2008/66 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
W.A. Boef 
 
tegen
 
B. Middelburg, P. Vugts en de hoofdredacteur van Het Parool
 
Bij brief van 3 oktober 2008, met 5 bijlagen, heeft W.A. Boef te Amsterdam (hierna: klager) een klacht ingediend tegen B. Middelburg, P. Vugts en de hoofdredacteur van Het Parool (hierna: verweerders). Hierop heeft mevrouw B. van Beukering, hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 28 oktober 2008.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 november 2008, waar klager in persoon is verschenen. Verweerders zijn niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 5 april 2008 is op de voorpagina van Het Parool een artikel verschenen onder de kop “Voorman Wallen zelf omstreden. Wim Boef hielp Pakistaanse witwassers” waarvan het intro luidt:
“Woordvoerder Wim Boef van de zich bonafide noemende ondernemers op de Amsterdamse Wallen, verenigd in Platform 1012, heeft zelf in het verleden een rol gespeeld in een groot justitieel onderzoek naar een criminele organisatie”.
 
Verder is in dezelfde uitgave van Het Parool een achtergrondartikel gepubliceerd onder de kop “De woordvoerder van bonafide ondernemers”. Dit artikel handelt over diverse – zakelijke – activiteiten die klager in het verleden heeft verricht, en is gebaseerd op een interview dat verweerders met klager hebben gehad. In een apart kader naast dit artikel is onder de kop “Dit gebeurt me geen tweede keer” de reactie van klager weergegeven.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager betoogt dat bij de totstandkoming van de verschillende artikelen ten onrechte geen hoor en wederhoor is toegepast en dat de artikelen suggestief zijn en op journalistiek onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Voorts betoogt klager dat de artikelen onjuistheden bevatten. Hij voert daartoe aan dat hem voorafgaand aan het interview was medegedeeld dat dit betrekking zou hebben op Platform 1012, een initiatief van enkele ondernemers op de Amsterdamse Wallen. Gedurende het interview werden echter vrijwel alleen suggestieve vragen gesteld over verhalen die over het verleden van klager zelf de ronde deden, zoals onder meer witwaspraktijken waarbij klager betrokken zou zijn geweest en de aanschaf van wapens. Volgens klager berusten deze verhalen op onwaarheden. Door de publicatie van de artikelen heeft er een bewuste reputatieschade plaatsgevonden, aldus klager.  
Ter zitting heeft klager verder nog aangegeven dat het interview op intimiderende wijze heeft plaatsgevonden, en dat hij overdonderd is geweest door het artikel zoals hem dat vóór de publicatie ervan per e-mail is gestuurd, zodat hij niet in de gelegenheid is geweest om concreet aan te geven welke onjuistheden zich in het artikel bevonden.
 
Verweerders hebben betoogd dat klager niet aangeeft op welke onderdelen de artikelen in zijn ogen feitelijk onjuist zijn. Voorts wijzen zij er op dat klager in het verdiepende artikel ruim de gelegenheid tot een reactie is geboden en dat op de voorpagina zijn weerwoord al aan het begin van het artikel is geciteerd.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad stelt voorop dat de journalist en zijn redactie vrij zijn in de selectie van nieuws. De journalist behoeft geen toestemming voor of instemming met een publicatie te hebben van degene over wie hij publiceert. Wel dient hij het belang dat met de publicatie is gediend, af te wegen tegen de belangen die eventueel door de publicatie worden geschaad (zie punten 1.2. en 1.3. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek).
 
Verder dient ingevolge punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad de journalist bij het publiceren van beschuldigingen te onderzoeken of voor de beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat. De journalist past, indien dit redelijkerwijs mogelijk is, wederhoor toe bij betrokkenen die door een publicatie worden gediskwalificeerd, ook wanneer zij hierin slechts zijdelings een rol spelen. De beschuldigde krijgt voldoende gelegenheid om zonder onredelijke tijdsdruk, bij voorkeur in dezelfde publicatie, te reageren op de aantijgingen.
 
Naar het oordeel van de Raad hebben verweerders deze beginselen niet geschonden door tijdens het interview vragen te stellen over het (zakelijke) verleden van klager. Daarbij betrekt de Raad dat het klager vrij stond om het interview te beëindigen indien hij dat wenste, en dat hij ter zitting geen overtuigende argumenten naar voren heeft gebracht waarom hij dit niet gedaan heeft. Evenmin kan het naar het oordeel van de Raad als journalistiek onzorgvuldig worden geacht dat de journalist aan een persoon, die hij in het kader van het gekozen onderwerp interviewt, vragen stelt over diens achtergrond.
 
Het beginsel van het toepassen van wederhoor is naar het oordeel van de Raad evenmin geschonden. In het kader naast het artikel in Het Parool, is klager uitvoerig in de gelegenheid gesteld om zijn reactie te geven op hetgeen in het artikel over hem is gesteld. Klager heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt door de verhalen waarmee hij is geconfronteerd, te weerspreken.
 
Nu klager verder in zijn klaagschrift noch ter zitting concreet duidelijk heeft gemaakt welke onjuistheden in het artikel zijn weergegeven, komt de Raad tot de slotsom dat verweerders geen grenzen hebben overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door over klager te berichten op de wijze als zij hebben gedaan. De conclusie is dan ook dat de klacht ongegrond moet worden verklaard.

BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 16 december 2008 door mr. Th. Groeneveld, voorzitter, mr. T.E. Klein, mw. drs. J.X. Nabibaks, M. Ülger en mw. drs. I. Wassenaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M.S. van den Berg, secretaris, en mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.