2008/62 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van NRC Handelsblad
 
Bij brief van 7 september 2008 met een bijlage heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (hierna: verweerder). Hierop heeft B. Donker, hoofdredacteur, gereageerd in een brief van 24 september 2008 met diverse bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 oktober 2008 in aanwezigheid van klager. Verweerder is daar niet verschenen.
 
Vanwege de plotselinge ontstentenis van een der leden van de Raad heeft klager laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door de voorzitter en drie leden.
 
DE FEITEN
 
Op 29 januari 2001 is op de website scholieren.nrc.nl/weekkrant een artikel gepubliceerd onder de kop “Spermadonor niet meer anoniem”. De intro van het artikel luidt:
“Mannen die sperma afstaan om kinderloze stellen aan een kind te helpen, mogen dat niet meer anoniem doen. Dat staat in een wetsvoorstel van de ministers Borst (Volksgezondheid) en Korthals (Justitie). De Tweede Kamer is er afgelopen woensdag mee akkoord gegaan. De slotakte van een discussie die ruim tien jaar is gevoerd. Tegenstanders waren vooral de spermabanken, die het aantal donoren al drastisch zagen teruglopen sinds er voor het eerst over het onderwerp ‘anonimiteit’ werd gesproken. Maar het kabinet en de Kamer lieten de problemen van kinderen die nooit te weten kunnen komen wie hun vader is zwaarder wegen.”
Verder bevat het artikel onder meer de volgende passage:
“In dit verband is het verhaal van X (41) informatief. In 1983 kwam hij een jaar lang elke week zaad ‘afleveren’ bij een privékliniek en in theorie zouden er zo’n 25 kinderen van hem op de wereld kunnen rondlopen. In 1997 las hij op achterkant van de VPRO-gids een brief van een 17-jarige jongen, zoon van een ‘bewust ongehuwde moeder’, die eronder leed dat hij zijn vader niet kende. ,,Die brief bracht bij mij een kentering teweeg”, vertelde X in een interview met NRC Handelsblad.”
 
Bij e-mail van 8 augustus 2008 heeft klager aan verweerder verzocht het artikel te verwijderen. Dit verzoek heeft verweerder niet gehonoreerd.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat hij in 2000 als KID-donor een interview heeft gegeven voor een artikel in NRC Handelsblad. Dat interview is geplaatst in de zaterdageditie in juli 2000. Tot klagers verbazing werd hij onlangs door een kennis erop geattendeerd dat er een artikel op de website van NRC Handelsblad stond, waarin zijn naam is vermeld. Volgens klager heeft hij destijds goede afspraken gemaakt over plaatsing van het interview. Hij heeft nooit toestemming gegeven voor publicatie op internet.
Klager meent dat het publiceren van een artikel op internet iets wezenlijk anders is dan het publiceren van een artikel in een krant of tijdschrift. Een artikel op internet kan jaren blijven staan en kan via zoekmachines en met de juiste zoektermen zomaar opduiken.
Daarbij komt dat de publicatie gaat over een gevoelige materie. Het publiceren van naam en toenaam van KID-donoren zonder toestemming van de betrokkene, geeft volgens klager geen pas. Daarom heeft hij NRC direct per e-mail geschreven en verzocht om verwijdering van het artikel.
Het lijkt klager dat NRC achter zijn rug om op internet is gaan publiceren. Hij acht het zeer de vraag of hij een interview had gegeven als NRC hierover helder was geweest. Daarnaast wordt er geen enkel doel gediend met het jarenlang aanhouden van een artikel op internet, aldus klager.
Hij betoogt dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd het artikel van internet te verwijderen.
 
Verweerder stelt dat het gewraakte citaat van klager al sinds 2001 op de bewuste website staat. Dat citaat komt uit een artikel dat eerder conform de afspraak met klager in de papieren krant is verschenen. Destijds heeft verweerder geen bezwaren van klager ontvangen. Bovendien is het citaat geplaatst in een artikel met dezelfde context. Verweerder ziet geen reden om het citaat van de website te verwijderen.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
De Raad overweegt allereerst dat de klacht weliswaar betrekking heeft op een publicatie uit 2001, maar zich niet richt tegen die publicatie als zodanig. Klager maakt bezwaar tegen het niet-verwijderen van die publicatie van de website van verweerder. De beslissing van verweerder om het artikel niet te verwijderen is te beschouwen als een journalistieke gedraging. Verweerder heeft die beslissing bij brief van 2 september 2008 aan klager kenbaar gemaakt. Klager heeft zijn klacht tegen die beslissing tijdig ingediend en is derhalve in die klacht ontvankelijk. De omstandigheid dat het bewuste artikel meer dan zes maanden voor het indienen van de klacht op de website van verweerder is geplaatst, staat daaraan niet in de weg (vgl. RvdJ 2007/8).
 
Verder overweegt de Raad dat het hier niet gaat om de (internet)archivering van het krantenartikel waaraan klager in 2000 zijn medewerking heeft verleend. Aan de orde is de vraag of verweerder journalistiek onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld door niet over te gaan tot verwijdering van een internetpublicatie uit 2001, waarin zonder toestemming van klager een citaat is opgenomen uit het hiervoor bedoelde artikel uit 2000 en waarbij klagers naam is vermeld.
 
Volgens het vaste oordeel van de Raad zal de journalist de privacy van personen niet verder aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie (zie punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad).
 
Ter zitting heeft klager desgevraagd meegedeeld dat hij in 2000 met het geven van een interview ten behoeve van publicatie in NRC Handelsblad bewust de openbaarheid heeft gezocht. Hij is daardoor in zekere mate algemeen bekend geworden.
De Raad acht het dan ook niet journalistiek ontoelaatbaar dat verweerder een citaat uit het krantenartikel van juli 2000 heeft gebruikt zonder voorafgaande toestemming van klager ten behoeve van een nieuwe publicatie, gepubliceerd in januari 2001, met een vergelijkbare aard en inhoud.
 
Voorts heeft klager ter zitting desgevraagd erkend dat hij niet eerder dan medio 2008 op de gewraakte publicatie is geattendeerd en dat hij tot op heden niet in negatieve zin op de publicatie is aangesproken. Hoewel aan de bescherming van klagers privacy een zelfstandig belang kan worden gehecht, valt derhalve in dit geval niet in te zien dat dat belang zwaarder zou moeten wegen dan het belang bij de instandhouding van de internetpublicatie.
 
Alle omstandigheden in aanmerking gekomen is de Raad van oordeel dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen – gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid – maatschappelijk aanvaardbaar is, door het verzoek tot verwijdering van het artikel niet te honoreren.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting op de website scholieren.nrc.nl/weekkrant te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 15 december 2008 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. E.J.M. Lamers, mr. A.H. Schmeink en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.