2008/65 onbevoegd

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Y
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Het Zesde Zintuig – Plaats Delict’ (RTL)
 
Bij brief van 23 september 2008 met vier bijlagen heeft mr. J.A.W. Knoester, advocaat te Den Haag, namens Y (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘Het Zesde Zintuig – Plaats Delict’ (RTL) (hierna: verweerder). De secretaris van de Raad heeft partijen bij brief van 25 september 2008 meegedeeld dat de Raad eerst zal beoordelen of hij bevoegd is over de klacht te oordelen.
 
De bevoegdheid van de Raad is beoordeeld ter zitting van de Raad van 30 oktober 2008 buiten aanwezigheid van partijen. Vanwege de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad, is de zaak behandeld door de voorzitter en de resterende leden.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad een opname van de gewraakte uitzending bekeken.
 
DE FEITEN
 
Op 4 en 7 september 2008 is een aflevering uitgezonden van het televisieprogramma ‘Het Zesde Zintuig – Plaats Delict’, waarin aandacht is besteed aan de zogeheten ‘Haagse Dakmoord’-zaak betreffende het overlijden van Pascal Triep (hierna: de uitzending). In het programma worden in verschillende afleveringen, aan de hand van cases, kandidaten getest die menen over paranormale gaven te beschikken.
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager stelt – kort samengevat – dat in de uitzending meerdere malen uitlatingen zijn gedaan in strijd met de waarheid, als gevolg waarvan hij ten onrechte in verband is gebracht met strafbare gedragingen in de richting van Pascal Triep. Daarnaast zijn ook andere beledigende en lasterlijke uitlatingen gedaan. Bovendien is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Verweerder heeft derhalve journalistiek onzorgvuldig gehandeld, aldus klager.
 
BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID
 
Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Statuten van de Stichting Raad voor de Journalistiek heeft de Raad tot taak om in de bij hem aanhangig gemaakte zaken betreffende journalistieke gedragingen te beoordelen of de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
Krachtens artikel 4 lid 1 van deze Statuten wordt onder journalistieke gedraging verstaan: een handelen of nalaten van een journalist in de uitoefening van zijn beroep. Ingevolge het tweede lid van artikel 4, aanhef en sub c, voor zover thans van belang, moet onder journalist worden verstaan: “degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van programma's die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard”.
 
De Raad heeft begrip voor de bezwaren die klager heeft tegen de uitzending. De gewraakte uitzending bevat echter voornamelijk elementen van niet-journalistieke aard. Deze elementen hebben een zodanige invloed op de uitzending dat deze in zijn geheel als van niet-journalistieke aard moet worden aangemerkt. De Raad overweegt dat het journalistieke normenstelsel voor de beoordeling daarvan niet is bedoeld.
 
Gezien het voorgaande acht de Raad zich niet bevoegd om een inhoudelijk oordeel te geven over de gewraakte uitzending (vgl. onder meer RvdJ 2006/32).
 
BESLISSING
 
De Raad verklaart zich onbevoegd om over de gewraakte uitzending te oordelen.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Het Zesde Zintuig’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 15 december 2008 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. E.J.M. Lamers, mr. A.H. Schmeink en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.