2009/2 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
mr. A.S. van der Biezen
 
tegen
 
L. Burgwal en de hoofdredacteur van Panorama
 
Bij brief van 15 oktober 2008 met een bijlage heeft mr. Y. Quint, jurist te ‘s-Hertogenbosch, namens mr. A.S. van der Biezen (hierna: klager) een klacht ingediend tegen L. Burgwal en de hoofdredacteur van Panorama (hierna: verweerders). Hierop heeft mr. P. van Driessen, advocaat te Amsterdam, namens verweerders geantwoord in een brief van 20 november 2008 met drie bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 november 2008. Namens klager is daar mr. Quint verschenen. Aan de zijde van verweerders zijn F. Lomans, hoofdredacteur van Panorama, en voornoemde Burgwal verschenen, bijgestaan door mr. Van Driessen.
 
DE FEITEN
 
Op 1 oktober 2008 is in Panorama een artikel van de hand van Burgwal verschenen onder de kop “Soms loopt het verkeerd af” met het chapeau “18 advocaten die onder vuur kwamen te liggen”. De intro van het artikel luidt:
“Topadvocaat Arthur van der Biezen raakte deze maand in opspraak. Justitie verdenkt hem van betrokkenheid bij heling van gestolen schilderijen. Hij is niet de eerste raadsman die door terechte of onterechte beschuldigingen onder vuur is komen te liggen. Een fiks aantal collega’s ging hem voor…”.
Over klager is verder onder het kopje “Verdacht van betrokkenheid bij heling” onder meer het volgende vermeld:
“Op een ongeoorloofde manier zou ook Arthur van der Biezen met schone kunsten om zijn gegaan. Van der Biezen (…) wordt ervan verdacht betrokken te zijn geweest bij de heling van gestolen schilderijen. (…) In De Telegraaf liet de advocaat vervolgens weten onschuldig te zijn. Hij noemde de beschuldiging van het Openbaar Ministerie ‘de zoveelste aanval op een topadvocaat’.”
Bij het artikel is voorts een foto van klager geplaatst met het onderschrift “Heeft Arthur van der Biezen een kunstje geflikt met gestolen schilderijen?”
 
Het artikel is op de cover aangekondigd met de tekst “In opspraak – maffiamaatje – vermoord – ADVOCATEN IN DE FOUT!”.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij in het artikel ten onrechte in verband wordt gebracht met de heling van gestolen schilderijen. Volgens klager is hij als gevolg van plaatsing van het artikel persoonlijk en ernstig in zijn belang geschaad. Daarbij wijst klager met name op de – in vergelijking met de andere foto’s bij het artikel – onevenredig grote foto van hem.
Klager begrijpt niet waarom verweerders ervoor hebben gekozen om juist van hem een extra grote foto te plaatsen. Dit klemt te meer nu bij de foto een zeer suggestief onderschrift is geplaatst. Volgens klager laat dit onderschrift de lezer speculeren over de mogelijke betrokkenheid van een advocaat bij een ernstig strafbaar feit. Bovendien is de tekst voor velerlei interpretatie vatbaar en wordt zelfs de suggestie dat klager persoonlijk gestolen schilderijen voorhanden zou hebben, niet uitgesloten. Volgens klager zou het achterwege laten van de foto met het bijbehorende onderschrift geen afbreuk hebben gedaan aan het artikel. De plaatsing van de foto met het onderschrift brengt volgens klager een disproportionele aantasting van zijn privéleven met zich.
Klager wijst verder op de suggestieve titel van het artikel in combinatie met een grote foto van een lijk. Volgens klager wordt aldus een misplaatst beeld geschetst van zijn betrokkenheid bij geweld. Ook de foto op de cover van een toga met bloedspetters en het gebruik van de termen ‘in opspraak’, ‘maffiamaatje’ en ‘vermoord’ geven een bepaalde suggestieve lading aan het artikel, aldus klager. Hij stelt voorts dat in het artikel ten onrechte is gesuggereerd dat hij reeds in de fout is gegaan. Daarbij wijst hij onder meer op de aankondiging van het artikel op de cover met de bewoordingen ‘advocaten in de fout!’. Klager benadrukt dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat hij in de fout is gegaan.
Volgens klager is geenszins een afweging gemaakt tussen het maatschappelijk belang en zijn persoonlijk belang. Weliswaar mag hij als vooraanstaand advocaat enige mediabelangstelling verwachten, maar volgens klager loopt zijn naamsbekendheid schade op door deze wijze van berichtgeving. Daarbij acht klager van belang dat de kwestie rond de diefstal en heling van schilderijen in diverse media aan de orde is geweest en dat deze wijze van berichtgeving door verweerders een significante bijdrage levert aan de negatieve naamsbekendheid.
Ter zitting heeft mr. Quint hieraan toegevoegd dat klager al een aantal keren dreigbrieven heeft ontvangen. Weliswaar zijn deze brieven reeds vóór de gewraakte publicatie aan klager verzonden, maar dit maakt volgens hem duidelijk waartoe negatieve en suggestieve berichtgeving kan leiden.
Ten slotte stelt klager dat geen wederhoor is toegepast, terwijl in de publicatie een ernstige beschuldiging aan zijn adres is geuit. Verweerders hebben derhalve ten onrechte nagelaten wederhoor toe te passen en ook daarmee de grenzen van zorgvuldige journalistiek overschreden, aldus klager.
 
Verweerders stellen voorop dat op 16 september 2008 door het Openbaar Ministerie naar buiten is gebracht dat klager als verdachte in beeld is in het onderzoek naar heling van een vijftal kunstwerken. Vervolgens hebben talrijke media aandacht besteed aan deze gebeurtenis, waarbij in een aantal gevallen ook een foto van klager is gepubliceerd. Naar aanleiding van deze bekendmaking hebben verweerders besloten een artikel te wijden aan terechte of onterechte beschuldigingen over betrokkenheid van advocaten bij strafrechtelijk laakbare handelingen. De zaak rond klager is dus geplaatst in een groter geheel. Volgens verweerders is het, gelet op de functie van de advocatuur in onze rechtsstaat, voor het publiek van belang om van eventuele wantoestanden kennis te nemen.
In de inleiding van het artikel komt de zaak van klager aan de orde, waarbij expliciet in vette letters wordt vermeld dat het om een verdenking gaat. Volgens verweerders wordt daarbij voldoende duidelijk dat zij niet menen dat klager al in de fout is gegaan. In dit kader wijzen zij er ook op dat klager niet op de cover is genoemd. Ter zitting hebben verweerders hieraan toegevoegd dat het gaat om het geheel van cover en artikel, inclusief voormelde inleiding.
Zo de voorpagina al een bepaalde suggestie zou wekken, dan wordt die toch in elk geval weggenomen na lezing van de inleiding en de rest van het artikel. Dit geldt volgens verweerders ook voor de kop van het artikel en de daarbij geplaatste foto van een lijk. Na de inleiding van het artikel wordt direct het verhaal van de om het leven gebrachte advocaat mr. E. Hingst vermeld. Volgens verweerders is het voor een ieder duidelijk dat de woorden ‘verkeerd aflopen’ alsmede de foto van een lijk op dat verhaal betrekking hebben.
Wat de bij het artikel geplaatste foto van klager betreft, merken verweerders op dat van hen niet kan worden verwacht dat zij de naam van klager zouden veranderen of zijn portret zouden ‘afbalken’. Volgens verweerders zou dit stigmatiserend kunnen overkomen.
Bovendien, zo stellen verweerders ter zitting, is klager een bekende persoonlijkheid die de media zelf niet schuwt. In dit kader wijzen verweerders erop dat klager in een ander tijdschrift een column heeft, waarbij ook altijd een foto van hem wordt geplaatst. Ook het belang van berichtgeving over een zodanig bekend persoon, die bovendien kort vóór de gewraakte publicatie veelvuldig in het nieuws was, maakt dat zijn naam bekend moet kunnen worden gemaakt, aldus verweerders. De identiteit van klager is bovendien een integrerend onderdeel van de berichtgeving over 18 bekende advocaten. Een foto van klager kan dan niet ontbreken, zo stellen verweerders. Volgens verweerders is de foto geenszins stigmatiserend en evenmin onevenredig groot.
Verweerders stellen verder dat voor het toepassen van wederhoor geen aanleiding bestond. In dit geval – waarbij het Openbaar Ministerie de beschuldigingen aan het adres van klager heeft geuit – was het niet noodzakelijk om nader te onderzoeken of er een deugdelijke grondslag voor die beschuldigingen bestaat. Bovendien is uit diverse publicaties duidelijk geworden dat klager hetzij te kennen heeft gegeven niet bereid te zijn om op de kwestie in te gaan dan wel heeft verklaard onschuldig te zijn. Het was dan ook niet te verwachten dat klager bij het bieden van gelegenheid van wederhoor een andere reactie zou hebben gegeven. Verweerders hebben om deze reden volstaan met het vermelden van de in De Telegraaf opgenomen reactie van klager, waarin hij heeft gesteld onschuldig te zijn.
Verweerders zijn dan ook van mening dat zij geen grenzen van zorgvuldige journalistiek hebben overschreden.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De klacht bevat de volgende onderdelen:
1.      klagers privacy is ongerechtvaardigd aangetast;
2.      er is ten onrechte geen gelegenheid geboden tot wederhoor.
 
Ad 1.
Voorop moet worden gesteld dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daar staat tegenover dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie.
Voor mensen met publieke c.q. min of meer openbare functies en voor bekende Nederlanders is een zekere mate van blootstelling aan ongewilde publiciteit evenwel onvermijdelijk. Hun privégedrag en gedrag in besloten en privé-omgeving hebben niettemin recht op bescherming tegen ongewilde inbreuken, tenzij dat gedrag aantoonbaar van invloed is op hun publiek functioneren. (zie punten 2.4.1. en 2.4.2. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek)
 
Bovendien dient een journalist te voorkomen dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd. (zie punt 2.4.5. van de Leidraad)
Dat de identiteit van een betrokkene door een publicatie bekend wordt, maakt die publicatie evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privéleven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijk belang anderzijds. (vgl. onder meer: RvdJ 2008/32)
 
In het artikel wordt aandacht besteed aan een kwestie rond klager die voorafgaand aan de publicatie in Panorama door verschillende media aan de orde is gesteld, waarbij in een aantal gevallen eveneens een afbeelding van klager is geplaatst. Hoewel deze omstandigheid verweerders niet ontslaat van een zelfstandige verantwoordelijkheid en zorgvuldigheid bij de plaatsing van het artikel, ziet de Raad in dit geval geen grond voor het oordeel dat met de vermelding van klager in het artikel of de plaatsing van zijn foto grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat het artikel betrekking heeft op een groot aantal advocaten, onder wie klager, die allen een zekere bekendheid bij het Nederlandse publiek genieten. In het artikel wordt vermeld in hoeverre deze advocaten al dan niet ten onrechte zelf betrokken zijn (geweest) bij een strafrechtelijk onderzoek. Ten aanzien van de kwestie rond klager wordt daarbij duidelijk vermeld dat het gaat om een verdenking door Justitie.
 
Nu klager bovendien ook voorafgaand aan deze kwestie veelvuldig in de media is geweest en zijn portret bij het Nederlandse publiek als bekend mag worden verondersteld, is naar het oordeel van de Raad geen sprake van een onevenredige aantasting van het privéleven van klager.
 
Ad 2.
De Raad stelt voorop dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan. Bij het publiceren van beschuldigingen dient hij te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
Het beginsel van wederhoor geldt niet voor berichtgeving van feitelijke aard, zoals verslagen van openbare bijeenkomsten. Desalniettemin kan een dergelijke publicatie iemands belang zodanig raken dat wederhoor geboden is. (zie punt 2.3.4. van de Leidraad)
 
In het gewraakte artikel wordt, wat de kwestie rond klager betreft, aangesloten bij hetgeen door het Openbaar Ministerie naar buiten is gebracht. Het artikel bevat een feitelijke weergave van deze gegevens, waarbij in de tekst voldoende duidelijk wordt gemaakt dat het om een verdenking gaat en nog niet duidelijk is in hoeverre de door het Openbaar Ministerie vermoede betrokkenheid van klager juist blijkt te zijn. Ook het onderschrift bij de foto behelst naar het oordeel van de Raad geen beschuldiging nu daarin slechts in vraagvorm wordt aangeduid waarop het strafrechtelijk onderzoek, waarbij klager is betrokken, is gericht.
Bovendien is in het artikel een reactie van klager opgenomen die in een andere publicatie is verschenen en waarin klager de beschuldiging tegenspreekt. Gesteld noch gebleken is dat de berichtgeving ter zake onjuist of onvolledig is.
 
Onder deze omstandigheden waren verweerders niet gehouden klager gelegenheid te bieden tot wederhoor. Ook op dit punt hebben verweerders derhalve niet journalistiek onzorgvuldig jegens klager gehandeld.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Panorama te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 23 januari 2009 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. A.C. Diamand en T.R. Harkema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.
 
Raadslid mw. mr. H.M.A. van Meurs heeft aan de behandeling van en beraadslaging over deze zaak deelgenomen, maar is vóór de schriftelijke vastlegging van de uitspraak als raadslid teruggetreden.