2009/27 deels gegrond niet-ontvankelijk onthouding oordeel

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
J. van den Dongen, B. Olmer en de hoofdredacteur van De Telegraaf
 
Bij drie onderscheiden brieven van 27 februari 2009 met elk één bijlage heeft mr. M. Mos, advocaat te Utrecht, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen J. van den Dongen, B. Olmer en de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerders). De brieven zijn door de Raad ontvangen op 2 maart 2009. Vervolgens heeft de secretaris van de Raad klager bij brief van 3 maart 2009 verzocht nog gemotiveerd aan te geven waarom hij zich niet binnen de termijn van zes maanden na de publicaties van 29 augustus 2008 tot de Raad heeft gewend. Klager heeft niet op deze brief gereageerd. Bij e-mailbericht van 9 maart 2009 heeft A. Reekers namens verweerders laten weten niet inhoudelijk op de klacht te zullen reageren.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 maart 2009. Namens klager is daar voornoemde mr. Mos verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 29 augustus 2008 is in De Telegraaf een artikel verschenen van de hand van J. van den Dongen en B. Olmer onder de kop “Wie stopt X?” met het chapeau “Spoor van afgeperste slachtoffers, maar justitie laat Turk nog ongemoeid”. De intro van dit artikel luidt:
“Pas op voor deze man! Zijn naam is X. Zijn specialiteit: afpersen. Dat zegt althans een stoet slachtoffers met wie deze krant heeft gesproken. Hun leven is een hel geworden. Sidderend van angst wachten zij tot de Turk, die hen stalkt met huiveringwekkende dreigberichtjes, hen komt ‘kapotschieten met een machinegeweer’, zoals hij voortdurend zegt. ,,De politie laat hem gewoon zijn gang gaan”, zeggen ze.”
Bij het artikel is een foto van klager geplaatst, voorzien van een zwarte balk voor de ogen. In het artikel komen verder de volgende passages voor:
“De gewraakte X wordt in Turkije vervolgd voor de ontvoering van een Nederlandse jongen.”
en
“(...) een fors strafblad heeft en X niet minder berucht is.”
en
“,,Er zijn verhalen dat twee voormalige medewerkers van X onder dubieuze omstandigheden om het leven zijn gekomen. (…)””
en
“,,(…) Die man heeft een eredoctoraat in manipuleren en psychologische spelletjes. Hij is ‘Krank im Kopf’. (…)””
Het artikel eindigt met de volgende reactie van klager:
“X ontkent bij hoog en laag dat hij bedreigingen uit. ,,Ik bedreig niet, ik doe. Waar ik recht op heb, dat krijg ik. (...) Ik ben geen afperser van beroep. Mijn beroep is rondlopen en momenten pakken. Ik leef van water en lucht. Ik bemiddel tussen mensen als ze er niet uitkomen” (...) Hij bevestigt ook dat justitie in Turkije nog een appeltje met hem te schillen heeft. (....) Even zelfverzekerd ziet X een Nederlands politieonderzoek tegemoet. “Als de politie of justitie mij nodig heeft, sta ik voor ze klaar.”
 
Het artikel is diezelfde dag tevens op de website www.telegraaf.nl geplaatst, zij het dat de kop is veranderd in “Pas op voor deze man!” en onder weglating van het chapeau en de foto.
 
Vervolgens is op 10 oktober 2008 op de website www.telegraaf.nl een artikel geplaatst met de kop “Angst voor opgepakte X nog altijd groot”. Bij het artikel is opnieuw de foto van klager geplaatst, voorzien van een zwarte balk voor de ogen. Het artikel heeft als intro:
“De vrees voor de afpersers X (36) en Y (50) is dusdanig groot in Groningen en Drenthe, dat de politie ondergedoken slachtoffers publiekelijk oproept om aangifte te doen.”
Het artikel meldt, voor zover hier van belang, het volgende:
“Het illustere duo, kort voor hun arrestatie uitvoerig geportretteerd in deze krant, leidde een afpersersbende van minstens zes verdachten die onlangs werd opgerold. De bende runde een soort freelancebureau voor afpersingsklussen. Het illegale incassobureau kon worden ingehuurd door andere criminelen. De Turkse afperser en zijn adjudant Y (…) maakten ook zelf willekeurig slachtoffers, die ze geleidelijk aan steeds banger maakten.”
en
“Ook joegen ze hun prooien angst aan met dreigtelefoontjes, intimiderende bezoekjes, rake klappen en bedreigingen met vuurwapens.”
en
“Zelfs als hun bange slachtoffers onder druk van de terreur hadden betaald, bleven de verdachten hen uitknijpen. Het geld hadden ze nodig om hun luxeleven en hun gokverslaving te bekostigen.”
en
“De zaak kwam onder de aandacht door een reportage eerder dit jaar in De Telegraaf over X, die in Turkije een Nederlander zou hebben ontvoerd. Toen ook in Groningen en Drenthe aangiften binnenkwamen tegen de Turk, nam de Groningse recherche de man op de korrel.”
Onder dit bericht zijn diverse reacties van lezers geplaatst.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Ten aanzien van zijn ontvankelijkheid in zijn klachten tegen de publicaties van 29 augustus 2008 stelt klager allereerst dat hij zijn klachten op vrijdag 27 februari 2009 per gewone post heeft verstuurd en dat deze op tijd door de Raad zouden moeten zijn ontvangen. Bovendien is in het artikel van 10 oktober 2008 naar de eerdere publicaties verwezen, aldus klager.
Verder stelt hij dat er op het moment een strafrechtelijk onderzoek naar hem loopt. Het is dit soort berichtgeving geweest, dat ervoor heeft gezorgd dat het Openbaar Ministerie onder druk van de publieke opinie tot een gerechtelijk vooronderzoek is overgegaan. Het waarheidsgehalte van de geuite beschuldigingen laat volgens klager te wensen over. Door dit soort artikelen wordt hij in de publieke opinie veroordeeld. Klager ontkent dat hij iets strafbaars heeft gedaan.
De gewraakte publicaties plaatsen alle beweringen of het de waarheid is. Daarmee wordt de waarheid geweld aangedaan. Daarnaast scheppen de artikelen het beeld dat klager een zware crimineel is, die niet kan worden vertrouwd. Hierdoor wordt het imago van klager ernstig aangetast. Ook na zijn vrijlating zal hij nog lange tijd de schade hiervan moeten dragen, ook al zou hij worden vrijgesproken.
Klager meent verder dat de vermelding dat hij van Turkse afkomst is, tendentieus,  overbodig en onnodig is. Die vermelding werkt bovendien het vooroordeel in de hand dat alle Turken crimineel zijn, aldus klager.
Voorts stelt hij dat zijn privacy onevenredig is aangetast door het plaatsen van de foto's bij het krantenartikel van 29 augustus 2008 en de publicatie van 10 oktober 2008.
Klager concludeert dat de artikelen en reacties op de website nooit op deze wijze gepubliceerd hadden mogen worden. De publicaties bevatten feitelijke onjuistheden en er is sprake van een ongeoorloofde inbreuk op zijn privacy. Bovendien is het principe van hoor en wederhoor losgelaten, ondanks dat er alle reden bestond om dat principe wel toe te passen.
Ter zitting heeft mr. Mos hieraan nog toegevoegd dat een van de in de publicaties genoemde bronnen klager in de arm heeft genomen als incasseerder. Een andere bron is medeverdachte. Deze heeft er alle belang bij klager in een kwaad daglicht te stellen en probeert alle schuld op klager af te wentelen. Desgevraagd erkent mr. Mos dat klager momenteel in hechtenis zit, omdat hij wordt verdacht van het plegen van strafbare feiten als waarover in de gewraakte artikelen is bericht. Het is mr. Mos onduidelijk waar het weerwoord van klager, zoals weergegeven in de publicaties van 29 augustus 2008, vandaan komt.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEIDvoor zover de klachten zijn gericht tegen de publicaties van 29 augustus 2008
 
Artikel 2a van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek luidt:
1.      Een klaagschrift moet worden ingediend binnen 6 maanden nadat de journalistieke gedraging, waartegen de klacht is gericht, heeft plaatsgevonden.
2.      Een klaagschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn door het secretariaat van de Raad voor de Journalistiek is ontvangen.  
3.      Indien een klaagschrift niet tijdig is ingediend, is de klager in zijn klacht niet-ontvankelijk.
4.      Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend klaagschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de klager in verzuim is geweest.
 
De klaagschriften zijn op maandag 2 maart 2009 door de Raad ontvangen en zijn derhalve niet binnen zes maanden na de gewraakte publicaties van 29 augustus 2008 bij de Raad binnengekomen.
 
Klager heeft geen omstandigheden aangevoerd die zouden kunnen worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maken. Voorts heeft klager onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het hem redelijkerwijs niet kan worden tegengeworpen dat hij de klacht niet binnen de termijn heeft ingediend c.q. namens hem heeft laten indienen.
 
Klager moet dan ook in zijn klachten met betrekking tot de publicaties van 29 augustus 2008 niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat vervolgens opnieuw een artikel over klager is verschenen waartegen hij bezwaar maakt, doet daaraan niet af. (vgl. onder meer: RvdJ 2008/22)
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT voor zover deze is gericht tegen de publicatie van 10 oktober 2008
 
Deze klacht bevat de volgende onderdelen:
  1. er is ten onrechte geen wederhoor toegepast;
  2. de privacy van klager is ongerechtvaardigd aangetast;
  3. het vermelden van de nationaliteit van klager is journalistiek onzorgvuldig;
  4. het artikel bevat onjuistheden en is tendentieus.
 
Ad 1.
Bij het publiceren van beschuldigingen onderzoekt de journalist of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad)
 
Zoals hierboven onder ‘De Feiten’ is weergegeven, is in de publicaties van 29 augustus 2008 een reactie van klager opgenomen, waarin deze de jegens hem geuite beschuldigingen betwist. De raadsman van klager heeft ter zitting meegedeeld, dat hem niet bekend is op welke wijze het wederhoor is verkregen, maar heeft de juistheid van de citaten niet bestreden.
 
In de publicatie van 10 oktober 2008 is weliswaar vermeld dat ‘het illustere duo, kort voor hun arrestatie uitvoerig (is) geportretteerd in deze krant’. Gelet op het tijdsverloop tussen de publicaties – zes weken – is zulks echter onvoldoende voor de conclusie dat met de eerder weergegeven reactie van klager is voldaan aan de verplichting tot wederhoor met betrekking tot het artikel van 10 oktober 2008. Verweerders hadden hetzij klager nogmaals in de gelegenheid moeten stellen een reactie te geven dan wel op zijn minst klagers eerder gegeven reactie expliciet in de publicatie van 10 oktober 2008 moeten opnemen. Door dit na te laten hebben verweerders op dit punt de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond.
 
Ad 2.
De Raad overweegt dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie.
Bovendien dient een journalist te voorkomen dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. Aan deze regel is de journalist niet gehouden wanneer bijvoorbeeld de naam een wezenlijk bestanddeel van de berichtgeving is en/of door het niet vermelden van de naam verwarring kan ontstaan met anderen die hierdoor voorzienbaar kunnen worden geschaad. (zie punten 2.4.1. en 2.4.5. van de Leidraad)
Dat de identiteit van de betrokkene door een publicatie bekend wordt, maakt de publicatie evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privé-leven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een belangenafweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijke belang anderzijds. (vgl. onder meer: RvdJ 2009/14)
 
De wijze waarop klager in het artikel is aangeduid – met de vermelding van zijn voornaam en de initiaal van zijn achternaam – en de wijze waarop zijn portret is afgebeeld – met een balkje over de ogen – zijn in het kader van berichtgeving over strafzaken journalistiek gebruikelijk en niet ontoelaatbaar. In het algemeen kan daarmee worden voorkomen dat een betrokkene eenvoudig kan worden geïdentificeerd. (vgl. RvdJ 2006/82)
 
De Raad acht het niet aannemelijk dat klager zal worden herkend als de hoofdpersoon van het artikel ‘door een ieder die hem na het lezen van het artikel op straat tegenkomt’, zoals klager heeft gesteld. Naar het oordeel van de Raad is derhalve geen sprake van een disproportionele aantasting van klagers privacy en is dit onderdeel van de klacht ongegrond.
 
Ad 3.
De journalist meldt de etnische afkomst, nationaliteit, ras, religie en seksuele geaardheid van groepen en personen alleen wanneer dit nodig blijkt voor de context van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. (zie punt 1.6. van de Leidraad)
 
In het artikel van 10 oktober 2008 is tweemaal de nationaliteit van klager vermeld te weten in de passages “De Turkse afperser en zijn adjudant Y (...) maakten ook zelf willekeurig slachtoffers (...).” en “De zaak kwam onder de aandacht door een reportage eerder dit jaar in De Telegraaf over X, die in Turkije een Nederlander zou hebben ontvoerd. Toen ook in Groningen en Drenthe aangiften binnenkwamen tegen de Turk, nam de Groningse recherche de man op de korrel.”
Gelet op de verwijzing naar de vermeende ontvoering in Turkije kan de vermelding van de nationaliteit van klager journalistiek relevant worden geacht. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerders daarvan onder die omstandigheden geen melding mochten maken. De vermelding gaat voorts niet verder dan passend in de totale berichtgeving over de gebeurtenis. Verweerders hebben daarmee geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. RvdJ 2003/24) Ook dit onderdeel van de klacht is derhalve ongegrond.
 
Ad 4.
Klager heeft gesteld dat het artikel van 10 oktober 2008 diverse onjuistheden bevat en tendentieus is. Volgens klager zou het waarheidsgehalte van de geuite beschuldigingen te wensen overlaten en zou ten onrechte het beeld zijn gecreëerd dat klager een zware crimineel is, die niet kan worden vertrouwd. In dit verband heeft klager voorts gesteld dat naar aanleiding van dit soort berichtgeving het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek naar klager is gestart. De Raad kan echter niet vaststellen of de standpunten van klager ter zake juist zijn. De vraag om welke reden het Openbaar Ministerie is overgegaan tot een onderzoek, onttrekt zich aan het oordeel van de Raad. Voorts neemt de Raad mede in aanmerking dat de strafzaak tegen klager nog niet is afgerond. De Raad onthoudt zich daarom van een oordeel over dit onderdeel van de klacht.
 

BESLISSING
 
Klager is niet-ontvankelijk in zijn klachten tegen de publicaties van 29 augustus 2008.
Voor zover de klacht is gericht tegen de publicatie van 10 oktober 2008 is deze:
-         gegrond voor zover deze ziet op het niet toepassen van hoor en wederhoor;
-         ongegrond voor zover deze ziet op schending van de privacy en het vermelden van de nationaliteit.
De Raad onthoudt zich van een oordeel met betrekking tot de klacht dat het artikel van 10 oktober 2008 onjuistheden bevat en tendentieus is.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 24 april 2009 door mr. A. Herstel, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. F.W. Dresselhuys, drs. G.T.M. Driehuis en T.R. Harkema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.