2009/13 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Den Haag Centraal B.V.
 
tegen
 
AD Nieuwsmedia B.V. en de hoofdredacteur van AD Haagsche Courant
 
Bij brief van 27 november 2008 heeft R.H. Conijn, uitgever, namens Den Haag Centraal B.V. te Den Haag (hierna: klaagster), een klacht ingediend tegen AD Nieuwsmedia B.V. en de hoofdredacteur van AD Haagsche Courant (hierna: verweerders). Hierop heeft mr. O.G. Trojan, advocaat te Den Haag, namens verweerders geantwoord in een brief van 19 december 2008 met drie bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 16 januari 2009. Namens klaagster is daar voornoemde Conijn verschenen, die het standpunt van klaagster heeft toegelicht aan de hand van een pleitnota. Van de zijde van verweerders zijn D. Mulkens, hoofdredacteur AD Haagsche Courant, en mw. mr. D.H. Bremmer, advocaat te Den Haag, verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 20 november 2008 is in AD Haagsche Courant een artikel verschenen onder de kop “Rotterdamse krant stopt”. In het artikel wordt aandacht besteed aan het feit dat het Rotterdamse weekblad Vandaag&Morgen voorlopig niet meer zal verschijnen. Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
“Ook elders in de regio lijden kranten een noodlijdend bestaan. Een voorbeeld daarvan is volgens Dennis Mulkens, hoofdredacteur van AD Haagsche Courant, het weekblad Den Haag Centraal dat weinig advertenties telt. De oplagecijfers van het blad zijn niet bekend. ,,Het kunnen er 4000 zijn of misschien 5000. Het is in elk geval geen concurrent van ons, ook omdat er niets over de regio instaat of over sport”.” 
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster acht het uiterst merkwaardig dat bij de totstandkoming van het artikel niet een woordvoerder van Den Haag Centraal is geraadpleegd, maar dat in plaats daarvan de hoofdredacteur van ‘concurrent’ AD Haagsche Courant aan het woord is gelaten, die er vervolgens – zonder enige kennis van zaken – lustig op los praat.
Volgens klaagster bevat het artikel een aantal feitelijke onjuistheden. Zo stelt Mulkens dat Den Haag Centraal weinig advertenties telt, terwijl in het blad al weken vrijwel een derde van de omvang van het blad uit advertenties bestaat. Met betrekking tot de gestelde oplagecijfers merkt klaagster op dat op haar website duidelijk de garantieoplage van 12.500 is vermeld en dat de betaalde oplage inmiddels circa 7500 bedraagt.
De vermelding dat in Den Haag Centraal niets staat over de regio, is vermoedelijk ongelukkig uitgedrukt, aldus klaagster. Den Haag Centraal gaat namelijk uitsluitend over de regio Den Haag, Rijswijk, Voorburg-Leidschendam en Wassenaar en niet over het gehele stadsgewest Haaglanden inclusief Zoetermeer.
Volgens klaagster is de uitlating over sport echter pertinent onwaar. Den Haag Centraal bevat wekelijks minimaal drie sportpagina’s, waaronder vaste columns van onder meer Kees Jansma, Marcella Mesker en Marc Delissen.
Klaagster stelt voorts dat verweerders ten onrechte geen enkele poging hebben gedaan om informatie bij haar in te winnen, terwijl het mobiele nummer van de hoofdredacteur van Den Haag Centraal bij verweerders bekend is. Bovendien is kennelijk zelfs niet gekeken op de website van Den Haag Centraal. Klaagster is voorts van mening dat de wijze waarop verweerders in het artikel de eigen hoofdredacteur badinerend aan het woord laten, op zijn minst de indruk wekt dat het de bedoeling is geweest de reputatie van Den Haag Centraal te schaden. Hieraan heeft Conijn ter zitting toegevoegd dat de promotieteams van Den Haag Centraal kort na het verschijnen van het artikel hebben gemerkt dat mensen beducht zijn om een jaarabonnement af te sluiten, omdat ze hebben gelezen dat het slecht met de krant gaat. Ook in de advertentiemarkt zou de schade groot kunnen zijn. In dit kader acht klaagster van belang dat zij in de wereld van grote adverteerders, zoals de Bijenkorf en de Rabobank, juist enig vertrouwen begon te krijgen.
Voor zover verweerders wijzen op een op het internet geplaatst interview met de hoofdredacteur van Den Haag Centraal, merkt klaagster op dat dit interview heeft plaatsgevonden met een studente voor haar afstudeerscriptie en niet voor openbare publicatie was bestemd. Bovendien heeft dit interview ruim een half jaar vóór het gewraakte artikel plaatsgevonden en zijn sindsdien de oplagecijfers verhoogd. Het was dus op zijn plaats geweest als verweerders voor de correcte cijfers een telefoontje hadden gepleegd naar Den Haag Centraal, in plaats van naar hun eigen hoofdredacteur, aldus klaagster.
 
Verweerders stellen dat het artikel is opgesteld naar aanleiding van het bericht dat het Rotterdamse weekblad Vandaag&Morgen zou stoppen. Besloten is om dat bericht in een breder kader te plaatsen en de concurrentie tussen kranten en de teruglopende advertentiemarkt aan de orde te stellen. De verslaggever heeft daarop contact gezocht met Mulkens. Niet in diens hoedanigheid als hoofdredacteur, maar omdat hij kennis en ervaring heeft op het gebied van onder meer de concurrentie tussen regionale dagbladen en de advertentiemarkt. In dat gesprek heeft Mulkens tot uiting gebracht dat Den Haag Centraal om verschillende redenen geen significante concurrentie vormt voor AD Haagsche Courant. Met de inhoudelijke verwerking van het artikel heeft Mulkens geen bemoeienis gehad. Nadat hij de ochtendeditie onder ogen had gekregen, heeft hij besloten de passage over de aandacht in Den Haag Centraal aan sport te laten te schrappen uit de middageditie.
Volgens verweerders bevat het artikel geen relevante onjuistheden. Het aandeel van Den Haag Centraal in de advertentiemarkt is gering, zeker in relatie tot het AD. Verder wijzen verweerders erop dat aan de hand van de op de website gepubliceerde uitgaven van de krant eenvoudig kan worden vastgesteld dat het aantal advertenties zeker geen eenderde van de beschikbare ruimte inneemt. Ter zitting hebben verweerders dit standpunt onderbouwd door overlegging van de laatste uitgave van Den Haag Centraal. Verweerders benadrukken voorts dat de opmerking van Mulkens in de context van een vergelijking tussen twee kranten en hun onderlinge concurrentie moet worden gezien. Dit geldt ook voor zijn uitlating over de oplagecijfers van klaagster. Mulkens heeft daarmee tot uiting willen brengen dat de oplage van Den Haag Centraal niet zodanig is, dat er sprake is van een significante concurrentie. Dit geldt evenzeer indien die oplage 7500 is in plaats van 5000. Overigens heeft Mulkens bij deze opmerking een slag om de arm gehouden, aldus verweerders. In dit verband wijzen verweerders er verder nog op dat de hoofdredacteur van Den Haag Centraal in een interview heeft laten optekenen dat Den Haag Centraal 4000 abonnementen heeft en 2000 nummers los verkoopt. Dit aantal komt dichter bij de schatting van Mulkens dan de door klaagster genoemde 7500.
Wat betreft de opmerking van Mulkens ter zake van berichtgeving over de regio, geeft klaagster zelf al aan dat daarmee uiteraard wordt bedoeld dat Den Haag Centraal geen aandacht besteed aan het gehele stadsgewest Haaglanden en Zoetermeer. Met zijn uitlating over sport heeft Mulkens tot uiting willen brengen dat Den Haag Centraal en het AD verschillende grootheden zijn, aldus verweerders. Zij achten in dit verband van belang dat Mulkens zelf ook van mening was dat hij te bondig was geciteerd en dat hij – handelend als hoofdredacteur – heeft besloten de passage uit de middageditie te laten verwijderen.
Verweerders zijn van mening dat geen sprake is van zodanige feitelijke onjuistheden dat gesproken moet worden van een onbehoorlijke journalistieke gedraging. Volgens verweerders is voorts het beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden. Zij wijzen daarbij op punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad en stellen dat in dit geval van een beschuldiging geen sprake is. In het artikel zijn slecht enige opmerkingen van Mulkens opgetekend die betrekking hebben op de concurrentie tussen twee kranten.
Voor zover klaagster stelt dat verweerders een plicht hadden om nadere informatie in te winnen, menen verweerders dat aan deze plicht is voldaan doordat contact is opgenomen met Mulkens. Gelet op de kennis en ervaring van Mulkens bestond geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van de informatie. Volgens verweerders gaat het om berichtgeving van feitelijke aard, waarvoor geen verplichting tot wederhoor geldt. Zelfs indien achteraf beschouwd de feiten niet volledig accuraat blijken te zijn, is niet opeens met terugwerkende kracht sprake van schending van een verplichting tot wederhoor of het inwinnen van informatie.
Daarnaast betwisten verweerders dat Mulkens zich badinerend heeft uitgelaten over Den Haag Centraal. Volgens verweerders beperkt Mulkens zich hoofdzakelijk tot een bespreking van de verschillen die er nu eenmaal zijn tussen een kleine Haagse weekkrant en een landelijk dagblad. Wat de aanduiding ‘noodlijdend’ betreft, zijn er bovendien voldoende aanwijzingen dat klaagster het niet gemakkelijk heeft, aldus verweerders. Van een onbehoorlijke journalistieke gedraging is in elk geval geen sprake.
Tot slot wijzen verweerders erop dat de klacht betrekking heeft op een passage waarin Mulkens wordt geïnterviewd als deskundige. Hoewel Mulkens ook hoofdredacteur is, droeg hij op dat moment geen journalistieke verantwoordelijkheid voor het artikel. Verweerders vragen zich dan ook af of de klacht op dit punt wel betrekking heeft op een journalistieke gedraging.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat sprake is van onjuiste, tendentieuze berichtgeving, waardoor een onjuist, negatief beeld is ontstaan van Den Haag Centraal.
 
Ingevolge artikel 1.1. van de Leidraad van de Raad behoort de journalist waarheidsgetrouw te berichten. Op basis van zijn informatie moeten lezers, kijkers en luisteraars zich een zo volledig mogelijk en controleerbaar beeld vormen van het nieuwsfeit waarover wordt bericht. Bovendien maakt de journalist een duidelijk onderscheid tussen feiten, beweringen en meningen. (zie punt 1.4. van de Leidraad)
 
De Raad stelt voorop dat Mulkens als hoofdredacteur verantwoordelijk is voor de berichtgeving in AD Haagsche Courant. De omstandigheid dat hij – zoals ter zitting naar voren is gebracht – telefonisch een verslaggever van zijn krant te woord heeft gestaan en eerst bij het verschijnen van de ochtendeditie op de hoogte was van de inhoud van het artikel, maakt die verantwoordelijkheid niet anders. Bovendien is in het artikel Mulkens niet als deskundige aangeduid, maar als hoofdredacteur van AD Haagsche Courant.
 
Met betrekking tot de gestelde onjuistheden overweegt de Raad voorts dat de beweringen in het artikel ten aanzien van klaagster niet geheel accuraat zijn. Er is echter geen sprake van zodanige feitelijke onjuistheden dat met de publicatie daarvan jegens klaagster journalistiek onzorgvuldig is gehandeld. 
 
Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat in het artikel duidelijk naar voren komt dat de opmerkingen over Den Haag Centraal – waaronder begrepen dat Den Haag Centraal een voorbeeld zou zijn van een krant met een ‘noodlijdend’ bestaan – geen feiten betreffen, maar de mening van Mulkens.
 
Gezien zijn positie als hoofdredacteur had het op de weg van Mulkens gelegen om extra zorgvuldigheid te betrachten bij de wijze waarop hij zich in zijn eigen dagblad uitlaat over een (min of meer) concurrerend blad. Het was wellicht beter geweest als hij de verslaggever, door wie hij werd benaderd, had doorverwezen naar klaagster. Dat hij dat heeft nagelaten is – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – echter niet van zodanige aard, dat hij daarmee jegens klaagster journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. Er is geen sprake van ernstige beschuldigingen, die niet zonder toepassing van wederhoor gepubliceerd hadden mogen worden.
 
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in AD Haagsche Courant te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 13 februari 2009 door mw. mr. H. Troostwijk, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. F.W. Dresselhuys, mw. drs. J.X. Nabibaks en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.