2008/52 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
de Vereniging tegen de Kwakzalverij
 
tegen
 
de hoofdredacteur van ‘Uitgedokterd?!’ (NCRV)
 
Bij brief gedateerd juni 2008 met vier bijlagen, door de Raad ontvangen op 11 juni 2008, heeft prof. dr. F.S.A.M. van Dam, secretaris, namens de Vereniging tegen de Kwakzalverij te Amsterdam (hierna: klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van ‘Uitgedokterd?!’ (NCRV) (hierna: verweerder). Mevrouw mr. H.S.R. Weeber, hoofd juridische zaken van de stichting AKN, heeft namens verweerder op de klacht gereageerd bij brief van 28 augustus 2008 met drie bijlagen.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 september 2008. Namens klaagster zijn daar prof. dr. Van Dam en prof. dr. M. Vermeulen verschenen. Aan de zijde van klaagster waren mr. Weeber en G. van Beuzekom, manager Televisie bij de NCRV, aanwezig. Van Dam heeft de klacht toegelicht aan de hand van een pleitnotitie.
 
Voorafgaand aan de zitting heeft de Raad dvd-opnamen van de gewraakte uitzendingen bekeken.
 
De voorzitter van de Raad heeft zich verschoond. Partijen hebben desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen behandeling van de zaak door een der leden als waarnemend voorzitter tezamen met de resterende leden.
 
DE FEITEN
 
In de periode van 23 april tot en met 4 juni 2008 heeft de NCRV het televisieprogramma ‘Uitgedokterd?!’ uitgezonden (hierna: het programma). In zes afleveringen zijn patiënten gevolgd die buiten de gangbare paden van de geneeskunde op zoek gingen naar alternatieve of experimentele geneeswijzen. De verhalen van de patiënten zijn steeds beknopt becommentarieerd door prof. dr. J.M. Keppel Hesselink. De reeks is afgesloten met een tv-debat tussen voor- en tegenstanders van niet-reguliere geneeskunde, onder wie twee bestuursleden en een lid van klaagster.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klaagster stelt, samengevat, dat er in het programma niet onderbouwde claims worden gemaakt met betrekking tot de werkzaamheid van alternatieve behandelwijzen. Door de eenzijdige weergave is het voor het algemene publiek niet mogelijk geweest de informatie te toetsen aan de huidige stand van de medische wetenschap. Aldus is verweerder ernstig tekort geschoten in zijn voorlichtende taak naar het grote publiek.
Klaagster wijst erop dat zij in een aan de NCRV gerichte brief van 9 februari 2008 blijk heeft gegeven van haar verontrusting over de voorgenomen serie. De NCRV heeft zich echter niets aangetrokken van de waarschuwingen van klaagster en heeft zelfs niet op de brief geantwoord. Klaagster heeft op 24 april 2008, direct na de eerste uitzending, een persbericht verspreid onder de titel “Grove misleiding in NCRV programma ‘Uitgedokterd?!’”. Zij werd in haar bezwaren tegen de serie bijgevallen door de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG).
Klaagster heeft van iedere uitzending een uitvoerige analyse gemaakt, waarbij de alternatieve geneeswijzen zijn afgezet tegen wat in de reguliere geneeskunde gebruikelijk is. Er is voor geen enkele van de alternatieve behandelingen die in het programma worden getoond een biologisch mechanisme bekend dat de mogelijke werkzaamheid zou kunnen verklaren. Bovendien is nauwelijks gerept over de risico’s van de alternatieve behandelingen. Volgens klaagster laten de televisiebeelden duidelijk zien dat de artsen die in de serie optraden, de gedragscode van de KNMG met de voeten traden.
Verder stelt klaagster dat Keppel Hesselink niet als onpartijdige commentator kan worden beschouwd, aangezien hij voorzitter is van de Stichting voor innovatief onderzoek en onderwijs van complementaire behandelvormen (IOCOB). Van deze belangenverstrengeling wordt in de serie echter geen gewag gemaakt. Daarbij komt dat Keppel Hesselink in Nederland niet meer is dan basisarts. Hij heeft geen enkele specialistische opleiding gevolgd en bezit derhalve geen enkele medische deskundigheid op het gebied van de ziektes die in het programma aan de orde zijn gesteld. In zekere zin heeft hij zijn titulatuur misbruikt om zijn argumenten kracht bij te zetten. De NCRV heeft geen onafhankelijke deskundigen aan het woord gelaten en niet gezorgd voor een adequate medische begeleiding van het programma, aldus klaagster. Zij meent voorts dat het publiek duidelijk gemaakt had moeten worden dat uitingen van tevreden patiënten niets zeggen over de waarde van welke behandeling dan ook.
Naar het oordeel van klaagster heeft de NCRV als publieke omroep de morele verantwoordelijkheid om het publiek volgens de huidige stand van de wetenschap voor te lichten. Verweerder heeft echter met het programma een zeer eenzijdige en verdraaide voorstelling van de (medische) werkelijkheid gegeven. Dat in de laatste aflevering – tijdens het debat – ook tegenstanders van niet-reguliere geneeskunde aan het woord zijn gelaten, kan daaraan niet afdoen. Wekenlang zijn alleen eenzijdige en indringende pro-alternatieve beelden getoond en deze hebben op de gemiddelde kijker veel meer effect dan ruziënde deskundigen in de laatste uitzending. De aangerichte schade is daarmee niet geneutraliseerd, aldus klaagster.
Ten aanzien van de door verweerder opgeworpen vraag omtrent de bevoegdheid van de Raad stelt klaagster dat zij heeft bedoeld haar klacht in te dienen tegen de eindverantwoordelijke van het programma. Bovendien gaat het om een informatief programma waarin bepaalde journalistieke keuzes zijn gemaakt over onder meer de opbouw, de keuze van een deskundige en de ziektes die al dan niet aan de orde kwamen. Ter zitting heeft klaagster er nog op gewezen dat op de website van het programma diverse verwijzingen (links) zijn opgenomen met informatie over verenigingen op het gebied van de besproken geneeswijzen alsmede naar de ‘keuzewijzer’ van Stichting IOCOB, op grond waarvan de kijker zelf zou kunnen bepalen welke niet-reguliere behandeling bij hem zou kunnen passen. Volgens klaagster is derhalve wel degelijk sprake van een journalistieke gedraging waarover de Raad kan oordelen.
Klaagster concludeert dat het programma een staalkaart was van kwakzalvers-methoden. Verweerder heeft met de serie het publiek op ernstige wijze misleid en daarmee journalistiek onzorgvuldig gehandeld, aldus klaagster.
 
Verweerder stelt voorop dat de klacht geen aanduiding bevat van de journalist(en) over wie klaagster zich wenst te beklagen. Daarbij komt dat de klacht betrekking heeft op een human interest programma. Het bevat geen nieuws, achtergrondreportages, beschouwingen of informatieve rubrieken, hoogstens enkele informatieve elementen van ondergeschikt belang. Volgens verweerder moet het programma in zijn geheel als overwegend van niet journalistieke aard worden aangemerkt, zodat de Raad niet bevoegd is daarover te oordelen.
Slechts voor zover de Raad zich wel bevoegd zou verklaren, stelt verweerder het volgende. Als men het programma toch als een journalistiek programma zou willen aanmerken, dan komt de column daar misschien nog het dichtst bij in de buurt. Dat brengt mee dat (bewust) eenzijdig belichten geoorloofd is. Er bestaat geen norm van journalistieke ethiek die meebrengt dat verweerder het reguliere medische circuit had moeten betrekken bij het programma, noch dat verweerder alle (positieve) uitingen van alternatieve behandelaars en patiënten had moeten laten volgen door relativerend of waarschuwend commentaar vanuit de reguliere medische hoek. Van het uiten van beschuldigingen is geen sprake, zodat er voorts geen enkele reden was om wederhoor toe te passen.
Verweerder merkt ten overvloede op dat hij de uitingen van de in het programma getoonde patiënten niet heeft gestuurd of tot de zijne heeft gemaakt, noch heeft hij daaraan gevolgtrekkingen verbonden. Integendeel, de kijker heeft duidelijk kunnen zien dat het om de persoonlijke ervaringen van de betrokken patiënten ging.
Ten aanzien van Keppel Hesselink merkt verweerder op dat deze al meer dan 10 jaar geleden als hoogleraar farmacologie is benoemd aan een Duitse universiteit. Niet valt in te zien, waarom die benoeming niet telt. Overigens is Keppel Hesselink als commentator gekozen omdat hij een – onbetwiste – autoriteit is op het gebied van de alternatieve geneeskunde. In iedere aflevering is hij dan ook niet alleen als arts en medisch onderzoeker aangekondigd, maar vooral nadrukkelijk als voorzitter van de Stichting IOCOB. Daarbij is uitgelegd dat die stichting zich bezig houdt met het geven van informatie over en het doen van onderzoek naar alternatieve geneeswijzen. Bovendien is op de website van het programma melding gemaakt van de betrokkenheid van Keppel Hesselink c.q. de Stichting IOCOB bij de totstandkoming van het programma.
Voorts wijst verweerder er volledigheidshalve op dat er geen journalistieke ethische ‘do not do this at home’ norm bestaat. Verweerder betwist derhalve dat hij deze – niet bestaande – norm heeft geschonden door nauwelijks te wijzen op de risico’s van de getoonde alternatieve behandelingen.
Ten slotte merkt verweerder op dat hij geen partij is, noch wil zijn, in het debat tussen voor- en tegenstanders van de alternatieve geneeskunde. De NCRV heeft als publieke omroep onder andere de taak om de kijker op een prikkelende manier te informeren over, en daarmee te betrekken bij hetgeen in de maatschappij gebeurt. Met dit programma is verweerder daarin uitstekend geslaagd.
 
BEOORDELING VAN DE BEVOEGDHEID
 
In artikel 4 lid 2 van de Statuten is bepaald dat onder journalist wordt verstaan: ‘degene die, hetzij in dienstverband, hetzij als zelfstandige, er zijn hoofdberoep van maakt mede te werken aan de redactionele leiding of redactionele samenstelling van publiciteitsmedia, waaronder (...) programma's die worden verspreid door radio of televisie, voor zover deze bestaan uit nieuws, reportages, beschouwingen of rubrieken van informatieve aard (...)’.
 
Volgens artikel 4 lid 4 van de Statuten worden voorts als journalist beschouwd de bij de in lid 2 genoemde publiciteitsmedia werkzame eigenaren-hoofdredacteuren en eigenaren- redacteuren en – indien het publiciteitsmedium wordt uitgegeven casu quo wordt verzorgd door een rechtspersoon – directeuren of directeuren-redacteuren.
 
Indien een klager zijn klacht heeft gericht tegen een bepaald medium, wordt die klacht door de Raad opgevat als te zijn gericht tegen de hoofdredacteur van dat medium. Alleen indien uit de inhoud van de klacht volgt dat het niet klagers bedoeling is deze te richten tegen degene die verantwoordelijk is voor de uitzending of publicatie zal dat anders kunnen zijn, maar daarvan is hier geen sprake. In het onderhavige geval is de klacht doorgestuurd aan de hoofdredactie van het programma met het verzoek op de klacht te reageren. (vgl. onder meer RvdJ 2007/18).
 
Ten aanzien van de inhoud van het programma overweegt de Raad dat het programma – waaronder ook begrepen de eerste zes afleveringen – diverse informatieve elementen bevat. Bovendien wordt de informatie geduid door de opgevoerde deskundige Keppel Hesselink. Daarbij heeft verweerder op zijn website aanvullende informatie verschaft, door bij elke uitzending afzonderlijk te verwijzen naar instellingen op het gebied van de in die uitzending besproken geneeswijzen en heeft verweerder kennelijk ter zake onderzoek verricht. Mede gelet op al deze omstandigheden is naar het oordeel van de Raad sprake van een programma van informatieve aard als bedoeld in artikel 4 van de Statuten.
 
De Raad acht zich dan ook bevoegd om over de klacht te oordelen.
 
ONTVANKELIJKHEID EN BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Klaagster stelt zich ten doel de evaluatie van alternatieve behandelwijzen en de bestrijding van de kwakzalverij in de ruimste zin van het woord. Klaagster hanteert daarbij als omschrijving van kwakzalverij: het toepassen van behandelmethoden en/of onderzoeks-methoden waarvan het nut niet wetenschappelijk is aangetoond. De Raad is van oordeel dat klaagsters klacht past binnen haar doelstelling, zodat zij ontvankelijk is in haar klacht.
 
Kern van de klacht is dat verweerder het publiek eenzijdig – en daardoor misleidend – heeft geïnformeerd over alternatieve geneeswijzen.
 
 
In de eerste zes uitzendingen van het programma gaat het om de ervaringen van patiënten met alternatieve geneeswijzen, die worden geduid door de opgevoerde deskundige Keppel Hesselink. De verhalen van de patiënten en de visie van Keppel Hesselink zijn voor rekening van de betrokkenen gelaten en niet als feit gepresenteerd. In de laatste uitzending – het tv debat – zijn tevens tegenstanders van alternatieve geneeswijzen aan het woord gelaten, die de verhalen van de patiënten en de duiding van Keppel Hesselink hebben genuanceerd.
Op de website van het programma is bovendien vermeld dat de Stichting IOCOB – waaraan Keppel Hesselink is verbonden – is betrokken bij het programma.
 
Alle omstandigheden in aanmerking genomen is de Raad van oordeel dat verweerder niet zodanig eenzijdig heeft bericht dat sprake is van misleiding van het publiek c.q. journalistiek onaanvaardbaar handelen. Voor de gemiddelde kijker bestaat voldoende ruimte de hem verschafte informatie te wegen en daaruit een andere conclusie te trekken dan dat de besproken alternatieve geneeswijzen (altijd) uitkomst kunnen bieden bij de aan de orde gestelde ziekten. Bovendien wordt de kijker op geen enkele wijze afgehouden van de reguliere geneeskunde.  
 
De Raad komt dan ook tot de conclusie dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Dat het programma anders is van opzet en inhoud dan klaagster had gewenst, kan daaraan niet afdoen.
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder bij voorkeur aan deze beslissing aandacht te besteden in een uitzending van ‘Uitgedokterd?!’ en anders deze beslissing integraal of in samenvatting op zijn website dan wel in een ander daartoe geëigend medium te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 19 november 2008 door T.R. Harkema, waarnemend voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. A.C. Diamand en mw. drs. J.X. Nabibaks, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.