2008/9 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
het ministerie van Defensie 
 
tegen
 
de hoofdredacteur van Argos (VPRO)
 
Bij brief van 21 december 2007 met vier bijlagen heeft drs. J.B. Veen, directeur voorlichting en communicatie, namens het ministerie van Defensie te Den Haag (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Argos (hierna: verweerder). Hierop heeft mr. O.M.B.J. Volgenant, advocaat te Amsterdam, namens verweerder geantwoord in een brief van 22 januari 2008 met vijf bijlagen en bij brief van 28 januari 2008 met zestien bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 31 januari 2008, alwaar voornoemde Veen namens klager is verschenen, vergezeld door de heer R. van de Wetering. Van de zijde van verweerder zijn daar verschenen voornoemde Volgenant, H. Jaspers, verslaggever, G. Legebeke, eindredacteur, en K. Schaepman, hoofdredacteur van de VPRO. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.
 
DE FEITEN
 
Op 17 en 19 oktober 2007 heeft het radioprogramma Argos een tweeluik uitgezonden met de titel “Clandestiene operaties van Nederlandse commando's in Afghanistan”. In de uitzendingen wordt op basis van onder meer verklaringen, foto’s en een ‘After Action Report’ (een officieel intern verslag van een eenheid van het Amerikaanse Korps Mariniers) bericht dat Nederlandse militairen begin 2002 hun mandaat te buiten zijn gegaan. In de uitzending geven Kamerleden en diverse deskundigen commentaar op het door Argos verzamelde beeldmateriaal en documenten.
 
De aankondiging van de presentator van ‘De Ochtenden’ luidt:
“Het kabinet moet nog steeds een beslissing nemen over de verlenging van de missie in Uruzgan. De Nederlandse militaire toekomst in Afghanistan is dus nog steeds ongewis, maar ook het Nederlandse militaire verleden in Afghanistan is ongewis, zo ontdekte de redactie van Argos. Wat deden Nederlandse commando’s in dat land in de eerste helft van 2002 toen het mandaatgebied van de Nederlandse militairen niet verder reikte dan de stadsgrenzen van de hoofdstad Kabul.”
 
In de uitzendingen is onder meer het volgende gezegd:
“Wij nemen u vandaag en overmorgen mee naar Afghanistan; naar Afghanistan aan het eind van 2001 en de eerste helft van 2002. In die periode woedt er volop oorlog in dat land. Enkele maanden daarvoor, in oktober 2001, zijn de Amerikanen samen met een aantal bondgenoten – onder de naam ‘Operatie Enduring Freedom’ – het land binnengevallen om het Talibanbewind te verdrijven en de Al Quaidakampen te vernietigen.
en
 Nederland doet niet mee aan die oorlog in Afghanistan. Pas als de Verenigde Naties vragen om een vredesmacht voor het gebied dat onder controle is, stuurt Nederland eind 2001 militairen naar Afghanistan, soldaten van de luchtmobiele brigade aangevuld met een detachement van het corps commandotroepen, Nederlandse special forces.”
en
Reporter: Het NOS Journaal in 2001. Journaallezer: De Nederlandse militairen gaan uitdrukkelijk niet naar Afghanistan om mee te doen aan die jacht op de Taliban en Al Quaida, maar uitsluitend om voor stabiliteit te zorgen, als onderdeel van de VN vredesmacht ISAF, de Internationale Security Assistance Force. Het mandaatgebied van ISAF en dus van de Nederlandse militairen beperkt zich in 2002 strikt tot de Afghaanse hoofdstad Kabul.
Reporter: Dat is het officiële verhaal. Maar wij presenteren vandaag en overmorgen bewijsmateriaal dat erop wijst dat militairen van het Nederlandse corps commandotroepen in 2002 hebben geopereerd buiten het ISAF mandaat om en in Afghanistan wel degelijk hebben meegedaan aan de operatie Enduring Freedom. We beschikken over getuigenverklaringen deels op band, deels anoniem, officiële documenten en uitgebreid beeldmateriaal.”
en
“Volgens het after action report maakt Nederlandse special forces deel uit van een internationale eenheid, die vanuit Kandahar opereerde. De naam van die eenheid was ‘Task Force Quebar’. Regeringen van andere landen die met special forces meededen aan Task Force Quebar, hebben dat destijds ook keurig aan hun parlementen gemeld. Maar volgens de Nederlandse regering zaten Nederlandse special forces op dat moment uitsluitend in Kabul, als onderdeel van de VN stabilisatiemacht ISAF.”
 
Voorafgaand aan de uitzending van het eerste deel van het tweeluik heeft verweerder bij
e-mail van 5 september 2007 aan klager elf uitgebreide vragen gesteld over de rol van Nederlandse militairen in Afghanistan. Bij e-mail van 10 september 2007 heeft R.K. Middel, Hoofd Bureau Woordvoering Operaties, namens klager deze vragen beantwoord. In reactie hierop heeft verweerder bij e-mail van 12 september 2007 en 15 oktober 2007 nadere vragen gesteld. Bij e-mail van 16 oktober 2007 heeft klager deze vragen uitgebreid beantwoord. Naast genoemde e-mailwisselingen hebben er tussen klager en verweerder enkele telefoongesprekken plaatsgevonden. Verweerder heeft bij e-mail van 17 oktober 2007 naar aanleiding van de door klager op 16 oktober 2007 gegeven antwoorden nog een negental nieuwe vragen gesteld. Bij e-mail van 17 oktober 2007 geeft klager aan dat het in de beantwoording van de gestelde vragen zou helpen als verweerder de informatie zou tonen die hij ook aan Kamerleden en collega-journalisten heeft laten zien. Verweerder antwoordt bij
e-mail van 23 oktober 2007 dat hij graag schriftelijk de garantie zou willen hebben dat klager het geplande gesprek op het departement niet zal gebruiken om achter de bronnen van verweerder aan te gaan. Bij e-mail van dezelfde dag heeft klager verweerder de gevraagde schriftelijke bevestiging toegestuurd.
 
Op 30 oktober 2007, 15 november 2007 en 23 januari 2008 hebben gesprekken plaatsgevonden tussen klager en verweerder op het departement.
 
 
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat verweerder in zijn uitzendingen van 17 en 19 oktober 2007 ernstige beschuldigingen heeft geuit die het vertrouwen in de krijgsmacht en het politieke vertrouwen in de minister van Defensie hebben geschaad. Zo wordt in de uitzendingen het beeld neergezet dat Nederlandse militairen in 2002 in Afghanistan heimelijk operaties hebben uitgevoerd en wordt gesproken van een clandestiene oorlog in Afghanistan. Voorts wordt in de uitzendingen gesuggereerd dat Nederlandse militairen ver buiten hun mandaat hebben geopereerd. Bovendien zouden Nederlandse militairen aan de operatie Enduring Freedom hebben deelgenomen. Omdat hiermee de suggestie wordt gewekt dat de operaties niet zouden zijn gemeld aan de militaire leiding in Den Haag en de politieke leiding, of door de politieke leiding van het ministerie van Defensie niet aan de Tweede Kamer zouden zijn gemeld, zijn de beschuldigingen als ernstig te bestempelen, aldus klager. Dergelijke ernstige beschuldigingen had verweerder niet mogen uitzenden zonder met bijzondere zorgvuldigheid te werk te gaan, zoals een ruime toepassing van wederhoor. Het enkel voorleggen van een aantal vragenlijsten voorafgaand aan de uitzendingen was daartoe volgens klager onvoldoende. Ook heeft verweerder ondanks een daartoe gedaan verzoek ten onrechte geen tijdige inzage gegeven in het materiaal waarop hij zijn beschuldigingen baseerde. Dit klemt temeer nu Kamerleden, collega-journalisten en deskundigen wel inzage in het materiaal kregen. Pas anderhalve week na de uitzendingen heeft verweerder op een herhaald verzoek om inzage het materiaal ter inzage gegeven. Volgens klager kon toen worden vastgesteld dat verweerder een verkeerde interpretatie heeft gegeven aan de stukken. Als verweerder eerder inzage had gegeven, dan had voorkomen kunnen worden dat in de uitzendingen op basis van deze verkeerde interpretatie de beschuldiging werd geuit dat Nederlandse militairen zelfstandig en heimelijk operaties in Afghanistan uitvoerden, dan wel dat de minister van Defensie het parlement verkeerd zou hebben geïnformeerd. Klager is van mening dat de werkwijze van verweerder onjuist is en wenst dat de Raad een algemeen oordeel uitspreekt over hoe wederhoor door journalisten zou moeten plaatsvinden, afgemeten aan de aard van de beschuldigingen die in de journalistieke publicatie worden geuit.
 
Verweerder stelt voorop dat de authenticiteit van het materiaal niet ter discussie staat. Tussen klager en verweerder bestaat wel verschil van mening over de interpretatie van het materiaal en de context van die feiten. Verweerder benadrukt dat voorafgaand aan de uitzendingen zeer zorgvuldig onderzoek is gedaan. De inhoud van de gewraakte uitzendingen is gebaseerd op meerdere bronnen. De redactie heeft de authenticiteit en inhoud van deze bronnen maandenlang zeer uitvoerig gecheckt, aldus verweerder. Zo zijn inlichtingen gevraagd bij onder andere een buitenlandse onderzoeker van het Amerikaanse internationale beleid, bij voorlichtingsfunctionarissen van het Pentagon en het Amerikaanse Corps Mariniers en bij twee oud-ministers van Defensie. Met betrekking tot het gebruikte fotomateriaal zijn deskundigen gehoord op het gebied van fototechniek, militaire deskundigen, Afghanistan deskundigen en Britse, Duitse en Nederlandse defensie-onderzoekers en inlichtingenexperts. Nadat deze deskundigen de authenticiteit van het beschikbare materiaal hadden vastgesteld is het materiaal voorgelegd aan vijf leden van de Tweede Kamer en is klager benaderd in het kader van wederhoor. Daartoe zijn voorafgaand aan de uitzendingen per e-mail van 5 september, 15 oktober, 16 oktober en 17 oktober 2007 ten minste vijfentwintig vragen gesteld aan klager. Op de gedetailleerde en concrete vragen is door klager echter voornamelijk ontkennend geantwoord. Klager heeft aldus zeer zuinig gebruik gemaakt van de geboden gelegenheden om wederhoor te geven. Pas na de uitzendingen was klager bereid tot uitgebreider wederhoor en hebben enkele gesprekken plaatsgevonden, aldus verweerder. Verder benadrukt verweerder dat klager pas ná de uitzending van 17 oktober 2007 om inzage in het materiaal heeft gevraagd. Verweerder heeft hieraan gehoor gegeven en heeft klager op 30 oktober 2007 inzage gegeven in het bronmateriaal. Voorafgaand aan de uitzendingen is ervoor gekozen om gerichte vragen te stellen aan klager, onder meer omdat aan de bronnen op hun specifieke verzoek is toegezegd dat het materiaal niet aan klager zou worden getoond. Na de uitzendingen hadden de bronnen op verzoek van de redactie toestemming gegeven het bronmateriaal aan klager te tonen, indien klager schriftelijk zou verklaren niet achter de bronnen aan te gaan. Verweerder blijft bij zijn standpunt dat in de uitzendingen geen verkeerde interpretatie van stukken is gegeven. Verweerder concludeert dat hij zeer zorgvuldige onderzoeksjournalistiek bedrijft. Hij onderkent dat het in dit geval gaat om een politiek zeer gevoelige kwestie en dat in de uitzendingen gevoelige informatie bekend is gemaakt. Verweerder betwist ten stelligste dat hij klager onvoldoende gelegenheid tot wederhoor heeft geboden. Dat klager voorafgaand aan de uitzendingen de gerichte en concrete vragen niet serieus heeft beantwoord, kan verweerder niet worden verweten.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad ziet geen aanleiding een algemeen oordeel te geven over hoe wederhoor door journalisten zou moeten plaatsvinden nu in deze op dit punt zich geen principiële vraagstukken voordoen. De Raad zal zich beperken tot de kern van de klacht, namelijk de vraag of verweerder voorafgaand aan de uitzending van 17 oktober 2007 op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan het beginsel van hoor en wederhoor.
 
De Raad stelt voorop dat een journalist geen toestemming voor of instemming met een publicatie behoeft te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient de journalist het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad (zie punt 1.3. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek).
Verder dient de journalist bij het publiceren van beschuldigingen te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. De journalist past, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie, te reageren op de aantijgingen (zie punt 2.3.1. van de Leidraad).
 
In de uitzendingen van 17 en 19 oktober 2007 wordt door verweerder bericht over geheime militaire operaties in Afghanistan. De luisteraar van de uitzendingen zal zich na de uitzendingen niet aan de indruk hebben kunnen onttrekken dat de Nederlandse militairen clandestiene operaties in Afghanistan uitvoerden, buiten het mandaat om dat de politiek ter zake had verleend. De Raad begrijpt dat dit voor klager politiek zeer gevoelig ligt. Naar het oordeel van de Raad kan echter niet worden gezegd dat verweerder klager onvoldoende gelegenheid heeft gegeven tot wederhoor. Voorafgaand aan de eerste uitzending van 17 oktober 2007 heeft verweerder in meerdere e-mails zeer gerichte en concrete vragen gesteld aan klager. Daarnaast is er telefonisch contact geweest tussen partijen. Vanaf de eerste mail op 5 september 2007 moet het voor klager duidelijk zijn geweest dat verweerder bezig was een uitzending voor te bereiden over een (voor klager) zeer gevoelig onderwerp. Hiervoor waren de gestelde vragen specifiek genoeg. Desondanks heeft klager ervoor gekozen om slechts in beperkte mate gebruik te maken van de door verweerder geboden gelegenheid tot wederhoor. Bovendien blijkt uit de overgelegde e-mailwisseling dat tussen partijen een informele band bestond, zodat het klager vrij stond uitleg of opheldering te vragen bij enkele van de gestelde vragen. Dat verweerder er op basis van begrijpelijke overwegingen voor heeft gekozen om klager voorafgaand aan de uitzendingen geen volledige inzage te geven in het bronmateriaal doet hier niets aan af. Van een uitdrukkelijk verzoek om inzage in dit materiaal is immers pas sprake ná de uitzending van 17 oktober 2007.
 
Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de Raad geen grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Dat de inhoud van het programma anders is dan klager had gewenst, kan daaraan niet afdoen.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.  
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van Argos en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op de website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 12 maart 2008 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. F.W. Dresselhuys, drs. G.T.M. Driehuis, mw. E.H.C. Salomons en mr. A.H. Schmeink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mw. mr. L.F. Egmond, plaatsvervangend secretaris.