2009/19 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
ROC Flevoland
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Omroep Flevoland
 
Bij brief van 6 januari 2009 met drie bijlagen heeft J. Toet, Hoofd marketing & communicatie ROC Flevoland, namens het ROC Flevoland te Almere (hierna: klager), een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Omroep Flevoland te Lelystad (hierna: verweerder). Hierop heeft A.M. Berends, directeur/hoofdredacteur van Omroep Flevoland, namens verweerder geantwoord in een brief van 9 februari 2009 met drie bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 februari 2009, waar namens klager voornoemde Toet is verschenen. Van de zijde van verweerder zijn voornoemde Berends en J. Wammes, eindredacteur, verschenen.
 
Ter zitting heeft de Raad in bijzijn van partijen een dvd-opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 4 december 2008 is in een uitzending van het televisieprogramma ‘Omroep Flevoland Nieuws’ aandacht besteed aan een toekomstige samenwerking tussen het ROC Flevoland en het ROC van Amsterdam. De nieuwslezeres leidt, terwijl onder in beeld de kop “Bezwaren tegen vorming ROC Reus” wordt weergegeven, het onderwerp als volgt in:
“Felle kritiek uit de onderwijswereld op de fusie tussen het ROC Flevoland en het ROC Amsterdam. Vakbonden en belangenverenigingen vrezen dat volgend jaar een logge bureaucratische school met 46.000 leerlingen ontstaat. De directie van het ROC Flevoland verwerpt alle kritiek en ziet alleen maar voordelen van de samenwerking met Amsterdam.”
Vervolgens meldt de voice-over:
“Het ROC Flevoland heeft 10.000 leerlingen. Die van Amsterdam 36.000. Over een maand werken de twee onderwijsinstellingen bestuurlijk samen, tot woede van beroepsorganisaties en vakbonden.”
Vervolgens komt J. van den Bergh namens de Algemene Onderwijsbond (AOB) in beeld en meldt het volgende:
“Als dit gaat leiden tot een fusie, dan denken wij dat de schaal van het Middelbaar Beroepsonderwijs in Flevoland en in Amsterdam te groot wordt. En dan heb je problemen met de persoonlijke contacten tussen leraren en leerlingen, leraren onderling, het personeel en de directie.”
Hierna komt R. Wilcke, voorzitter van het College van Bestuur van het ROC, in beeld en zegt:
“Dat betekent dat opeens medewerkers allemaal bij een andere werkgever in dienst komen, dat de namen veranderen van vestigingen, dat het voor onze leerlingen ook verandert in de zin van: ze moeten zich opeens inschrijven bij een andere onderwijsinstelling. En dat is allemaal niet aan de hand.”
Vervolgens meldt de voice-over:
“Ook onderwijsminister Plasterk heeft al eerder aangegeven geen voorstander te zijn van grootschaligheid in het onderwijs. De belangenorganisatie Beter Onderwijs Nederland gaat nog veel verder dan de vakbonden. Zij vrezen een regionaal monopolie en willen aangifte doen bij de mededingingsautoriteit NMa.”
Hierop komt Wilcke opnieuw in beeld, en reageert:
“Dat moeten ze vooral doen, denk ik, dan zullen ze ongeveer het antwoord krijgen wat wij ook gekregen hebben: dat dit gewoon mag.”
De voice-over sluit af met de tekst:
“De onderwijsbond hoopt dat de minister ingrijpt, zodat het ROC Flevoland volledig zelfstandig blijft.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat het gewraakte nieuwsitem suggestief en onjuist is, nu wordt gesuggereerd dat sprake is van een fusie tussen de twee ROC’s, terwijl dit niet het geval is. Hij meent dat verweerder niet integer te werk is gegaan en dat hij oneigenlijke journalistiek heeft bedreven door de uitzending zodanig te monteren dat een vooringenomen standpunt wordt gelegitimeerd. Ook van hoor en wederhoor was geen sprake, aldus klager. Het nieuwsitem was volgens hem al klaar voordat er een reactie kon worden gegeven. Voorts meent klager dat door het leveren van onjuiste informatie, imagoschade en verontrusting onder leerlingen en ouders is ontstaan.
Klager voert ter onderbouwing van zijn stellingen in de eerste plaats aan dat in het interview wordt gesproken over het ‘wegwuiven van kritiek’ door Wilcke met betrekking tot eerdere uitspraken door de directeur van Beter Onderwijs Nederland (hierna: BON). Uit het interview bleek echter aantoonbaar dat Wilcke qua opvattingen met betrekking tot schaalgrootte en menselijke maat voor de uitvoering van het onderwijs niet eens zoveel verschilt van de directeur van BON. In de tweede plaats wordt volgens klager ten onrechte gesproken over ‘de directie’, terwijl dit ‘het College van Bestuur’ zou moeten zijn. Dit zijn verschillende entiteiten, aldus klager. Ten derde betoogt klager dat de woordvoerder van de AOB hem niet bekend was en dat diens kritiek bovendien verrassend was. De AOB heeft nimmer een reactie gegeven aan Wilcke en is steeds gedetailleerd geïnformeerd over het doel en de aard van de samenwerking. Ook in een eerder gesprek met Wilcke hebben de vakbonden, waaronder de AOB, geen kritiek geuit. In een niet in de uitzending getoond interview met de voorzitter van de Medezeggenschapsraad werd dit uitgelegd, aldus klager. In de vierde plaats zijn volgens klager de genoemde studentenaantallen onjuist en staan zij in geen enkele verhouding tot de feitelijke studentenaantallen.
Tot slot betoogt klager dat tijdens het interview Wilcke werd gevraagd naar verschillen tussen een fusie en de geplande samenwerking. In het uitgezonden gedeelte van het interview is echter die vraagstelling weggelaten en enkel de opsomming van verschillen, zoals hierboven is weergegeven, getoond. De uitzending is volgens klager dus zodanig gemonteerd dat Wilcke de fusie lijkt te bevestigen. Hierdoor wordt een beeld gecreëerd dat geen recht doet aan de waarheid noch aan de ware toedracht van de uitspraken van Wilcke.
 
Verweerder stelt dat van vooringenomenheid of manipulatie van het interview geen sprake is. Hij wijst erop dat in het nieuwsitem geen eigen standpunten worden weergegeven, maar louter die van derden. Dat deze derden kritiek hebben geleverd op de samenwerking, maakt verweerder nog niet vooringenomen. Ook het beginsel van hoor en wederhoor is niet geschonden, nu klager ook in de uitzending heeft kunnen reageren op de kritiek.
Ten aanzien van de bovengenoemde argumenten heeft verweerder het volgende opgemerkt. Het ‘wegwuiven van kritiek’ is volgens verweerder nergens in het uitgezonden item letterlijk gebruikt, zij het dat het feitelijk juist is dat klager de kritiek van de AOB en de BON verwerpt.
Dat de term ‘directie’ in plaats van ‘College van Bestuur’ is gekozen, komt omdat verweerder in begrijpelijke taal wil communiceren. In de volksmond bestaat geen verschil tussen de twee termen en duidelijk is dat het in beide gevallen gaat om de leiding van een organisatie. Hij wijst erop dat bij de titeling van het interview met Wilcke in beeld wel is geschreven ‘College van Bestuur ROC’. Met betrekking tot het punt dat de woordvoerder van de AOB klager niet bekend is en dat de AOB in eerdere stadia geen kritiek heeft gehad op de samenwerking, heeft verweerder opgemerkt dat dit hem niet regardeert. De heer Van den Bergh is woordvoerder van de AOB en heeft in die functie meegewerkt aan het interview. Ten aanzien van de studentenaantallen heeft verweerder verklaard dat hij dit heeft geverifieerd bij een woordvoerster van klager.
Met betrekking tot de manipulatieve montage van hetgeen door Wilcke is gezegd, merkt verweerder op dat Wilcke drie kenmerken van een fusie opnoemt, en daarna letterlijk zegt: “En dat is allemaal niet aan de hand”. Het standpunt van klager is daarmee juist weergegeven: de samenwerking is geen fusie. Er is niet gemanipuleerd noch een onjuist beeld gecreëerd.
Voor zover klager van mening is dat sprake is van een vooringenomen standpunt, merkt verweerder op dat hij met het item louter de bij belanghebbenden levende kritiek op schaalvergroting in het onderwijs en op de samenwerking tussen klager en het ROC van Amsterdam heeft belicht. Naar zijn mening behoort het belichten van dit onderwerp bij uitstek tot zijn taak, te meer nu in maart 2008 over de fusieplannen tussen klager en het ROC van Amsterdam Kamervragen zijn gesteld.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerder wordt verweten een suggestief beeld te schetsen over de samenwerking tussen klager en het ROC van Amsterdam, door in de aankondiging van de nieuwslezeres het woord ‘fusie’ te gebruiken en door de montage van hetgeen door Wilcke in het interview is gezegd. Verder heeft de klacht betrekking op schending van het beginsel van wederhoor.
 
Ingevolge punt 1.1. van de Leidraad van de Raad bericht de journalist waarheidsgetrouw. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. Bovendien dient de journalist in de berichtgeving een duidelijk onderscheid te maken tussen feiten, beweringen en meningen, en behoort hij eenzijdige en tendentieuze berichtgeving te vermijden (zie punten 1.4. en 1.5. van de Leidraad).
De journalist past, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie, te reageren op de aantijgingen (zie punt 2.3.1. van de Leidraad).
 
Naar het oordeel van de Raad is het gebruik van het woord ‘fusie’ in de inleiding van het item – in het licht van het landelijke debat over schaalvergroting in het onderwijs – ongelukkig gekozen, te meer nu in het onderhavige geval sprake is van een bestuurlijke samenwerking. Verweerder heeft dit ter zitting ook erkend. Verweerder had zich er rekenschap van kunnen en moeten geven dat het gebruik van het woord ‘fusie’ in de inleiding van het item bij de kijker de suggestie kon wekken dat sprake was van een daadwerkelijke fusie. Verder ware het beter geweest indien verweerder in de uitzending, voorafgaand aan het noemen van drie kenmerken van een fusie door Wilcke, ook de vraagstelling in beeld had gebracht. Naar het oordeel van de Raad is ter zake echter geen sprake van zodanig onjuiste berichtgeving dat als gevolg daarvan de uitzending jegens klager onzorgvuldig dan wel tendentieus moet worden geacht.
De Raad betrekt daarbij dat Wilcke na het noemen van de kenmerken van een fusie uitdrukkelijk zegt: “En dat is allemaal niet aan de hand.” Verder ziet de Raad geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de stelling van verweerder dat het nieuwsitem is ingestoken tegen de achtergrond van het (landelijk) heersende debat over de schaalvergroting in het onderwijs. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder met de uitzending heeft getracht een vooraf door hem ingenomen standpunt weer te geven.
 
Voor het oordeel dat het beginsel van wederhoor is geschonden en dat het nieuwsitem al klaar was voordat een reactie kon worden gegeven, ziet de Raad evenmin aanleiding, nu namens klager Wilcke heeft gereageerd op de kritiek dat sprake is van een fusie dan wel de vorming van een monopoliepositie.
 
Alles overwegend komt de Raad tot het oordeel dat in dit geval geen grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een televisie-uitzending van Omroep Flevoland Nieuws en anders de beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 27 maart 2009 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. drs. P.C.J. van Schaveren, mr. A.H. Schmeink en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.