2009/25 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
A. Stegeman (Noordkaap TV Producties B.V.)
 
Bij brief van 2 februari 2009 heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen A. Stegeman (Noordkaap TV Producties B.V.) (hierna: verweerder). Bij brief van 5 maart 2009 heeft klager nog een bijlage overgelegd. Stegeman heeft op de klacht geantwoord in een brief met bijlage die door de Raad is ontvangen op 6 maart 2009. Ten slotte heeft klager nog een bijlage overgelegd bij e-mail van 9 maart 2009.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 maart 2009. Klager is daar verschenen, vergezeld door zijn dochter en mevrouw Y. Klager en zijn dochter hebben hun standpunten aan de hand van pleitnotities toegelicht. Verweerder was eveneens aanwezig.
 
DE FEITEN
 
Op 4 januari 2009 heeft SBS6 een aflevering van het door verweerder geproduceerde televisieprogramma ‘Undercover in Nederland’ uitgezonden (hierna: de uitzending). Daarin is onder meer aandacht besteed aan hulpverleners die via internet (gratis) zorg aanbieden aan ouders en kinderen met problemen, zonder dat hun werk op enigerlei wijze wordt gecontroleerd. In dat verband zijn delen van telefoongesprekken en e-mailcorrespondentie tussen klager en een fictief meisje (‘Iris’) weergegeven en is een gesprek tussen klager en Stegeman uitgezonden.
Verder is een interview metJ.D. Sprokkereef, voorzitter branchecommissie Bureaus Jeugdzorg, getoond en zijn beelden uitgezonden van een gesprek met de beheerder van de website www.gratisadviseurs.nl.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij in de uitzending ten onrechte is neergezet als een veroordeelde pedofiel, die in het bezit zou zijn van kinderporno. Volgens klager is de uitzending niet waarheidsgetrouw. Hij wijst erop dat door verweerder niet is uitgezocht of hij echt arts is en waarom hij op stap was met zijn camper. Bovendien heeft verweerder beelden gemanipuleerd, aldus klager. Hij betoogt dat verweerder aldus heeft gehandeld in strijd met punt 1.1. van de Leidraad van de Raad.
Voorts stelt klager dat, in strijd met punt 1.3. van de Leidraad, geen dan wel een onvoldoende belangenafweging heeft plaatsgevonden, waardoor het imago van klager op ernstige wijze is geschaad. Klager is de enige in Nederland bij wie ouders terecht kunnen voor gratis en deskundig advies voor onder meer de juridische strijd tegen de Kinderbescherming, Bureau Jeugdzorg en verwante instanties. Met het in de uitzending neerzetten van klager als veroordeelde pedofiel is geen belang gediend.
Verder betoogt klager dat verweerder door onvoldoende onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen te maken in strijd met punt 1.4. van de Leidraad heeft gehandeld. In de uitzending wordt ten onrechte als feit gebracht dat klager er als hulpverlener schandalige praktijken op na zou houden. Hij wijst erop dat hij nooit contact met kinderen heeft, geen intakegesprekken doet en nimmer in het bezit van kinderporno is geweest.
Bovendien meent klager dat verweerder in strijd met punt 2.1.2. van de Leidraad een niet bestaand meisje heeft gecreëerd (‘Iris’) met de bedoeling hem uit te lokken tot seks met een minderjarige. Van een hulpzoekend meisje was dus geen sprake. Vanaf 14 juli 2008 was klager bekend met het feit dat Iris niet bestond en heeft hij het spel meegespeeld als ‘pedofiel’. Dit blijkt volgens klager onder meer uit e-mailcorrespondentie die hij ter zake heeft gevoerd. Ten onrechte is dit incident gebruikt om klager een slechte naam te geven.
Verder heeft verweerder gebruik gemaakt van verborgen opnameapparatuur, delen van telefoongesprekken tussen klager en ‘Iris’ weergegeven en beelden van zijn webcamera uitgezonden, zonder dat hij daarvoor toestemming heeft gegeven. Dit had echter inhoudelijk voor de uitzending geen enkele waarde. Het heeft daarentegen ernstige schade aan klager en zijn dochter toegebracht. Verweerder heeft daarmee gehandeld in strijd met de punten 2.1.5., 2.1.6. en 2.1.7. van de Leidraad, aldus klager.
Klager stelt vervolgens dat verweerder in strijd met punt 2.2.1. van de Leidraad zijn bronnen niet bekend heeft gemaakt en de betrouwbaarheid van deze bronnen onvoldoende heeft onderzocht.
Voorts stelt klager dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de punten 2.2.4. en 2.2.5. van de Leidraad. Verweerder heeft verzuimd te vermelden dat het gaat om geruchten over klager. De publicatie van die geruchten, waardoor klager is neergezet als een veroordeelde kindermisbruiker, dient geen enkel maatschappelijk doel. Daarbij acht klager van belang dat de beschuldigingen afkomstig zijn van een tipgever die destijds met hem in conflict was.
Hij stelt daarna dat verweerder het principe van hoor en wederhoor onvoldoende heeft geëerbiedigd en niet de juiste zorgvuldigheid heeft betracht bij de beschuldigende aard van de rapportage. Hij is zonder enige vorm van wederhoor dan wel nader onderzoek neergezet als pedofiel en hulpverlener die naakt intakegesprekken met hulpzoekende meisjes voert. Volgens klager is dit niet in overeenstemming met de punten 2.3.1. en 2.3.2. van de Leidraad.
Verder wijst klager erop dat in strijd met de punten 2.4.1., 2.4.2. en 2.4.5. van de Leidraad zijn privacy onevenredig is aangetast. Hoewel zijn naam niet is genoemd, was zijn herkenbaarheid zodanig dat hij reeds twee dagen voor de bewuste uitzending werd bedreigd. Zo werd in de uitzending getoond dat hij op de website www.gratisadviseurs.nl als drs./arts staat vermeld. Bovendien zijn beelden getoond van een op YouTube verschenen interview met klager. Daarbij heeft verweerder geen rekening gehouden met de omstandigheid dat klager op het gebied van ‘klachten tegen Bureau Jeugdzorg’ een vrij uniek persoon is, zodat extra bescherming van zijn privacy geboden was.
Ten slotte zijn – aldus klager – beelden gebruikt die zijn opgenomen in niet-algemeen toegankelijke ruimten, zonder dat daarvoor door betrokkenen toestemming is verleend, hetgeen in strijd is met punt 2.4.3. van de Leidraad. Zo zijn, zoals reeds genoemd, beelden gebruikt van de webcamera van klager.
 
Verweerder stelt dat klager zich ten aanzien van ‘Iris’ wel degelijk als hulpverlener presenteerde. Klager heeft zelf aangegeven dat hij contact heeft met minderjarigen en dit heeft hij ook aan ‘Iris’ te kennen gegeven. Hij heeft verschillende keren er op aangedrongen om ‘Iris’ te ontmoeten. Volgens verweerder wist klager eerst na de confrontatie met verweerder op 3 september 2008 dat ‘Iris’ niet bestond. Tijdens dat gesprek heeft verweerder wederhoor toegepast bij klager. Bij die gelegenheid heeft klager op geen enkele wijze te kennen gegeven dat hij ‘het spel zou meespelen’. Integendeel: klager heeft in dat gesprek zijn werkwijze toegegeven en aan verweerder verzocht ‘genadig’ om te springen met de beelden.
Voorts wijst verweerder erop dat de naam van klager ter bescherming van zijn identiteit is vervangen door ‘hulpverlener’ en dat in de uitzending nimmer is gesuggereerd dat klager een veroordeelde pedofiel is dan wel dat hij in het bezit zou zijn van kinderporno. Verweerder heeft de grootst mogelijke zorgvuldigheid betracht de privacy van klager te beschermen; de naam en de woonplaats van klager zijn niet genoemd, hij is onherkenbaar gemaakt, zijn stem is vervormd en de beelden van de camper en het huis van klager zijn onherkenbaar gemaakt door ‘wipes’. Door eigen toedoen van klager is zijn identiteit uitgelekt. Hij heeft op de avond van de uitzending zelf de media gezocht door op zijn hyves een reactie te geven. Daarop hebben andere media hem geciteerd en is zijn identiteit alsnog bekend geworden.
Verder is niet gepoogd om een incident uit te lokken, maar is het de bedoeling geweest om de werkwijze van deze hulpverlener tegen het licht te houden.
Bovendien was sprake van verschillende anonieme bronnen met waarschuwingen over de werkwijze van klager. Met name diens openlijke voorkeur voor naakt en zijn ‘vrije ideeën’ daarin waren voor verweerder aanleiding het onderzoek te starten naar de praktijken van klager. De uitzending is derhalve op eigen onderzoek gebaseerd, waarbij ervoor is gekozen het verleden van klager buiten beschouwing te laten. De rapportage over klager is nooit op onzekere feiten gebaseerd. De werkwijze van klager is ook voorgelegd aan Bureau Jeugdzorg, die klagers werkwijze in harde bewoordingen afkeurt.
Ten slotte wijst verweerder erop dat in de uitzending wordt gewaarschuwd voor de handelwijze van klager. Via websites als www.gratisadviseurs.nl en www.meldpuntjeugdzorg.nl kunnen hulpzoekenden met hem in contact komen. De uitzending had derhalve maatschappelijke nieuwswaarde en noodzakelijkheid, aldus verweerder. Verder waren de getoonde beelden van de webcamera, gelet op hun aard, van onmisbaar belang voor de uitzending.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bestaat, samengevat weergegeven, uit de volgende onderdelen:
  1. verweerder heeft ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van klager geuit, zonder klager voldoende gelegenheid tot wederhoor te bieden;
  2. de privacy van klager is ongerechtvaardigd aangetast;
  3. verweerder heeft op onzorgvuldige wijze materiaal vergaard en dit materiaal uitgezonden;
  4. verweerder heeft ten behoeve van de uitzending een incident uitgelokt met klager.
Ad 1.
De Raad stelt voorop dat een journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. De journalist behoeft echter geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 
Anders dan klager heeft betoogd, is in de uitzending niet gesuggereerd dat klager een veroordeelde pedofiel is dan wel dat hij in het bezit zou zijn van kinderporno. Van onjuiste berichtgeving ter zake is derhalve geen sprake.
 
Wel is in de uitzending aandacht besteed aan de handelwijze van klager als hulpverlener. Daarbij is aan de orde gesteld dat klager gesprekken voert met een minderjarige hulpzoekende waarbij hij naakt voor zijn webcamera zit en dat hij heeft aangedrongen op een persoonlijke ontmoeting met die minderjarige.
In dat verband overweegt de Raad dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de mogelijke betrokkenheid van klager bij onoorbare praktijken. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
 
Het voorgaande neemt niet weg dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan. Bij het publiceren van beschuldigingen dient hij te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
 
Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitzending is gebaseerd op eigen onderzoek, dat hij naar aanleiding van waarschuwingen van anonieme bronnen heeft verricht. Hij heeft bovendien op 3 september 2008, voorafgaand aan de uitzending, contact met klager gehad en deze daarbij geconfronteerd met de door hem verkregen informatie. De reactie van klager is ook in de uitzending verwerkt. Aldus bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder op dit punt journalistiek ontoelaatbaar heeft gehandeld.
 
Ad 2.
De journalist zal de privacy van personen niet verder aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie. (zie punt 2.4.1. van de Leidraad)
 
Dat de identiteit van een betrokkene door een publicatie bekend wordt, maakt die publicatie evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privéleven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijk belang anderzijds. (vgl. onder meer RvdJ 2009/14)
 
In de uitzending is klager aangeduid als ‘hulpverlener’. Zijn naam en woonplaats zijn niet vermeld, hij is niet herkenbaar in beeld gebracht, zijn stem is vervormd en de beelden van zijn camper en woning zijn onherkenbaar gemaakt door zogeheten ‘wipes’.

De Raad acht het dan ook niet aannemelijk dat klager, door de wijze waarop hij in beeld is gebracht, voor het grote publiek herkenbaar is.
 
Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 1. is overwogen ten aanzien van de maatschappelijke relevantie van de uitzending, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder het belang van klager bij de bescherming van zijn privacy onvoldoende heeft afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend.
 
Aldus kan niet worden geconcludeerd dat klagers privacy door de uitzending disproportioneel is geschaad. Dat klager wellicht door een beperkte groep uit zijn directe omgeving in de uitzending is herkend, kan daaraan niet afdoen.
 
Ad 3.
Klager heeft gesteld dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door delen van telefoongesprekken tussen klager en ‘Iris’ uit te zenden, beelden te gebruiken die met verborgen opname-apparatuur zijn opgenomen en beelden van zijn webcamera uit te zenden.
 
De journalist die een telefoongesprek opneemt teneinde (delen van) die opname uit te zenden of te publiceren, stelt zijn gesprekspartner ervan op de hoogte dat, en met welk doel, hij die opname maakt. (zie punt 2.1.6. van de Leidraad)
Bovendien zendt de journalist geen beelden uit die zijn gemaakt van personen in niet-algemeen toegankelijke ruimten zonder hun toestemming. (zie punt 2.4.3. van de Leidraad)
De journalist kan echter van deze normen afwijken als een gewichtig maatschappelijk belang dit rechtvaardigt en hetzelfde doel op geen andere manier bereikt kan worden. (zie de inleiding van de Leidraad)
 
In punt 2.1.5. van de Leidraad is voorts bepaald dat het gebruik van verborgen opname-apparatuur in beginsel niet toelaatbaar is. Van deze norm kan de journalist alleen afwijken als hem geen andere weg open staat om een ernstige misstand aan het licht te brengen of een zaak van maatschappelijk belang scherper te belichten, mits de werkwijze geen onevenredige inbreuk maakt op de privacy en de veiligheid van betrokkenen.
 
Verweerder heeft met de uitzending kennelijk beoogd de kijker te informeren omtrent vermeende misstanden in (gratis) hulpverlening die op internet wordt aangeboden. De Raad acht het aannemelijk dat verweerder zonder toepassing van de gevolgde werkwijze niet aan het licht had kunnen brengen of bedoelde misstand al dan niet bestaat.
 
Dat neemt niet weg dat bij uitzending van het materiaal dat op deze basis is verkregen, zeer zorgvuldig te werk dient te worden gegaan. Voordat tot openbaarmaking wordt besloten, moeten degenen die daarvoor journalistiek verantwoordelijk zijn, een zorgvuldige afweging maken tussen het belang van vrijheid van meningsuiting en het recht op privacy. Een besluit om gebruik te maken van verborgen opname-apparatuur en de opnamen vervolgens uit te zenden is slechts voldoende verantwoord, als de belangen die daarbij gediend zijn in ruime mate opwegen tegen de inbreuk die door de opnamen wordt gemaakt op rechten en rechtmatige belangen van de betrokkenen.
 
Zoals de Raad reeds hiervoor onder 2. heeft overwogen, is klagers naam niet vermeld en is zijn stem vervormd. Voorts zijn de uitgezonden beelden grotendeels onscherp en is klager niet herkenbaar in beeld gebracht. Bovendien heeft verweerder klager geconfronteerd met het verzamelde materiaal en hem in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.
 
Al deze omstandigheden in aanmerking genomen, bestaat dan ook geen grond voor de conclusie dat verweerder met het uitzenden van deze telefoongesprekken en beelden journalistiek onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld.
 
Ad 4.
Klager heeft gesteld dat de gedraging van verweerder in strijd is met punt 2.1.2. van de Leidraad, waarin is bepaald dat de journalist geen incidenten uitlokt met de kennelijke bedoeling nieuws te creëren.
 
Verweerder heeft naar aanleiding van waarschuwingen van verschillende bronnen eigen onderzoek verricht naar de handelwijze van klager. Om zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld te kunnen vormen van dit – reeds aanwezige – nieuwsfeit, heeft verweerder via de zogenaamd hulpzoekende ‘Iris’ contact gelegd met klager in zijn rol als hulpverlener. Aldus kan niet worden geconcludeerd dat verweerder met zijn handelwijze een incident heeft uitgelokt met de kennelijke bedoeling nieuws te creëren.
 
Voor zover juist zou zijn dat klager – naar hij heeft gesteld – reeds vanaf 14 juli 2008 bekend was met het feit dat ‘Iris’ niet bestond, heeft hij er kennelijk zelf voor gekozen ‘het spel mee te spelen’.
 
Conclusie
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Undercover in Nederland’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 17 april 2009 door mr. A. Herstel, voorzitter, mr. T.E. Klein, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. E.H.C. Salomons, mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.