2008/59 deels gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
T. de Jong en de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad
 
Bij brief van 3 september 2008 met een bijlage heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, namens X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen T. de Jong en de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (hierna: verweerders). Hierop heeft A. Besseling, hoofdredacteur, namens verweerders geantwoord in een brief van 30 september 2008.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 oktober 2008. Geen van de partijen is daar verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 7 augustus 2008 is in het Brabants Dagblad een artikel verschenen onder de kop “Beslag van 150 miljoen op Vughts herenhuis”. Dit artikel is eveneens onder dezelfde kop gepubliceerd op de website van het Brabants Dagblad. In het artikel komen de volgende passages voor:
“Het Philips Pensioenfonds heeft voor 150 miljoen euro beslag gelegd op (…) in Vught. Het is de woning van één van de verdachten in de vastgoedfraudezaak waarvan Philips slachtoffer is geworden. De Vughtenaar was jarenlang de tweede man van de vastgoedtak van het pensioenfonds.”
en
“Na zijn vrijlating uit voorarrest is de man op (...) een eenmanszaak begonnen in ‘de bemiddeling bij aan- en verkoop van onroerend goed’.”
 
Klager is de in het artikel bedoelde man. Bij het artikel is een foto geplaatst van het woonhuis van klager.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat door het publiceren van zowel zijn adres als de foto van het woonhuis zijn privacy onevenredig is aangetast. Met behulp van deze gegevens is het voor derden zeer eenvoudig om zijn volledige naam- en adresgegevens alsmede andere persoonlijke informatie te achterhalen, aldus klager.
Naar zijn mening doet het feit dat foto’s van het pand ook in andere media zijn gepubliceerd, op geen enkele wijze af aan het feit dat de publicatie in het Brabants Dagblad inbreuk maakt op zijn privacy. Verweerders kunnen de door andere media ter zake gemaakte afweging niet klakkeloos overnemen, maar dienen hun eigen journalistieke verantwoordelijkheid te nemen. Daarbij gaan verweerders er volledig aan voorbij dat zij naast de foto van het huis ook de volledige adresgegevens hebben gepubliceerd. Volgens klager is in ieder geval de publicatie van zowel de straatnaam als het huisnummer volstrekt overbodig. Die gegevens dragen op geen enkele wijze bij aan het door verweerders aangegeven doel, namelijk het laten zien dat de waarde van het huis in geen enkele verhouding staat tot de vordering die het Philips Pensioenfonds op hem zou willen verhalen. Overigens is ook de publicatie van de foto van zijn huis in het kader van de berichtgeving niet noodzakelijk, aldus klager.
Hij stelt voorts dat de publicatie klachtwaardig is, omdat hij verdachte is in de fraudezaak waarover is bericht en hij door de publicatie eenvoudig kan worden geïdentificeerd en getraceerd buiten de kring van personen bij wie hij al bekend is.
Klager meent dat door het achterwege laten van in ieder geval de straatnaam en het huisnummer, maar ook van de foto van het huis, voor de lezer geen onaanvaardbare onduidelijkheid zou zijn ontstaan. Hij concludeert dat verweerders in strijd hebben gehandeld met de artikelen 2.4.1. en 2.4.5. van de Leidraad van de Raad.
 
Verweerders stellen voorop dat zij de verschillende privacybelangen steeds zorgvuldig wegen. In het onderhavige geval zijn zij tot publicatie over gegaan om te laten zien om welk pand het gaat waar beslag op is gelegd door het Philips Pensioenfonds. Daarmee hebben zij willen illustreren dat het desbetreffende pand wat betreft uitstraling en waarde in geen verhouding staat tot het bedrag dat het pensioenfonds mede op klager wil verhalen. In een door beeld geregisseerde maatschappij is plaatsing van een dergelijke vanaf de openbare weg genomen foto noodzakelijk te noemen, aldus verweerders. Daarbij komt dat al eerder in andere media foto’s van het desbetreffende pand zijn gepubliceerd. Verweerders stellen zich dan ook op het standpunt dat de privacybelangen van klager niet onredelijk zijn geschaad.
Verweerders voegen daaraan toe dat bijzondere omstandigheden de inbreuk op de privacy van een betrokkene kunnen rechtvaardigen. Die omstandigheden bestaan er in dit geval in dat de exacte beschrijving van de woning noodzakelijk is om de uitzonderlijkheid van het nieuwsfeit van de beslaglegging goed te kunnen begrijpen. De hoogte van het bedrag waarvoor beslag is gelegd is uniek. Het is zorgvuldige en gebruikelijke journalistiek om de aard en ligging van het desbetreffende onroerend goed gedetailleerd te beschrijven. Het maatschappelijk belang is evident. Alleen met de gegeven informatie kan de lezer zich een oordeel vormen over de verhouding tussen de waarde van de woning en het bedrag dat het pensioenfonds op klager wil verhalen.
Tot slot stellen verweerders dat in andere dan strafrechtelijke processen minder zwaar aan de privacy van de procederende partijen moet worden getild. Het leggen van beslag op het huis van klager behoort tot het civielrechtelijke proces dat door het Philips Pensioenfonds tegen klager wordt gevoerd. Het is gebruikelijk om bij een privaatrechtelijke beslaglegging exact aan te geven op welke zaken beslag wordt gelegd. Dat klager in een strafrechtelijk proces, dat aan het civiele proces is gerelateerd, verdachte is, doet daaraan – aldus verweerders – niets af.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat de privacy van klager door de publicatie van een foto van zijn woonhuis en het vermelden van zijn adresgegevens onevenredig is aangetast.
 
De Raad stelt voorop dat een nieuwsbericht zoveel mogelijk de gegevens dient te bevatten, die het het publiek mogelijk maken zich een waarheidsgetrouw beeld van het desbetreffende nieuwsfeit te vormen. Daar staat tegenover dat de journalist de privacy van personen niet verder zal aantasten dan in het kader van zijn berichtgeving redelijkerwijs noodzakelijk is. Een inbreuk op de privacy overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek wanneer deze niet in redelijke verhouding staat tot het maatschappelijk belang van de publicatie (zie punt 2.4.1. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek).
Voorts is ten aanzien van het publiceren van persoonlijke gegevens van verdachten en veroordeelden – waaronder ook begrepen fotomateriaal van de woonomgeving van de betrokkene – terughoudendheid geboden. Een journalist dient te voorkomen dat hij gegevens in woord en beeld publiceert waardoor verdachten en veroordeelden buiten de kring van personen bij wie ze al bekend zijn, eenvoudig kunnen worden geïdentificeerd en getraceerd (zie punt 2.4.5. van de Leidraad).
Dat de identiteit van een betrokkene door een publicatie bekend wordt, maakt die publicatie evenwel op zichzelf niet onzorgvuldig, ook al is sprake van een inbreuk op de privacy van betrokkene. Een dergelijke inbreuk overschrijdt de grenzen van zorgvuldige journalistiek alleen dan, indien deze inbreuk niet in redelijke verhouding staat tot het doel van de publicatie en derhalve een disproportionele aantasting van het privéleven van de betrokkene vormt. Er dient derhalve een afweging plaats te vinden tussen het belang van de betrokkene bij de bescherming van zijn privacy enerzijds en mogelijke belangen van derden en het maatschappelijk belang anderzijds. (vgl. onder meer RvdJ 2008/32)
 
In lijn met eerdere uitspraken overweegt de Raad verder dat het niet ongebruikelijk is om berichtgeving als de onderhavige – die een relevant nieuwsfeit betreft, waarbij de woning van de bij de berichtgeving betrokken persoon een essentiële rol speelt – te illustreren met beelden van die woning c.q. de woonomgeving. Bij het bepalen van de wijze waarop die woning c.q. woonomgeving wordt afgebeeld moet echter een afweging plaatsvinden tussen de vrijheid van meningsuiting enerzijds en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van die betrokken personen anderzijds, en dient de journalist in het algemeen te voorkomen dat de afgebeelde woning kan worden getraceerd. (vgl. onder meer: RvdJ 2002/49)
 
Gelet op het voorgaande acht de Raad de publicatie van de foto van het woonhuis van klager op zichzelf niet ontoelaatbaar, nu op die foto de straatnaam noch het huisnummer zijn afgebeeld. Verder is duidelijk dat de publicatie van de foto niet tot doel heeft klager te identificeren of traceerbaar te maken, maar om aan de lezer duidelijk maken om wat voor woning het gaat en te illustreren dat het gelegde beslag van 150 miljoen niet in verhouding staat tot de waarde van de afgebeelde woning.
 
Echter, de vermelding van de adresgegevens van klager – de straatnaam en het huisnummer – vormt een te vergaande inbreuk op de privacy van klager. Klager kan door die vermelding eenvoudig worden geïdentificeerd en getraceerd, terwijl het achterwege laten van die vermelding geen afbreuk zou hebben gedaan aan de aard en inhoud van de berichtgeving. Het doel van de publicatie was immers – zoals verweerders hebben gesteld – om de lezer duidelijk te maken dat het beslag op de woning van klager in geen verhouding staat tot de waarde van zijn huis. De vermelding van de precieze adresgegevens was daarvoor niet noodzakelijk. Klagers hebben verder nog aangevoerd dat het louter gaat om berichtgeving in een civielrechtelijke zaak, maar dat standpunt deelt de Raad niet. In het artikel is immers duidelijk vermeld dat klager wordt verdacht van fraude, hetgeen zonder meer een strafrechtelijke aangelegenheid is. Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een rechtvaardiging zouden kunnen betekenen voor de handelwijze van verweerders.
Een en ander leidt tot de slotsom dat verweerders door de vermelding van de adresgegevens van klager de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 

BESLISSING
 
Voor zover de klacht betrekking heeft op de publicatie van de adresgegevens van klager is deze gegrond. Voor het overige is de klacht ongegrond.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 12 december 2008 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. F. Santing, mw. drs. P.C.J. van Schaveren, M. Ülger en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.