2008/58 ongegrond niet-ontvankelijk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van de Bunschoter
 
Bij twee onderscheiden brieven van 28 mei 2008 heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Bunschoter (hierna: verweerder). Naar aanleiding van deze brieven heeft de secretaris van de Raad bij brief van 7 juli 2008 onder meer aan klager verzocht zijn algemene klacht, die betrekking heeft op het algehele gedrag van de medewerkers van de Bunschoter, nader te concretiseren. Vervolgens heeft klager zijn klacht aangevuld bij brief van 10 augustus 2008 met een bijlage. A. Muijs, werkzaam voor de Bunschoter, heeft namens verweerder op de klacht geantwoord in een brief van 30 september 2008.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 oktober 2008 in aanwezigheid van klager. Verweerder is daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 10 april 2008 heeft de Raad uitspraak gedaan in een eerdere zaak van klager tegen verweerder (RvdJ 2008/11), die bestond uit twee klachtonderdelen. De Raad heeft klager in beide klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard en ter zake het volgende overwogen:
“Vaststaat dat de eerste klacht niet binnen zes maanden na de gewraakte publicatie bij de Raad is binnengekomen. Naar het oordeel van de Raad kunnen de door klager aangevoerde omstandigheden niet worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn.”
en
“Ten aanzien van de tweede klacht overweegt de Raad het volgende. Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek luidt: “Het klaagschrift moet zijn gedagtekend en ondertekend en bevatten: (…) b. de feiten en gronden waarop de klacht berust.” (…) Klager heeft, hoewel daartoe door de Raad te zijn uitgenodigd, geen fotokopie van een artikel overgelegd en ook overigens zijn klacht niet nader geconcretiseerd.”
De Raad heeft verweerder verzocht deze beslissing integraal of in samenvatting in de Bunschoter te publiceren.
 
Vervolgens is op 16 mei 2008 in de Bunschoter een artikel verschenen onder de kop “Klacht tegen hoofdredacteur de Bunschoter niet-ontvankelijk”. Het artikel bevat onder meer de volgende passage:
“In april 2008 deed de Raad voor de Journalistiek uitspraak in deze zaak. De klager werd met zijn klacht niet-ontvankelijk verklaard omdat hij deze niet binnen zes maanden na de gewraakte publicatie had ingediend bij de Raad voor de journalistiek en hij heeft, ondanks dat hij daartoe was uitgenodigd door de Raad, geen fotokopie van het artikel overlegd en zijn bezwaar niet nader geconcretiseerd.”
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager betoogt allereerst dat in het artikel van 16 mei 2008 de uitspraak van de Raad onjuist is weergegeven. Hij stelt dat hij, anders dan in het artikel is vermeld, wel degelijk een fotokopie van het gewraakte artikel had bijgesloten bij zijn eerdere klacht. Verder heeft hij wel degelijk binnen de termijn van zes maanden zijn klacht ingediend, aangezien hij per e-mail contact heeft gezocht met de Raad. Deze e-mails zijn echter nooit aangekomen, aldus klager.
Verder maakt klager bezwaar tegen het gedrag van (de medewerkers van) verweerder in het algemeen. Klager stelt dat over hem diverse (negatieve) stukken worden geschreven, maar dat zijn reacties hierop niet worden geplaatst in de Bunschoter. Volgens klager wordt hij stelselmatig geboycot en wordt geen wederhoor toegepast. Ter zitting heeft klager toegelicht dat de artikelen die op hem betrekking hebben, onder meer verslagen van vergaderingen van de gemeenteraad zijn. Zijn eigen publicaties zijn in het verleden altijd geplaatst, maar sinds enige tijd wordt hij buitengesloten van publicatie, aldus klager.
 
Verweerder stelt dat de uitspraak van de Raad wel degelijk op juiste wijze is weergegeven, zij het summier om niet minachtend tegenover klager over te komen. Verder betwist verweerder dat nog steeds artikelen over klager worden geschreven en stelt hij dat hij weigert de – negatief gekleurde – stukken van klager verder nog te publiceren.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Met betrekking tot de eerste klacht stelt de Raad voorop dat thans slechts aan de orde kan zijn de vraag of de uitspraak van de Raad van 10 april 2008 op juiste wijze door verweerder is weergegeven in het artikel van 16 mei 2008, en niet of de uitspraak van de Raad juist is.
De Raad heeft eerder overwogen dat indien een uitspraak niet integraal maar in samenvatting wordt gepubliceerd, deze samenvatting een evenwichtige weergave van de uitspraak moet zijn (vgl. onder meer: RvdJ 1996/8 en RvdJ 2001/19). Het artikel van 16 mei 2008 geeft weliswaar een summiere samenvatting, maar voldoet aan de hiervoor geformuleerde norm. In het artikel is vermeld dat de klacht niet binnen zes maanden na publicatie is ingediend, dat er geen fotokopie van het artikel is overgelegd, en dat het bezwaar niet is geconcretiseerd. Hoewel in het artikel geen onderscheid wordt gemaakt tussen de twee klachtonderdelen, stemt een en ander voldoende overeen met hetgeen de Raad in zijn uitspraak van 10 april 2008 heeft overwogen. Er bestaat dan ook geen grond voor de conclusie dat verweerder op dit punt journalistiek onzorgvuldig heeft gehandeld. Deze klacht is ongegrond.
 
Ten aanzien van de tweede klacht overweegt de Raad het volgende. Klager heeft gesteld dat verweerder nog steeds artikelen over hem publiceert, maar dat zijn reacties daarop niet worden geplaatst.
Artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van het Reglement voor de werkwijze van de Raad voor de Journalistiek, luidt: “Het klaagschrift moet zijn gedagtekend en ondertekend en bevatten: (…) b. de feiten en gronden waarop de klacht berust.” Daaruit kan worden afgeleid dat de klacht moet zijn voorzien van de publicatie waarop deze betrekking heeft. Dat kan een fotokopie van een artikel zijn of – als het gaat om radio of televisie – een opname van de betreffende uitzending of eventueel de uitgetypte letterlijke tekst.
Hoewel daartoe door de Raad te zijn uitgenodigd heeft klager geen fotokopieën overgelegd van artikelen die over hem handelen. Ook overigens heeft klager zijn klacht niet nader geconcretiseerd door bijvoorbeeld fotokopieën van de stukken te overleggen die hij aan verweerder heeft gestuurd, maar niet door verweerder zijn gepubliceerd.
Het klaagschrift is in zoverre derhalve niet voor behandeling vatbaar, zodat klager in deze klacht niet-ontvankelijk moet worden verklaard (vgl. onder meer: RvdJ 2007/22).
 
BESLISSING
 
Voor zover de klacht is gericht tegen het artikel van 16 mei 2008, is deze ongegrond. Voorts is klager niet-ontvankelijk in zijn klacht over het gedrag van (de medewerkers van) verweerder in het algemeen.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Bunschoter te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 12 december 2008 door mr. A. Herstel, voorzitter, mw. F. Santing, mw. drs. P.C.J. van Schaveren, M. Ülger, en mr. drs. G.J. Wolffensperger, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris, en mr. W.S. van Helvoort, plaatsvervangend secretaris.