders betogen – eveneens kort samengevat – dat de communicatie met klaagster vanaf juli tot december 2008 via twee gescheiden sporen verliep. Zij stellen dat enerzijds de advocaat van klaagster diverse brieven en faxen heeft gestuurd waarin om een rectificatie werd gevraagd en werd gedreigd met een kort geding. Verweerders hebben diverse malen gevraagd aan te geven wat de onjuistheden in de berichtgeving waren en hebben de gelegenheid geboden een reactie voor de opiniepagina te schrijven. Op dit laatste is niet gereageerd. De onjuistheden in de artikelen zijn eerst bij brief van 1 november 2008 genoemd, waarop verweerders bij brief van 5 november 2008 hebben geantwoord. Verder is met de echtgenoot van klaagster gecorrespondeerd. Verweerders hebben hem laten weten af te zien van een inhoudelijke reactie, nu de zaak van klaagster door een advocaat behandeld wordt. Omdat enerzijds via de advocaat expliciet en anderzijds impliciet via de echtgenoot gedreigd werd met een kort geding, hebben verweerders afgezien van een informeel gesprek met klaagster.
Met betrekking tot de beschuldiging van onjuiste berichtgeving en de weigering deze te corrigeren merken verweerders op dat de kritiek van klaagster deels op een verschil in interpretatie, deels op de bronnenselectie berust. Onder de vermeende strikt feitelijke onjuistheden vallen met name citaten waarvan de inhoud wordt betwist. Verweerders betogen dat zij redelijkerwijs konden afgaan op de waarheidsgetrouwheid van de mededeling van docente E, aangezien die de redenen van haar eigen vertrek wel zou weten. De stelling van klaagster dat de verklaring van een voormalig personeelslid in het artikel zou zijn ‘gelogen’, betreft ook de inhoud van de bewering en niet de weergave ervan in de krant, aldus verweerders. De brief van C was voorafgaand aan de bijeenkomst aan de verslaggeefster gegeven. Voorafgaand aan, noch na afloop van het voorlezen van die brief is haar gemeld dat de betreffende passage niet in het openbaar zou worden of is uitgesproken. De term ‘weggepest’ in het artikel van 26 juli 2008 is volgens verweerders een letterlijk citaat van wat F heeft gezegd. In de reactie die F heeft gegeven op het concept van 25 juli 2008, is ook niet gesteld dat dit woord niet gebruikt is, maar is enkel verzocht het woord te schrappen.
Met betrekking tot het heimelijk toegang verschaffen en het zich kenbaar maken als journalist merken verweerders op dat de journaliste die op de avond aanwezig was, niet de verantwoordelijkheid droeg om na te gaan of de docenten van de school die haar hadden uitgenodigd de bijeenkomst bij te wonen, daartoe bevoegd waren. Verder heeft de journaliste zich in de gesprekken met de verschillende personen kenbaar gemaakt als journalist. Ook was een fotograaf aanwezig die openlijk en ongestoord zijn werk heeft kunnen doen, ook na vragen van aanwezigen of hij “van de pers” was.
Ten aanzien van het toepassen van wederhoor betogen verweerders dat het artikel van 11 juli niet bedoeld was om de positie van klaagster als [functie] van de school te belichten, maar om verslag te geven van de gebeurtenissen van de bijeenkomst op 10 juli 2008. Verweerders hebben ter zitting benadrukt dat bij de journalist tijdens de bijeenkomst de indruk ontstond dat het geschil zich met name richtte op het bestuur en niet zozeer op klaagster zelf. Het feit dat er een geschil was tussen bestuur en docenten, was voor de journalist de aanleiding naar de bijeenkomst te gaan. Om deze reden was het niet bezwaarlijk dat klaagster voorafgaand aan de publicatie van het verslag van de bijeenkomst in het artikel van 11 juli 2008 niet werd gehoord, aldus verweerders.
Het vervolgartikel van 26 juli 2008 was als achtergrondartikel bedoeld en stond los van het verzoek van de advocaat van klaagster kort na plaatsing van het artikel van 11 juli 2008. Volgens verweerders is de advocaat van klaagster benaderd voor een on the record gesprek. Deze gaf te kennen dat klaagster eerst ná de zomer bereid zou zijn commentaar te geven.
Een concept van het achtergrondartikel is vrijdagochtend door de auteur per mail ter kennisgeving naar de advocaat gestuurd. Daarbij is gemeld dat het stuk ‘komende week’ zou worden gepubliceerd. Het verscheen echter reeds de volgende dag. De reden voor dat tijdstip van publicatie was dat het concept door de eindredacteur evenwichtig genoeg en afdoende onderbouwd werd bevonden om te publiceren. Het commentaar van klaagster was wel wenselijk doch niet strikt noodzakelijk voor de publicatie, aldus verweerders. Aan het adres van klaagster werden geen beschuldigingen geuit van een dermate concreet, grievend of ernstig karakter dat het ontbreken van wederhoor publicatie absoluut zou verhinderen.
Verweerders hebben bij brief van 3 september 2008 aan de echtgenoot van klaagster laten weten tot een gesprek bereid te zijn. Van dat aanbod is geen gebruik gemaakt. Als klaagster bereid was geweest tot een informeel gesprek, en niet louter via de advocaat een rectificatie had geëist, hadden verweerders wellicht aanleiding gezien een derde artikel te plaatsen. Verweerders wijzen in dit verband nogmaals op de verschillende standpunten die door de echtgenoot en de advocaat van klaagster op dit punt zijn ingenomen.
Gelet op het voorgaande is naar hun mening het beginsel van wederhoor ten opzichte van klaagster ook op dit punt niet geschonden. Daarnaast menen verweerders dat het artikel van 26 juli 2008 geen eenzijdig karakter heeft. Ook medestanders van klaagster zijn aan het woord gelaten, net als haar voorganger, die de kritiek op klaagster in het perspectief plaatst van ‘een harde kern van lastige docenten’ waarmee hij ook zelf te maken had.
Verweerders stellen tot slot dat de medewerking van klaagster de berichtgeving had kunnen versterken, maar verwerpen de beschuldiging dat zij door aandacht te besteden aan het conflict klaagster schade hebben berokkend die een honorering van haar klacht zou rechtvaardigen. De klacht dient ongegrond verklaard te worden.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad heeft de klacht aldus opgevat, dat de kern ervan bestaat uit drie onderdelen:
1.         de gewraakte artikelen bevatten onjuistheden, zijn eenzijdig en tendentieus;
2.         verweerders hebben bij de totstandkoming en de publicatie van de artikelen van 11 en 26 juli 2008 het beginsel van wederhoor geschonden;
3.         verweerders hebben zich zonder toestemming toegang verschaft tot de niet openbare bijeenkomst in de Laurenskerk en hebben zich niet als journalist bekend gemaakt.
 
Ad 1.
Met betrekking tot de klacht dat de berichtgeving onjuistheden bevat, eenzijdig en tendentieus is, overweegt de Raad het volgende. Verweerders hebben met het artikel van 11 juli 2008 verslag willen doen van een bijeenkomst ter afsluiting van het schooljaar 2007-2008 van het [naam school]. Aanleiding om redactionele aandacht te besteden aan deze avond, waren berichten over bestuurlijke onrust op de school. Ter zitting is door verweerders niet bestreden dat de passage in de voorgelezen brief Er heeft zich op onze school de afgelopen jaren een conflict ontwikkeld tussen een flink deel van het personeel en de [functie]. Door gebrekkige communicatie is ons vertrouwen in haar ondermijnd. niet publiekelijk is uitgesproken. De publicatie van voormelde passage, als zijnde publiekelijk uitgesproken, in het artikel van 11 juli 2008 is derhalve niet waarheidsgetrouw. Verweerders hadden zich er van moeten en kunnen vergewissen of deze zin daadwerkelijk werd uitgesproken, omdat immers een verslaggeefster van verweerders bij de vergadering aanwezig was, te meer nu klaagster door het citaat wordt gediskwalificeerd en zij bovendien partij was in een conflict. Op dit punt is de klacht gegrond.
 
Ten aanzien van de overige door klaagster gestelde onjuistheden, zoals de reden van het vertrek van docent E, het gebruik van het woord ‘uittocht’, de verklaring van het voormalige personeelslid en de suggestie dat klaagster ontslagen zou zijn, vindt de Raad dat deze – voor zover al gesproken kan worden van onjuistheden – niet van dien aard zijn dat verweerders hiermee grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
De stelling van verweerders dat geen sprake is van tendentieuze berichtgeving met betrekking tot klaagster en dat niet beoogd was haar in een negatief daglicht te stellen, omdat het artikel van 11 juli 2008 slechts een algemeen verslag was van de bijeenkomst op de avond daarvoor en betrekking had op een conflict tussen het bestuur en de docenten, volgt de Raad niet. In de inleiding van het artikel wordt immers uitdrukkelijk gesteld dat de docenten ruziën met het bestuur én met de [functie]. In het artikel zelf wordt verder de vermelde passage uit de brief van docent C aangehaald, en wordt aandacht besteed aan het conflict tussen docent E en klaagster. Daarnaast is de mening van C, dat het nooit heeft geklikt tussen de docenten en de [functie], weergegeven. Hiermee was het voor de lezer duidelijk dat het artikel niet louter over een conflict tussen het schoolbestuur en docenten ging, maar ook handelde over klaagster persoonlijk. Klaagster is evenwel op geen enkele wijze hierover aan het woord gekomen. Verweerders hebben aldus onzorgvuldig jegens klaagster gehandeld en een eenzijdig beeld van de situatie geschetst. De klacht is op dit punt eveneens gegrond.
 
Ad 2.
Hierboven heeft de Raad reeds geoordeeld dat ten aanzien van het artikel van 11 juli 2008 wederhoor bij klaagster voorafgaand aan de publicatie geboden was. Met betrekking tot het toepassen van wederhoor voorafgaand aan de publicatie van het artikel van 26 juli 2008, overweegt de Raad als volgt. Het standpunt van verweerders dat het commentaar van klaagster op het artikel van 26 juli 2008 niet noodzakelijk was, deelt de Raad niet. Dit achtergrondartikel was minder evenwichtig dan verweerders doen voorkomen, zeker in het licht van de eerdere publicatie van 11 juli. Alhoewel er ook medestanders van klaagster aan het woord gelaten worden, krijgt E wederom de ruimte om zich beschuldigend over klaagster uit te laten; alle reden om klaagster in dit artikel aan het woord te laten komen. Verder hebben verweerders klaagster – via haar advocaat – op vrijdagmiddag 25 juli 2008 in de gelegenheid gesteld een reactie op het concept te geven. Verweerders betogen dat dit concept enkel ter kennisneming aan klaagster is gestuurd. Dit laatste acht de Raad onwaarschijnlijk. In het schriftelijk verweer wijst de hoofdredactie juist op herhaalde pogingen die de redactie na de publicatie van het eerste artikel zou hebben ondernomen om alsnog wederhoor te verkrijgen. Klaagster is er begrijpelijkerwijs van uitgegaan dat haar de kans werd geboden inhoudelijk te reageren op het concept-artikel. Gelet op de inhoud van de klacht en hetgeen ter zitting is besproken, acht de Raad het aannemelijk dat zij voornemens was van deze mogelijkheid gebruik te maken. Door het artikel al in de ochtendeditie van 26 juli te plaatsen hebben zij klaagster onvoldoende gelegenheid gegeven om te reageren. Hiermee hebben verweerders wederom het beginsel van wederhoor (punt 2.3.1. van de Leidraad) geschonden.
 
Ad 3.
Voor het oordeel dat verweerders zich heimelijk toegang hebben verschaft tot de bijeenkomst en zich ten onrechte niet als journalist kenbaar hebben gemaakt, ziet de Raad onvoldoende grond. De verslaggeefster is blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting op uitnodiging van docenten naar de bijeenkomst gekomen. Naar het oordeel van de Raad behoefde zij redelijkerwijs niet te veronderstellen dat deze uitnodiging onbevoegd gedaan is. De Raad betrekt daarbij de omstandigheid dat de verslaggeefster en de fotograaf duidelijk waarneembaar hun werkzaamheden verrichtten en dat daartegen geen actie werd ondernomen. Verder is door verweerders gesteld dat de verslaggeefster zich heeft geïdentificeerd tegenover degenen die zij interviewde. Dit is door klaagster niet gemotiveerd bestreden. Dit onderdeel van de klacht is daarom ongegrond.

BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op de schending van het beginsel van wederhoor en het eenzijdige, niet waarheidsgetrouwe karakter van de berichtgeving. De klacht is ongegrond voor zover deze is gericht op het zich heimelijk toegang verschaffen tot de bijeenkomst.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 1 mei 2009 door mr. Th. Groeneveld, drs. C.M. Buijs, mw. drs. P.C.J. van Schaveren, mr. A.H. Schmeink en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.