2009/22 ongegrond niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
1.       X en Y
2.       de Stichting Downsyndroom
 
tegen
 
P. Middendorp en de hoofdredacteur van Dagblad De Pers
 
Bij brief van 5 februari 2009 met een bijlage hebben X en Y te Den Haag (hierna: klagers sub 1.) een klacht ingediend tegen P. Middendorp en de hoofdredacteur van Dagblad De Pers (hierna: verweerders). In een brief van 11 februari 2009 hebben vervolgens R. Borstlap, kinderarts n.p., en M. van Oudenallen, medewerker Early Intervention, namens de Stichting Downsyndroom te Meppel (hierna: klaagster sub 2.) meegedeeld dat deze stichting als mede-klaagster wenst op te treden.
Namens verweerders heeft J.-J. Heij, hoofdredacteur, op de klacht geantwoord in een e-mail van 18 februari 2009. Ten slotte hebben klagers sub 1. bij e-mailberichten van 2, 4, 5 en 10 maart 2009 nadere stukken overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 maart 2009. Namens klagers zijn daar X, mr. M.J. Slooff, secretaris bestuur Stichting Downsyndroom, en R. Goor, hoofdredacteur van het tijdschrift ‘Down+Up’, verschenen. Aan de zijde van verweerders waren voornoemde Middendorp en R. Spierdijk, medewerker Dagblad De Pers, aanwezig. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities.
 
DE FEITEN
 
Op 21 januari 2009 is in Dagblad De Pers en op www.depers.nl een column van de hand van Middendorp verschenen onder de kop “GeenStijl”. De column bevat de volgende, thans van belang zijnde, passage:
“De laatste internetverkiezing die GeenStijl probeerde te kapen, was die voor het Tv-moment van het Jaar. Ook Rutger was genomineerd en de lezers van GeenStijl hadden voldaan aan de oproep allemaal op hem te stemmen. Het plan mislukte, iemand anders won: Paul de Leeuw die achterna werd gezeten door een mongool.
Nu heb ik niets tegen mongolen - of eigenlijk wel, waarom ook voorzichtig zijn, ze lezen toch niet mee - een heel boeiend tv-moment vond ik het niet.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klagers sub 1. stellen dat de column in strijd is met de journalistieke zorgvuldigheid, nu deze kwetsend en beledigend is voor mensen met Downsyndroom. Volgens klagers is de term ‘mongool’ een scheldwoord, waarmee verweerders rechtstreeks de in de column bedoelde persoon en indirect ook alle andere mensen met Downsyndroom beledigen. Hoewel in een column mag worden overdreven en in beginsel mag worden gescholden, is het uitschelden van mensen met Downsyndroom onnodig kwetsend en beledigend, aldus klagers. Zij menen dat verweerders ervan op de hoogte hadden moeten zijn dat reeds sinds vijftien jaren over ‘downsyndroom’ wordt gesproken. Ofschoon De Pers volgens de voorpagina ‘gratis, maar niet goedkoop is’, is het volgens klagers erg goedkoop om zo’n kwetsbare groep op deze wijze weg te zetten.
Klagers stellen verder dat de column een feitelijke onjuistheid bevat, nu mensen met Downsyndroom over het algemeen kunnen lezen en schrijven.
Ten aanzien van hun ontvankelijkheid stellen klagers dat zij als ouders van een kind met Downsyndroom rechtstreeks belanghebbende zijn. Zij waren door de gewraakte column erg gekwetst.
Klaagster sub 2. stelt voorop dat zij zich inzet voor een volwaardige plaats in de Nederlandse samenleving voor mensen met Downsyndroom. Zij ziet het bevorderen van positieve beeldvorming rond mensen met Downsyndroom als één van haar belangrijkste taken. Klaagster wijst erop dat in columns als de onderhavige negatieve stereotypen en verouderde vooroordelen over mensen met Downsyndroom nieuw leven wordt ingeblazen. In de gewraakte column is sprake van onjuiste, achterhaalde en/of negatieve berichtgeving over mensen met Downsyndroom. Ten onrechte is gesuggereerd dat mensen met Downsyndroom niet zouden kunnen lezen. Uit wetenschappelijk onderzoek volgt dat ongeveer een kwart van de huidige jongeren met Downsyndroom van 18 jaar of ouder een dusdanig leesniveau bezitten, dat zij de column zelf zouden kunnen lezen.
Ten slotte wijst klaagster erop dat een medewerker van Van Dale, woordenboek van de Nederlandse taal, heeft bevestigd dat het neutrale gebruik van de benaming ‘mongool’ voor mensen met Downsyndroom in 2009 vrijwel niet meer voorkomt en dat ‘mongool’ met name wordt gebruikt in de betekenis van scheldwoord.
 
Verweerders stellen voorop dat Middendorp geen journalist is, maar een columnist, en dat de klacht dus niet van journalistieke aard is.
Onder verwijzing naar het Van Dale-woordenboek stellen verweerders voorts dat de termen ‘mongool’ en ‘mongooltje’ niet louter scheldwoorden zijn. Wanneer gebruikt voor mensen met Downsyndroom, zijn het ook woorden die – hoewel zij wellicht een negatieve bijklank hebben – volstrekt gangbaar zijn in het taalgebruik. Dat er mensen en stichtingen zijn die aandringen op een andere term, is voor verweerders geen reden om die wens te honoreren.
Voorts is de context waarin de term ‘mongool’ is gebruikt niet nodeloos kwetsend. Uit de column valt voor het grote publiek af te leiden dat de opmerking over mongolen als grapje dient te worden beschouwd en als zodanig herkenbaar is.
Volgens verweerders is het de plicht van de columnist om af en toe buiten de boot van het sociaal-politieke discours te gaan hangen, een verhelderend contrapunt te scheppen, dat licht werpt op dat discours en de boel in evenwicht houdt. De grap is door klagers echter, bewust dan wel onbewust, verkeerd begrepen.
Tevens merken verweerders op dat Middendorp, zoals uit de column ook volgt, geen intense afkeer van mensen met Downsyndroom heeft en dat, mocht dit het geval zijn, enige afkeer niet is verboden. Uit de column volgt bovendien dat Middendorp ervan op de hoogte is dat mensen met Downsyndroom kúnnen lezen. Er wordt in de column slechts gesteld dat zij de column niet zúllen lezen.
 
BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID van klagers sub 1.
 
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek, moet een klaagschrift worden ingediend door een ‘rechtstreeks belanghebbende’. Volgens het vaste oordeel van de Raad kan een klager als zodanig worden aangemerkt, indien zijn belang bij de gewraakte publicatie direct betrokken is en hij door die publicatie persoonlijk in zijn belang is geraakt.
 

Klagers hebben ter zake gesteld dat het in de column gebruikte woord ‘mongool’ een scheldwoord is, waarmee verweerders mensen met Downsyndroom beledigen en dat zij, als ouders van een kind met Downsyndroom, een rechtstreeks belang hebben bij een oordeel van de Raad.
 
Naar het standpunt van de Raad is de klacht van een dermate algemeen karakter dat niet kan worden gezegd dat deze betrekking heeft op een direct betrokken belang van klagers. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat het belang van klagers direct betrokken is bij de handelwijze van verweerders en zij door die handelwijze persoonlijk in hun belang zijn geraakt. Klagers sub 1. zijn derhalve niet-ontvankelijk in hun klacht. (vgl. onder meer: RvdJ 2008/30 en 2008/28)
 
BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID
 
Verweerders hebben gesteld dat Middendorp geen journalist is, zodat geen sprake zou zijn van een journalistieke gedraging en de Raad derhalve niet bevoegd zou zijn over de klacht te oordelen. Ter zitting hebben klagers erop gewezen dat Middendorp zich als journalist presenteert, nu onder zijn columns is vermeld: “Peter Middendorp doet als schrijver/journalist dagelijks verslag van zijn belevenissen in Den Haag”. Daarop heeft Spierdijk opgemerkt dat de vermelding ‘journalist’ eigenlijk onjuist is.
 
Wat daarvan zij, ook al zou Middendorp niet als journalist kunnen worden beschouwd, dan nog leidt dat enkele feit niet tot het oordeel dat de Raad niet bevoegd is om over de klacht te oordelen. Onder ‘journalistieke gedragingen’ die aan het oordeel van de Raad kunnen worden onderworpen, zijn ingevolge artikel 4 lid 1 en lid 2 van de toepasselijke Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek niet alleen te verstaan het handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep, maar ook het handelen of nalaten in het kader van journalistieke werkzaamheden van iemand die geen journalist zijnde, regelmatig en tegen betaling meewerkt aan de redactionele inhoud van dagbladen, nieuwsbladen, huis-aan-huisbladen of tijdschriften voor zover de inhoud daarvan bestaat uit nieuws, foto's en andere illustraties, verslagen of artikelen. De gewraakte column maakt deel uit van de redactionele inhoud van Dagblad De Pers. Het schrijven ervan moet worden aangemerkt als een journalistieke werkzaamheid. Nu gesteld noch gebleken is dat Middendorp anders dan regelmatig en tegen betaling zijn medewerking verleent aan de redactionele inhoud van Dagblad De Pers, moet de slotsom dan ook zijn dat de klacht zich richt tegen een journalistieke gedraging als bedoeld in de Statuten, zodat de Raad bevoegd is die klacht te beoordelen. (vgl. RvdJ 2007/2 en RvdJ 2001/36)
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT van klaagster sub 2.
 
De Raad stelt voorop dat een journalist vrij is in zijn selectie van nieuws. Er is geen norm van journalistieke zorgvuldigheid die meebrengt dat een journalist toe- of instemming behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. Het is bovendien aan de journalist om te bepalen vanuit welke invalshoek(en) een onderwerp wordt belicht en in welke context het bericht wordt gebracht. Dat neemt niet weg dat de journalist wel steeds een afweging dient te maken tussen het belang dat met de publicatie is gediend en de belangen die door de publicatie worden geschaad, en dat moet worden vermeden dat nodeloos schade wordt toegebracht. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad van de Raad)
 

Verder komt aan columnisten een grote mate van vrijheid toe om hun persoonlijke mening te geven over gebeurtenissen of personen. Daarbij zijn stijlmiddelen als overdrijven en bewust eenzijdig belichten geoorloofd. De column is een journalistiek genre waarbinnen meer is toegestaan dan in andere journalistieke genres. Ook de vrijheid van de columnist kent echter haar grenzen. Enerzijds worden die bepaald door de wet en anderzijds door wat – gegeven de journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is. De grenzen van het toelaatbare worden overschreden wanneer (passages in) columns in redelijkheid geen ruimte laten voor een andere karakterisering dan dat zij kwetsend en beledigend zijn voor personen of bevolkingsgroepen. (zie punt 3.1. van de Leidraad)
 
Van grensoverschrijding is in dit geval geen sprake. De term ‘mongool’ is wellicht scherper dan klaagster wenselijk acht, maar het gebruik ervan kan – althans in de gewraakte context – niet als onnodig beledigend worden opgevat. Voor de lezer is voldoende duidelijk dat de column de persoonlijke mening van Middendorp behelst en dat de gewraakte passage ironisch is bedoeld. Dat klaagster, en mogelijk anderen met haar, die bedoeling niet doorziet en in de column een negatieve, door haar als beledigend aangemerkte, boodschap onderkent, kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat de klacht gegrond is. (vgl. RvdJ 2003/42)
 
Verder kan niet worden geoordeeld dat de column feitelijke onjuistheden bevat. Anders dan klaagster heeft gesteld, is in de column niet beweerd dat mensen met Downsyndroom niet kunnen lezen. Gelet op hetgeen klaagster heeft aangevoerd ter zake van het leesniveau van mensen met Downsyndroom acht de Raad het overigens aannemelijk, dat mensen met Downsyndroom de gewraakte column ‘niet zullen meelezen’, zoals in de column is vermeld.
 
Een en ander in aanmerking genomen bestaat geen grond voor de conclusie dat verweerders de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
Klagers sub 1. zijn in hun klacht niet-ontvankelijk. De klacht van klaagster sub 2. is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Dagblad De Pers te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 9 april 2009 door mr. A. Herstel, voorzitter, mr. T.E. Klein, mw. drs. J.X. Nabibaks, mw. E.H.C. Salomons, mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.