2009/1 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
 
tegen
 
K. van der Linden en de hoofdredacteur van het Haarlems Dagblad 
 
Bij brief van 20 oktober 2008 met een bijlage heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen K. van der Linden en de hoofdredacteur van het Haarlems Dagblad (hierna: verweerders). Hierop heeft F. Hoogendoorn namens verweerders geantwoord in een e-mailbericht van 25 november 2008. Mr. J.V.C. Constandse, advocaat te Haarlem, heeft daarop namens klager nog gereageerd in een schrijven van 25 november 2008. 
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 november 2008, waar klager noch verweerders zijn verschenen.
 
Een der leden van de Raad heeft zich verschoond. De zaak is behandeld door de voorzitter en resterende leden.
 
DE FEITEN
 
Op 29 september 2008 is in het Haarlems Dagblad een artikel van de hand van Van der Linden verschenen onder de kop “’Ik had liever twintig jaar cel gehad dan tbs’”, waarvan de lead luidt:
“De Haarlemse tbs’er die in 1997 op ijzingwekkende wijze een Chinese vrouw afslachtte, heeft de rechtbank met klem om behandeling gevraagd.
In de Pompekliniek zit hij al jaren als hopeloos geval op een longstayafdeling, waar hij geen therapie krijgt en dus geen uitzicht heeft op genezing. ,,Ik had liever twintig jaar cel gehad.””
Vervolgens wordt verslag gedaan van een zitting van de rechtbank, waar werd beoordeeld of de maatregel van terbeschikkingstelling die was opgelegd aan klager, diende te worden verlengd. Het artikel eindigt met de volgende passage:
“De Haarlemmer werd in 1998 veroordeeld tot vijf jaar cel en tbs met dwangverpleging. Nadat hij zijn slachtoffer had gewurgd, sneed hij haar hoofd af en begroef dat onder twee stoeptegels bij de rotonde aan de Kleverlaan. Uitspraak over twee weken.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat het artikel op sterk overtrokken en smeuïge wijze verslag heeft gedaan van de zitting, die alleen betrekking had op de vraag of de lopende terbeschikkingstelling wel of niet moest worden verlengd. Volgens klager heeft het artikel een opruiend karakter en hebben verweerders er ten onrechte een zeer denigrerend verhaal van gemaakt. Klager verwijt verweerders dan ook smaad en laster. Dit klemt volgens klager te meer nu het gepleegde delict in het geheel niet ter discussie stond en geen onderdeel was van de zitting.
Verweerders hebben kennelijk geen enkel besef wat een dergelijk artikel met hem en zijn familie en vrienden doet, zo stelt klager. Ook hebben verweerders kennelijk niets geleerd van een eerdere zaak tussen partijen, waarin de Raad voor de Journalistiek zijn klacht gegrond heeft verklaard, aldus klager.
Klager stelt dat het delict helaas is gepleegd, maar dat het niet aan gaat dat klager door verweerders zwart-wit wordt neergezet en in het artikel wordt geschoffeerd en beledigd. Daarbij wijst klager met name op de omstandigheid dat hij in het artikel wordt beschreven als iemand die “op ijzingwekkende wijze een Chinese vrouw afslachtte”. Volgens klager heeft het woord slachten al iets gruwelijks in zich, maar doet het gebruik van de term ijzingwekkend daar nog een schep bovenop. Bovendien is de voorstelling in strijd met de waarheid, nu de vrouw eerst is gewurgd. Eerst na haar overlijden vonden de feiten plaats, die door verweerders zijn vermeld, zo stelt klager. 
Klager benadrukt dat de suggestieve wijze waarop hij wederom wordt neergezet zijn familie groot leed heeft aangedaan. Dit was voor klager ook aanleiding om verhaal te halen. Telefonisch contact met Van der Linden heeft evenwel niets opgeleverd.
 
Verweerders stellen dat zij zich niet herkennen in de stelling van klager dat het artikel sterk overtrokken, smeuïg en denigrerend is. Bovendien is het verweerders onduidelijk op welke passages klager doelt. Volgens verweerders is het artikel zakelijk en worden in het artikel de feiten behandeld zoals die er liggen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerders op onjuiste, suggestieve wijze over klager hebben bericht.
 
Volgens het vaste oordeel van de Raad is het in het kader van verslaggeving over rechtszaken niet ontoelaatbaar dat standpunten van betrokken partijen enigszins worden aangezet en een niet geheel neutrale toon wordt gebruikt. 
 
Hoewel de omschrijving van het gepleegde delict in het begin van het artikel minder sterk aangezet had kunnen worden, is naar het oordeel van de Raad geen sprake van ontoelaatbare subjectieve berichtgeving. Daarbij overweegt de Raad dat niet is gebleken dat het artikel relevante feitelijke onjuistheden bevat en dat in het slot het delict op juiste wijze is omschreven. De in het begin gebruikte kwalificatie dat klager “op ijzingwekkende wijze een Chinese vrouw afslachtte” heeft kennelijk betrekking op het totale feitencomplex.
 
Alles overziend is de Raad van oordeel dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. onder meer: RvdJ 2008/49)
 

BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in het Haarlems Dagblad te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 23 januari 2009 door mr. C.A. Streefkerk, voorzitter, drs. C.M. Buijs, mw. A.C. Diamand en T.R. Harkema, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mw. mr. P.J. Blok, plaatsvervangend secretaris.