2009/14

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X en Y 
 
tegen
 
A. Hertsenberg, E. Schievink en K. Palsma (TROS Radar)
 
Bij klaagschrift van 6 oktober 2008 met zestien bijlagen hebben mr. Th. Dankert en mw. mr. R. Bremer, advocaten te Leeuwarden, namens X en Y (hierna: klagers) een klacht ingediend tegen A. Hertsenberg, E. Schievink en K. Palsma, allen werkzaam voor het televisieprogramma ‘Radar’ van de TROS (hierna: verweerders).
Bij brief van 31 oktober 2008 heeft A. van Tricht, hoofd juridische zaken van de TROS, bericht dat verweerders geen medewerking zullen verlenen aan de onderhavige procedure. Voorts heeft Van Tricht erop gewezen dat de klacht vanwege de complexiteit ervan alleen door een rechter beoordeeld zou kunnen worden. Bovendien verzoeken klagers een oordeel van de Raad over kwesties die feitelijk niet journalistiek maar juridisch van karakter zijn. Een oordeel van de Raad dat louter is gebaseerd op het klaagschrift en de uitzending, is meer dan gemankeerd, aldus Van Tricht.
Bij brieven van 5 en 8 december 2008 hebben klagers nog diverse bijlagen overgelegd. Vervolgens heeft Van Tricht in een schrijven van 9 december 2008 nogmaals gewezen op het juridische karakter van de onderhavige kwestie.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 december 2008. Namens klagers zijn daar (…), administrateur, en voornoemde mr. Bremer verschenen. Mr. Bremer heeft het standpunt van klagers toegelicht aan de hand van een pleitnota.
 
Vanwege plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, hebben klagers desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een dvd-opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 7 april 2008 heeft de TROS een aflevering van het televisieprogramma ‘Radar’ uitgezonden (hierna: de uitzending). Daarin is onder meer aandacht besteed aan de zogenoemde permanente controles die de Voedsel- en Waren Autoriteit (hierna: de VWA) op de veetransporten naar de (rundvee)slachterij Z te Leeuwarden uitvoert.
 
De uitzending wordt door presentatrice Hertsenberg als volgt ingeleid:
“Sinds hedenochtend doet de Algemene Inspectiedienst in opdracht van de minister van Landbouw een permanente controle van veetransporten naar slachthuis Z in Leeuwarden. Een paar weken geleden vertelden wij al dat de Voedsel- en Waren Autoriteit zelf vindt dat ze te weinig kan controleren en dat dit gevolgen kan hebben voor de voedselveiligheid, dus het vlees op uw bord. Radar dook de afgelopen weken diep in deze materie. Wij spraken niet, zoals de Minister, met één getuige, maar wij spraken vier ooggetuigen die de praktijk van dit slachthuis van nabij kennen.”
 
Even later meldt Hertsenberg het volgende:
“Foto’s gemaakt op het slachthuis in Leeuwarden laten veel zieke en verwonde koeien zien, en magere koeien. En de vraag is dan natuurlijk: Waar blijven de overheidsdiensten die bij het Leeuwardense slachthuis het aangevoerde vee moeten keuren, waar blijft nou die controle? In feite moet de Voedsel- en Waren Autoriteit eerst het vee controleren dat uit de wagens komt. Als blijkt dat het om ziek vee gaat en dus de transportverordening overtreden is, dan moet de VWA de Algemene Inspectiedienst, de AID, waarschuwen. Die moet dan ingrijpen en beboeten. En dat gebeurt dus niet altijd in dit slachthuis. Ooggetuigen verklaren.”
en verderop:
 “Als het vee geslacht wordt, dan controleert de VWA weer het vlees. Een keurmeester bepaalt of het vlees geschikt is voor consumptie. Het mag wel eens voorkomen dat een door transport licht gewonde koe wel geslacht wordt. De keurmeester bepaalt dan welk deel van het vlees gezond is en wat niet. Het ongezonde deel, de wond, wordt dan uitgebeend, zoals dat heet. Ooggetuigen verklaren dat in het Leeuwardense slachthuis regelmatig gewonde en zieke koeien toch geslacht worden en zij hebben het iedere keer over dezelfde persoon, een zekere Y. Hij is eigenaar van X en laat zijn vlees slachten bij het slachthuis Z. En volgens verschillende ooggetuigen is er in het slachthuis maar één iemand die de baas is over de slacht van de runderen: Y.”
Vervolgens worden de volgende citaten van ooggetuigen in beeld gebracht en voorgelezen door een voice-over:
“Dus niet die dierenarts van het VWA bepaalt hoeveel ziek vlees er weggesneden moet worden. Nee, die Y die maakt het zelf wel uit.”
en
“Die VWA-medewerkers in het slachthuis, die geven Y speelruimte om zieke en zwakke dieren aan te voeren en vervolgens te slachten. Zo komt het vlees dan toch nog op de markt.”
Hertsenberg vervolgt:
“Dus als we de verklaringen op een rij zetten dan laat Y zieke koeien uit Noord-Holland, maar ook uit delen van Friesland gewoon naar het slachthuis komen en hij bepaalt dat zieke dieren toch gewoon geslacht worden en wel degelijk klaargemaakt worden voor consumptie. Hij, zo lijkt het, heeft de Voedsel- en Waren Autoriteit in zijn zak. De controleurs laten dit oogluikend toe, melden de ooggetuigen. (…)”
 
Nog wat later wordt een fragment van het NOS Journaal getoond, waarin onder meer wordt bericht:
“Het slachthuis van Leeuwarden staat sinds vanochtend vroeg onder permanente controle aan de poort. Minister Verburg van Landbouw wil weten of er sprake is van misstanden.”
Daarop meldt Hertsenberg:
“De controle van vanmorgen in het Leeuwardense slachthuis is opmerkelijk. Want, zo vertellen getuigen uit de vleesbranche, juist op maandag wordt er nooit wrak vlees aangevoerd en verwerkt voor consumptie. En verder melden de getuigen ons dat Y in het bezit is van een eigen stempel. Vlees van dood aangevoerde koeien mag bijvoorbeeld nooit in het buitenland terecht komen. Hoe Y dit omzeilt, blijkt uit de volgende verklaringen van de ooggetuigen.”
Hierna wordt het volgende citaat van een ooggetuige in beeld gebracht en voorgelezen door een voice-over:
“Y snijdt die stempel er gewoon af en zet er een buitenlandstempel op. Een stempel die nota bene alleen maar in bezit mag zijn van de Voedsel- en Waren Autoriteit.”
 
 Hierna wordt een interview met J. Meijer, hoofd communicatie van de VWA, getoond. Aan Meijer wordt onder meer de volgende vraag voorgelegd:
“Andere verhalen die wij horen van verschillende kanten is dat meneer Y beschikt over een stempel van het VWA om zelf zijn eigen vlees te keuren. Wat zegt u daarvan?”
Meijer antwoordt:
“Ja … dat … ik heb die gegevens niet. Want dat zou natuurlijk niet correct zijn, als dat zo is.”
Daarop bericht Hertsenberg:
“Ooggetuigen hebben verklaard dat de Algemene Inspectiedienst wel degelijk een paar keer Y heeft kunnen betrappen op overtreding van de transportverordening. Is er dan nooit opgetreden?”
Opnieuw wordt Meijer in beeld gebracht, die zegt:
“In een jaar tijd is er veertien keer proces-verbaal opgemaakt, dus de suggestie dat daar niet wordt opgetreden, dat daar alles door de vingers zou worden gezien, die kan ik daar niet mee rijmen.”
 
Daarna deelt Hertsenberg mee dat verslaggevers van ‘Radar’ op bezoek zijn geweest in Leeuwarden, op zoek naar Y. Zij deelt mee:
“Precies op een moment dat wij hem willen bellen voor de poort van het slachthuis, belt hij ons zelf.”
Vervolgens worden geluidsfragmenten afgespeeld van het telefoongesprek met Y:
Palsma: “Ik kan ‘m wel op de luidspreker zetten natuurlijk. Y belt. Dat is toevallig. … Palsma”
Y: “Goedemorgen, Y.”
en verder:
Y: “(…) Ik heb vanmorgen wat besprekingen gevoerd na de veemarkt dus en …euh… wat vergaderingen gehad, maar ik wil jullie toch een voorstel doen.”
Palsma: “Ja.”
Y: “En dat is euh … samen met mij en u …euh .. en een collega eventueel van u, u mag ook een opnamerecorder meenemen, geen camera, euh … samen met mij en even een jurist gewoon een kop koffie drinken bij Trip Advocaten en dan kunt u alles wat u wilt vragen aan mij en u krijgt netjes antwoord.”
Palsma: “Ja, nee maar het gaat mij er gewoon om, kijk wij kunnen het nu wel zelf opnemen, maar dan blijft gewoon alles buiten beeld, dan staat die camera op de grond, dan zie je verder niks.”
Y: “Dat kunnen we dan even bekijken inderdaad.”
Palsma: “Ja?”
Y: “Ja.”
Palsma: “Dan hebben wij onze opnames, heeft u uw opnames.”
Y: “Ja, precies.”
Hierna worden geluidsfragmenten uitgezonden van het gesprek op het kantoor van de raadslieden van klagers, waarbij onscherpe beelden van het kantoor zijn getoond en de aanwezige personen niet herkenbaar in beeld zijn gebracht. Y verklaart onder meer het jammer te vinden dat ‘Radar’ blijft volharden in insinuaties en de bronnen die niet gebaseerd zijn op feiten en waarheden richting zijn persoon en zijn bedrijf. Hij ontkent dat hij een stempel van het VWA heeft en op de vraag of hij cijfers omkat reageert hij als volgt:
“Nee, nee, 100% niet. Koeien die niet mogen reizen, komen niet bij ons en mochten ze wel komen dan wordt er proces-verbaal gemaakt door de overheid.”
Daarop meldt Hertsenberg:
“Ondanks het feit dat de VWA ons heeft verteld dat hij veertien processen-verbaal heeft gehad afgelopen jaar, beweert Y bij hoog en bij laag dat hem geen blaam treft.”
 
Nadat nog beelden worden getoond van een gesprek van de verslaggevers met de eigenaar van het slachthuis, wordt de uitzending afgesloten met een studiogesprek van Hertsenberg met H.E. Waalkens, Tweede Kamerlid voor de PvdA.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGERS
 
Klagers stellen allereerst dat Y op 27 februari 2008 werd benaderd door Palsma in verband met een voorgenomen uitzending op 3 maart 2008. Vervolgens heeft Y op 28 februari 2008 in het bijzijn van zijn raadslieden gesproken met Palsma en Schievink. Zowel tijdens als na dat gesprek is aan verweerders verzocht om klagers niet in de uitzending van 3 maart te noemen, klagers niet van misstanden te beschuldigen en hen niet in verband te brengen met enige misstand in het toezicht en de controle op de vleesindustrie. Vervolgens hebben verweerders aan klagers laten weten dat zij in de uitzending van 3 maart niet zouden worden genoemd en dat zij goede nota hadden genomen van het aanbod van klagers om nader tekst en uitleg te geven. In de daarop volgende weken hebben klagers zekerheidshalve iedere week aan verweerders verzocht hen te bevestigen dat zij in de volgende uitzending niet zouden worden genoemd. Verweerders hebben dit steeds bevestigd. Ook met betrekking tot de uitzending van 7 april 2008 werd de toezegging gedaan dat klagers niet zouden worden genoemd. Die toezegging is zijdens klagers aan verweerders bevestigd bij fax van 3 april 2008. Tot grote verbazing van klagers hebben verweerders zich echter zonder verdere aankondiging en in strijd met de gedane toezegging in de uitzending van 7 april zeer negatief over klagers uitgelaten.
Klagers stellen voorts dat de uitzending niet waarheidsgetrouw is. Zij wijzen erop dat zij nooit door de Algemene Inspectiedienst (hierna: de AID) geverbaliseerd zijn dan wel officieel door de AID en/of de VWA gewaarschuwd. De uitlatingen in de uitzending over de veertien processen-verbaal die klagers zouden zijn opgelegd, hebben namelijk betrekking op het vervoeren van koeien in strijd met de geldende wet- en regelgeving. De vervoerders, en niet klagers, waren dus adressant van deze processen-verbaal. Evenmin blijkt uit de woorden van Meijer dat zijn uitlatingen betrekking hebben op klagers. Verweerders waren van een en ander voorafgaand aan de uitzending op de hoogte, althans hadden dit kunnen en moeten zijn. In dat verband wijzen klagers erop dat zij dit met verweerders hebben besproken en dat de aan het woord gelaten Meijer medewerker is van de VWA. De verbaliserende instantie is echter niet de VWA maar de AID. Gelet op de wet- en regelgeving had dit bij verweerders bekend moeten zijn, zodat zij zich hadden moeten onthouden van de uitlatingen ter zake.
Verder is ten onrechte de suggestie gewekt dat Y een eigen stempel zou hebben om vlees mee goed te keuren en dat hij de door of onder toezicht van de VWA gezette stempels van het vlees af zou snijden. Alleen de VWA beschikt immers over stempels waarmee zij de uitkomst van haar controlewerkzaamheden kenbaar maakt.
Door de volgorde van de verschillende citaten is ten onrechte de suggestie gewekt dat Y door de AID zou zijn betrapt bij het stempelen van zijn eigen vlees. Bovendien is Y niet in staat en in de gelegenheid om de uitkomsten van de keuringen door dierenartsen van de VWA te beïnvloeden dan wel te omzeilen.
Ook de bewering dat bij het slachthuis veel zieke koeien zouden worden geaccepteerd die nooit vervoerd hadden mogen worden, is onjuist. De dierenarts van de VWA stelt vast of een aangevoerde koe al dan niet had mogen worden vervoerd. Het slachthuis noch klagers zijn diegenen die de koeien accepteren.
De uiteenzetting dat de overheidsdiensten niet zouden optreden, is evenmin juist. Het slachthuis stond onder een zogenoemde ‘permanente controle’, hetgeen inhoudt dat alle aangevoerde koeien door de VWA worden gecontroleerd. Tevens zijn, zoals reeds vermeld, tegen bepaalde vervoerders door de AID processen-verbaal opgemaakt.
Voorts wordt in de uitzending ten onrechte de suggestie gewekt dat een aantal van de daarin getoonde dieren ‘ziek’ zou zijn in de zin van de geldende wetgeving, maar niet als zodanig zou zijn beoordeeld en dat de VWA welbewust deze vermeende zieke koeien zou hebben goedgekeurd voor menselijke consumptie. Enkel een officiële dierenarts, dus niet de TROS, kan vaststellen of een koe als zodanig gekwalificeerd dient te worden en evenmin is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat dieren ten onrechte voor menselijke consumptie zijn geslacht. Naar het oordeel van klagers vallen de getoonde magere koeien niet onder de categorie koeien die niet voor menselijke consumptie mochten worden geslacht.
Daarnaast is Y ten onrechte neergezet als de persoon die verantwoordelijk is voor het geschetste dierenleed tijdens het transport en het in de markt brengen van niet voor menselijke consumptie geschikt vlees. Aldus is sprake van onjuiste en suggestieve uitlatingen c.q. verbanden. De veehouders en vervoerders zijn immers verantwoordelijk voor het transport, waarna de VWA beoordeelt of een dier had mogen worden vervoerd.
Klagers menen verder dat de kijker onvoldoende wordt voorgelicht over de wezenlijke verschillende onderwerpen betreffende het dierenwelzijn tijdens het transport, hetgeen moet worden onderscheiden van het onderwerp betreffende de volksgezondheid. Bovendien wordt de kijker onvoldoende voorgelicht over het onderscheid tussen de verantwoordelijkheden van de veehouder en de vervoerder enerzijds en klagers anderzijds, alsmede over de verantwoordelijkheid van het slachthuis Z enerzijds en klagers anderzijds.
Klagers betogen dat verweerders aldus hebben gehandeld in strijd met punt 1.1. van de Leidraad van de Raad. Daarbij komt dat verweerders zich uitsluitend op anonieme bronnen hebben gebaseerd, terwijl diverse andere bronnen – waaronder de Inspecteur Generaal van de VWA – het tegendeel beweren. Deze bronnen werden echter niet genoemd. Zo werden anders luidende verklaringen afgedaan met ‘ontkent natuurlijk alles’ en werd voor een aantal reacties slechts met een enkel woord verwezen naar de website van verweerders. Klagers wijzen er verder op dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om in de uitzending te reageren.
Voorts stellen klagers dat, in strijd met punt 1.3. van de Leidraad, geen dan wel een onvoldoende belangenafweging heeft plaatsgevonden. Het uitzenden van de ongefundeerde beweringen van anonieme bronnen heeft onnodig maatschappelijke onrust teweeg gebracht. Immers, de (onjuiste) suggestie is gewekt dat het in de supermarkt aangeboden vlees niet voor menselijke consumptie geschikt zou zijn. Bovendien heeft de uitzending geleid tot de ondergang van X en Z.
Daarnaast is de uitzending eenzijdig en tendentieus, en om die reden in strijd met punt 1.5. van de Leidraad, aldus klagers. Volgens hen is geen onderscheid gemaakt tussen de wezenlijk verschillende onderwerpen ‘dierenwelzijn tijdens het transport’ en ‘de volksgezondheid’. Daarbij komt dat in de uitzending beelden zijn getoond die betrekking hebben op de periode begin 2007, toen de nieuwe regelgeving werd ingevoerd, waardoor bij vervoerders veel onduidelijkheid bestond over de vraag welke dieren al dan niet mochten worden vervoerd.
Overigens menen klagers dat verweerders in strijd met punt 2.1.2. van de Leidraad een incident hebben uitgelokt met de bestuurder van het slachthuis (Z). Dit had echter inhoudelijk voor de uitzending geen enkele waarde. Ten onrechte is dit incident gebruikt om klagers een slechte naam te geven.
Verweerders hebben verder het telefoongesprek van 28 februari 2008 tussen Y en Palsma uitgezonden, zonder dat Y daarvoor toestemming heeft gegeven. Verweerders hebben daarmee gehandeld in strijd met punt 2.1.6. van de Leidraad, aldus klagers.
Zij stellen vervolgens dat verweerders, in strijd met de punten 2.2.3. en 2.2.5. van de Leidraad, de betrouwbaarheid van hun bronnen onvoldoende hebben onderzocht. Verweerders hebben hun conclusies uitsluitend gebaseerd op anonieme bronnen, terwijl andere verklaringen het tegendeel beweerden. Bovendien hebben verweerders onvoldoende onderzocht c.q. rekening gehouden met de achtergrond van de bronnen en hun verklaringen ten onrechte betrouwbaar geacht.
Klagers betogen voorts dat verweerders hebben nagelaten te verifiëren of er voor de in de uitzending geuite beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestond, hetgeen in strijd is met punt 2.3.1. van de Leidraad. Ter toelichting verwijzen klagers naar hetgeen zij eerder hebben aangevoerd.
Naar de mening van klagers is bovendien de privacy van Y onnodig aangetast, nu hij ten onrechte is genoemd als ‘het grote brein’ achter de vermeende misstanden. Ten onrechte is de nadruk op de persoon van Y gelegd, hetgeen als onnodig en onnodig grievend moet worden beschouwd. Daarbij komt dat de concrete verwijten die Y worden gemaakt, ten onrechte worden gemaakt. Een en ander is volgens klagers in strijd met punt 2.4.1. van de Leidraad. Ter zitting benadrukt Kuipers dat verweerders met de vermelding van de volledige naam van Y onzorgvuldig hebben gehandeld.
Verder zijn – aldus klagers – beelden gebruikt die zijn opgenomen in niet-algemeen toegankelijke ruimten, zonder dat daarvoor door betrokkenen toestemming is verleend, hetgeen in strijd is met punt 2.4.3. van de Leidraad. Zo zijn beelden gebruikt die zijn opgenomen in het kantoor van de raadslieden van klagers. Er is slechts toestemming gegeven een geluidsopname te maken. Daarnaast zijn zonder toestemming beelden uitgezonden die zijn opgenomen op het slachthuis van Z.
            Klagers voeren verder aan dat citaten in een onjuiste context zijn gebruikt. De uitlatingen van de heer Meijer, hoofd communicatie van de VWA, zijn ten onrechte uit hun verband gehaald. Hij heeft immers slechts gezegd dat ‘er’ 14 keer proces-verbaal is opgemaakt, terwijl later in de uitzending door Hertsenberg wordt gezegd: “Ondanks het feit dat de VWA ons heeft verteld dat ‘hij’ 14 processen-verbaal heeft gehad” . Ten onrechte is dus aan de uitlating van Meijer de naam van Y verbonden. Verder hebben verweerders – door beschuldigingen en uitlatingen vloeiend in elkaar te laten overlopen c.q. in verbinding te stellen – een verkeerd beeld van de feitelijke situatie geschetst. Met een en ander hebben verweerders in strijd gehandeld met punt 2.7.2. van de Leidraad, aldus klagers.
            Zij stellen vervolgens dat een beeld is getoond van een koe die niet bij Z is afgeleverd dan wel geslacht, terwijl ten onrechte wordt gesuggereerd dat dit wel het geval is. Volgens klagers is dit niet in overeenstemming met punt 4.1. van de Leidraad.
Ten slotte stellen klagers dat verweerders, in strijd met punt 6.1. van de Leidraad, niet op zo kort mogelijke termijn zijn overgegaan tot een passende en ruimhartige rechtzetting.
Ter zitting benadrukken klagers dat de AID vóór de poort controleert en de VWA op het slachthuis. Er moet duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen het dierenwelzijn (transport) en de voedselveiligheid. Verder deelt mr. Bremer desgevraagd mee dat tijdens het gesprek van 28 februari 2008 door verweerders de indruk is gewekt dat de uitzending vooral zou gaan over een veehandelaar/vervoerder die ook aan X heeft geleverd. De insteek van het gesprek was dat de bewuste vervoerder processen-verbaal heeft gekregen. Met name was aan de orde waarom Y met die vervoerder zaken heeft gedaan. Bremer wijst er verder op dat verweerders geen details hebben willen verstrekken, zoals bijvoorbeeld identificatienummers van in beeld gebrachte koeien, zodat klagers niet hebben kunnen aantonen dat die koeien wel degeljk zijn afgekeurd.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat hij niet de rechtmatigheid van een journalistieke gedraging beoordeelt. Een dergelijke toetsing is voorbehouden aan de rechter. Dit laat echter onverlet dat de Raad zich in zaken die zijn c.q. zouden kunnen worden onderworpen aan een juridische toets, kan uitspreken over de vraag of met een bepaalde journalistieke gedraging beroepsethische normen zijn overschreden.
 
Het voorgaande geldt in beginsel ook als de verweerder niet inhoudelijk op de klacht reageert. Een dergelijke handelwijze dient voor rekening van de verweerder te komen. Als de Raad echter ten aanzien van een bepaald klachtonderdeel meent dat hij niet in staat is om op basis van het standpunt van de klager en de door klager overgelegde stukken tot een gemotiveerd oordeel te komen, zal hij zich ter zake van een oordeel onthouden.
 
De Raad heeft de klacht aldus opgevat, dat de kern ervan bestaat uit twee onderdelen:
1.       de uitzending is niet waarheidsgetrouw;
2.       de werkwijze van verweerders bij de totstandkoming van de uitzending is journalistiek onzorgvuldig.
 
Ad 1.
Klagers hebben gesteld dat verweerders betreffende een groot aantal aan de orde gestelde zaken niet waarheidsgetrouw hebben bericht. De Raad is van oordeel dat hij – gezien op de complexiteit van de materie – ten aanzien van de meeste kwesties geen oordeel kan geven zonder diepgaand feitenonderzoek. De procedure bij de Raad leent zich echter niet voor een dergelijk onderzoek. De klacht gaat dan ook op dit punt de toetsing van het journalistieke fatsoen te boven, behoudens voor zover deze betrekking heeft op de in de uitzending aan de orde gestelde processen-verbaal.
Klagers hebben ter zake een brief van het ministerie van LNV overgelegd, die zij hebben ontvangen naar aanleiding van een door hen ingediend verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. In de brief is vermeld dat het ministerie niet beschikt over processen-verbaal dan wel officiële waarschuwingen die zijn opgemaakt tegen klagers door een onder het ministerie ressorterende instantie. Weliswaar dateert de brief van het ministerie van ná de uitzending, maar klagers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat verweerders er voorafgaand aan de uitzending van op de hoogte hadden kunnen en moeten zijn dat de bewuste processen-verbaal betrekking hebben op overtredingen van regels betreffende veetransporten en dat klagers niet de adressanten waren.
Het had op de weg van verweerders gelegen de uitzending op dit punt te rectificeren en zij hebben dat ten onrechte nagelaten. (zie punt 6.1. van de Leidraad)
Dit onderdeel van de klacht is dan ook gegrond voor zover betrekking hebbend op de in de uitzending aan de orde gestelde processen-verbaal.
 
Ad 2.
Voor zover de klacht betrekking heeft op de werkwijze van verweerders, kan deze naar het oordeel van de Raad worden onderverdeeld in de volgende subonderdelen:
  1. verweerders hebben ongefundeerde ernstige beschuldigingen aan het adres van klagers geuit, zonder klagers voldoende gelegenheid tot wederhoor te bieden;
  2. de privacy van Y is ongerechtvaardigd aangetast;
  3. verweerders hebben op onzorgvuldige wijze materiaal vergaard en dit materiaal uitgezonden;
  4. verweerders hebben ten behoeve van de uitzending een incident uitgelokt met de bestuurder van Z.
 
Ad 2a. en 2b.
De Raad stelt voorop dat een journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. De journalist behoeft echter geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad. (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad)
 
Voorts overweegt de Raad dat het maatschappelijk relevant en journalistiek geboden kan zijn om journalistiek onderzoek te verrichten naar de mogelijke betrokkenheid van klagers bij onoorbare praktijken. Het is immers een taak van de pers om misstanden aan de kaak te stellen.
Het voorgaande neemt niet weg dat een journalist bij zijn onderzoek zorgvuldig te werk moet gaan. Bij het publiceren van beschuldigingen dient hij te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. Voorts past de journalist, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om, zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie te reageren op de aantijgingen. (zie punt 2.3.1. van de Leidraad)
 
Niet ter discussie staat dat partijen op 28 februari 2008 op het kantoor van de raadslieden van klagers hebben gesproken over de – aanvankelijk op 3 maart 2008 geplande – voorgenomen uitzending van verweerders. Uit de door klagers overgelegde stukken blijkt dat de raadslieden van klagers vervolgens in een brief van 28 februari 2008 aan verweerders hebben bericht dat klagers de door Palsma in het gesprek van die dag naar voren gebrachte aantijgingen betwisten en dat zij inzage verzoeken in de onderzoeksresultaten van verweerders om de geuite aantijgingen meer gedetailleerd te kunnen weerleggen. Voorts hebben klagers aan verweerders verzocht hen niet in de uitzending te noemen en hen niet van misstanden te zullen beschuldigen c.q. met misstanden in verband zullen brengen. Daarop is diezelfde dag namens verweerders bericht dat op 3 maart 2008 geen aandacht zou worden besteed aan de kwestie, dat verweerders blijven bij hun beweringen zoals in het gesprek geuit en de zaak nader in onderzoek hebben. Voorts is aan klagers te kennen gegeven dat goede nota is genomen van hun aanbod om een reactie te geven. Vervolgens hebben partijen, blijkens de stukken, nog verschillende malen contact gehad. Nog op donderdag 3 april 2008 hebben de raadslieden van klagers schriftelijk aan verweerders het volgende bericht: “U heeft telefonisch bevestigd dat in de uitzending van maandag a.s. de namen van X en/of de heer Y niet genoemd zullen worden en dat het item over de vleesindustrie niet wordt uitgezonden. Volledigheidshalve bevestig ik deze telefonische mededeling.”
 
Naar het oordeel van de Raad laat de vormgeving van de uitzending – de wijze van presenteren van feiten en meningen in combinatie met de montage van de fragmenten van de interviews – de kijker weinig ruimte voor een andere conclusie dan dat de handelwijze van klagers niet deugt. Daarbij is de berichtgeving zodanig toegespitst op de persoon van Y, dat de gemiddelde kijker zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de in de uitzending aan de orde gestelde misstanden voornamelijk aan Y te verwijten zijn.
 
Aldus is sprake van een zodanige diskwalificatie van klagers dat verweerders deze niet zonder deugdelijke grondslag en behoorlijke toepassing van wederhoor hadden mogen publiceren. Gelet op de hiervoor ad. 1. genoemde complexiteit van de zaak kan de Raad niet vaststellen of voor de beschuldigingen aan het adres van klagers een deugdelijke grondslag bestaat.
 
Gezien de overgelegde correspondentie tussen partijen na het gesprek van 28 februari 2008, is de Raad echter van oordeel dat klagers ervan uit mochten gaan dat verweerders niet zonder nadere aankondiging en zonder klagers in de gelegenheid te stellen opnieuw en meer gedetailleerd op de beschuldigingen te reageren, tot uitzending zouden overgaan. Klagers hebben aannemelijk gemaakt dat aan hen is toegezegd dat verweerders op maandag 7 april 2008 geen aandacht aan de kwestie zouden besteden, hetgeen toch is gebeurd.
 
 
Dat de identiteit van een betrokkene door een publicatie bekend wordt, maakt die publicatie evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privéleven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijk belang anderzijds. (vgl. onder meer: RvdJ 2008/32)
 
Naar het oordeel van de Raad is in dit geval niet gebleken dat met het noemen van de volledige naam van Y een maatschappelijk belang is gediend, dat bovendien zwaarder weegt dan het individuele belang van Y. Y had ook anoniem kunnen worden genoemd of hoogstens met initialen kunnen worden aangeduid zonder dat afbreuk was gedaan aan de aard en inhoud van de uitzending. Niet is gebleken dat door het weglaten van zijn volledige naam een onaanvaardbare onduidelijkheid voor de kijker zou zijn ontstaan.
Hieruit volgt dat verweerders niet op verantwoorde wijze het belang van Y bij de bescherming van zijn privacy hebben afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie is gediend. Daarbij komt dat Y – gezien de brief van zijn raadslieden aan verweerders van 3 april 2008 – ervan uit mocht gaan dat zijn naam niet in de uitzending van
7 april 2008 zou worden vermeld. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de vermelding van de naam van Y een ongerechtvaardigde aantasting vormt van diens privéleven.  
 
Door te handelen en na te laten als hiervoor bedoeld hebben verweerders de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk toelaatbaar is. Deze klachtonderdelen zijn derhalve gegrond.
 
Ad 2c.
Klagers hebben gesteld dat verweerders onzorgvuldig hebben gehandeld door een telefoongesprek met Y uit te zenden en beelden te gebruiken die zijn opgenomen op het kantoor van de raadslieden van klagers en op het slachthuis van Z
 
De journalist die een telefoongesprek opneemt teneinde (delen van) die opname uit te zenden of te publiceren, stelt zijn gesprekspartner ervan op de hoogte dat, en met welk doel, hij die opname maakt. (zie punt 2.1.6. van de Leidraad)
 
Bovendien zendt de journalist geen beelden uit die zijn gemaakt van personen in niet-algemeen toegankelijke ruimten zonder hun toestemming. (zie punt 2.4.3. van de Leidraad)
De journalist kan echter van deze normen afwijken als een gewichtig maatschappelijk belang dit rechtvaardigt en hetzelfde doel op geen andere manier bereikt kan worden (zie de inleiding van de Leidraad).
 
Ten aanzien van het uitzenden van het telefoongesprek tussen Y en Palsma overweegt de Raad het volgende. Klagers hebben aangevoerd dat Y op 27 februari 2008 telefonisch door Palsma is benaderd en dat in dat gesprek aan de orde is geweest waarover Palsma Y wenste te spreken. Toen Y Palsma terugbelde op 28 februari 2008 wist hij derhalve met wie hij sprak en in welk verband. Onder deze omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat verweerders journalistiek onzorgvuldig jegens klagers hebben gehandeld, door het telefoongesprek van 28 februari uit te zenden.
 
Verweerders hebben evenmin journalistiek ontoelaatbaar gehandeld door het gebruik van de beelden die zijn opgenomen op het kantoor van de raadslieden van klagers. Uit het uitgezonden telefoongesprek blijkt immers dat Palsma met Y is overeengekomen dat beelden zouden worden gemaakt. De beelden zijn onscherp en Y noch zijn raadslieden zijn herkenbaar in beeld gebracht.
 
Verder overweegt de Raad dat uit de uitzending blijkt dat de bestuurder van het slachthuis de verslaggevers van ‘Radar’ heeft ontmoet op het kantoor van klagers raadslieden, direct na afloop van het hierboven bedoelde gesprek. Duidelijk is dat de bestuurder bekend was met de identiteit van de verslaggevers en de reden van hun bezoek. Vervolgens zijn de verslaggevers met de bestuurder meegegaan naar het slachthuis. De uitgezonden beelden zijn grotendeels onscherp en de op het slachthuis aanwezige personen zijn niet herkenbaar in beeld gebracht. Daarbij komt dat verweerders met de uitzending kennelijk hebben beoogd om in het algemeen belang ernstige misstanden aan het licht te brengen dan wel een zaak van maatschappelijk belang scherper te belichten. Al deze omstandigheden in aanmerking genomen, bestaat geen grond voor de conclusie dat verweerders met het uitzenden van deze beelden journalistiek onzorgvuldig jegens klagers hebben gehandeld. Dit onderdeel van de klacht moet dan ook worden afgewezen.
 
Ad 2d.
Klagers hebben verder gesteld dat de gedragingen van de verslaggevers tijdens hun bezoek op het slachthuis in strijd zijn met punt 2.1.2. van de Leidraad, dat luidt: “De journalist lokt geen incidenten uit met de kennelijke bedoeling nieuws te creëren.”
 
Zoals hiervoor onder 2c. is overwogen heeft de bestuurder van het slachthuis de verslaggevers van ‘Radar’ meegenomen naar het slachthuis, terwijl hij bekend was met de identiteit van de verslaggevers en de reden voor hun bezoek. Uit de uitzending komt het beeld naar voren dat de bestuurder vervolgens op het slachthuis geïrriteerd is geraakt door de vragen van de verslaggevers. Dit resulteerde erin dat de bestuurder de verslaggevers op zijn bedrijf wenste vast te houden tot de komst van de Rijksrecherche, waarop de verslaggevers te kennen gaven dat zij het gesprek wensten te beëindigen. Een en ander biedt geen grond voor de conclusie dat de verslaggevers een incident hebben uitgelokt met de kennelijke bedoeling nieuws te creëren. Dit onderdeel van de klacht moet eveneens worden afgewezen. (vgl. RvdJ 2007/46)
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond voor zover deze betrekking heeft op de in de uitzending aan de orde gestelde processen-verbaal, het onvoldoende toepassen van wederhoor en het schenden van de privacy van Y. De klacht is ongegrond voor zover deze betrekking heeft op het uitzenden van een telefoongesprek met Y, het gebruiken van beelden die zijn opgenomen op het kantoor van klagers raadslieden en op het slachthuis, en het uitlokken van een incident. Voor het overige onthoudt de Raad zich van een oordeel.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 16 februari 2009 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, drs. G.T.M. Driehuis, mw. E.H.C. Salomons, mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. F.G. Jansma, plaatsvervangend secretaris.