2008/50 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
Y. Bouyafa
 
tegen
 
J. de Haas en de hoofdredacteur van De Telegraaf
 
Bij brief van 27 mei 2008 met zes bijlagen heeft mr. L. Nix, advocaat te Amsterdam, namens Y. Bouyafa te IJsselstein (hierna: klager) een klacht ingediend tegen J. de Haas en de hoofdredacteur van De Telegraaf (hierna: verweerders). Bij brief van 27 juni 2008 hebben verweerders aan de Raad bericht niet inhoudelijk op de klacht te zullen reageren, omdat zij van mening zijn dat de klacht een civielrechtelijk geschil betreft en daarom niet door de Raad maar door de civiele rechter moet worden behandeld. Bij e-mail van 8 september 2008 heeft klager nog een bijlage overgelegd.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 september 2008 in aanwezigheid van klager en zijn raadsman, die de klacht heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie. Verweerders zijn daar niet verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 4 augustus 2007 is in De Telegraaf een artikel van de hand van De Haas verschenen onder de kop “’Meer moslimmacht’ – Opvolger imam Haselhoef duikt op in onderzoek veiligheidsdiensten” en de subkop “Bouyafa, nieuwe gesprekspartner regering, werkt mee aan heimelijke plannen”.
 
Naar aanleiding van dit artikel hebben partijen een kort geding-procedure gevoerd. Bij vonnis van 18 oktober 2007 heeft de Voorzieningenrechter te Amsterdam onder meer overwogen:
“Uit het voorgaande vloeit voort dat De Telegraaf c.s. de mededeling dat Bouyafa en/of de organisaties waar hij deel van uitmaakt volgens inlichtingendiensten nauwe banden hebben met de Moslim Broederschap, op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt.”
en
“Aan De Telegraaf c.s. moet worden toegegeven dat het onder de aandacht brengen van mogelijke verbanden tussen (bestuurders van) in Nederland actieve Islamitische organisaties en de Moslim Broederschap maatschappelijk van betekenis is. Dit geeft haar echter geen vrijbrief tot het uiten van ongefundeerde beschuldigingen. Het kenschetsen van Bouyafa, op grond van informatie van “inlichtingendiensten” als betrokken bij fundamentalistische organisaties, die invoering van de sharia nastreven en terroristische activiteiten verdedigen, is een ernstige beschuldiging, die, zoals hiervoor weergegeven, geen steun vindt in het voorhanden zijnde feitenmateriaal. Daarbij komt dat, anders dan De Telegraaf c.s. heeft betoogd, aan Bouyafa geen weerwoord is gegund met betrekking tot deze beschuldiging.”

De Voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de publicatie onrechtmatig was jegens klager en heeft daarom De Telegraaf c.s. onder meer veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie op straffe van een dwangsom en tot betaling van een voorschot op vergoeding van geleden immateriële schade.
 
Vervolgens is op 28 november 2007 een artikel in De Telegraaf verschenen, wederom van de hand van De Haas, onder de kop “’Gesprekspartner Vogelaar bij Moslim Broederschap’”. Het artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Een prominent gesprekspartner van de Nederlandse overheid is volgens Amerikaans onderzoek gelieerd aan dekmantels van de omstreden Moslim Broederschap.
Yahia Bouyafa, voorzitter van de Contact Groep Islam, speelt een belangrijke rol in een netwerk dat de ideologie van de Moslimbroeders verspreidt.
Dat meldt de onderzoeksinstelling ‘Nine/Eleven Finding Answers’ (NEFA) in een rapport dat vrijdag verschijnt.”
en
“In een reactie laat Bouyafa weten geen enkele band te hebben met de Moslimbroeders, die onlangs nog door inlichtingendienst AIVD werden omschreven als de ‘grondleggers van het huidige radicale moslimactivisme’.
Volgens NEFA creëerde Bouyafa de afgelopen jaren in Nederland ‘een bundeling van organisaties’ als afspiegeling van buitenlandse instellingen die sympathiseren met de Broederschap.”
en
“NEFA werd opgericht na de aanslagen van 11 september 2001 om onderzoek te doen naar islamitisch terrorisme en radicalisme. Het rapport ‘De invloed van de Moslim Broederschap in Nederland’ is samengesteld door Ronald Sandee, directeur analyse en research bij NEFA.
Sandee: ,,Het is evident dat Bouyafa en de organisaties waaraan hij is verbonden, meewerken aan de verspreiding van het gedachtegoed van de Moslim Broederschap.””
 
Ten slotte is op 9 maart 2008 in De Telegraaf een artikel, opnieuw van de hand van De Haas verschenen, onder de kop “Advies gevraagd aan ‘theoloog van terreur’”. Dit artikel bevat onder meer de volgende passages:
“Een vertegenwoordiger van de moslimgemeenschap in contacten met de overheid heeft een uiterst omstreden sjeik advies gevraagd over een ‘effectieve en duurzame aanpak’ van islamfobie in Nederland, zoals de komende film van Geert Wilders.
Yahia Bouyafa, die regelmatig overleg voert met minister Vogelaar (…), stuurde in februari een brief aan sjeik Yusuf al-Qaradawi, leider van de Europese Raad voor Fatwa en Onderzoek en de Internationale Unie van Moslimgeleerden.
Al-Qaradawi heeft fatwa’s uitgevaardigd waarin zelfmoordaanslagen worden goedgekeurd. Ook verdedigde hij de doodstraf voor homo’s volgens de sharia, het islamitisch recht.”
en
“De in Katar wonende sjeik is bekend als televisieprediker op de Arabische zender Al-Jazeera en wordt op handen gedragen door de fundamentalistische Moslimbroederschap.”
en

“In een reactie laat Bouyafa weten ook 23 andere internationale moslimorganisaties te hebben aangeschreven: ,,In de brief wordt benadrukt dat het merendeel van de Nederlandse bevolking de mening en methoden van Wilders ver van zich werpt.”
 
HET STANDPUNT VAN KLAGER
 
Klager stelt voorop dat de klacht niet is gericht tegen het artikel van 4 augustus 2007. Hij heeft echter naar dat artikel en de daarover gevoerde kort geding-procedure verwezen, omdat in het zogenoemde NEFA-rapport – dat als basis heeft gediend voor de publicatie van 28 november 2007 – gebruik wordt gemaakt van vrijwel dezelfde handelsinformatie als in het artikel van 4 augustus 2007. Het is dan ook zeer aannemelijk dat Sandee, de schrijver van het NEFA-rapport, nauw heeft samengewerkt met De Haas en dat De Haas citeert uit een bron die hij zelf heeft gevuld. Ter zitting wijst klager er in dit verband op dat zowel in de publicatie van De Haas als in het rapport van Sandee is vermeld dat hij eigenaar is van een pizzeria/grillroom, terwijl onduidelijk is waarom die vermelding relevant is voor zijn veronderstelde fundamentalistische activiteiten.
Klager benadrukt verder dat in het artikel van 28 november 2007 wordt beweerd dat hij de ideologie/het gedachtegoed van de Moslim Broederschap verspreidt, maar dat niet uiteen wordt gezet wat die ideologie nou eigenlijk inhoudt. In de publicatie van 4 augustus 2007 is gesteld dat de Moslim Broederschap streeft naar wereldwijde invoering van de sharia, hetgeen dan als de bewuste ‘ideologie’ kan worden beschouwd. Verweerders hebben echter nergens in de artikelen aangetoond dat dit ook de overtuiging is die klager uitdraagt.
Volgens klager komen De Haas en Sandee niet verder dan te stellen dat hij in Nederland participeert in islamitische organisaties die Europese pendanten zouden hebben, die in verband kunnen worden gebracht met de Moslim Broederschap. De centrale aantijging van het artikel van 28 november 2007 is dus ongefundeerd en journalistiek onaanvaardbaar. Dat deze is geplaatst tussen aanhalingstekens dan wel wordt vooropgesteld dat wordt geciteerd uit een buitenlandse bron, kan daaraan niet afdoen, aldus klager. Ter zitting benadrukt klager dat het in de publicatie gebruikte citaat niet in het NEFA-rapport is terug te vinden. In de conclusie van dat rapport staat slechts: “It is difficult to prove that there is a national chapter of the Muslim Brotherhood in the Netherlands. However, it is evident that the organizations and persons mentioned in this report are remarkably close to the ideology propagated by the Muslim Brotherhood.”
Verder stelt klager dat De Haas hem begin maart 2008 telefonisch heeft benaderd met vragen over de brief die hij, als voorzitter van de Federatie Islamitische Organisaties Nederland, onder andere heeft gezonden aan Sjeik Yusuf al Qaradawi, in diens hoedanigheid van voorzitter van de Internationale Unie van Moslimgeleerden en voorzitter van de Europese Raad voor Fatwa en Research. Klager heeft toen onder meer geantwoord dat de brief tevens naar 23 andere buitenlandse organisaties is gestuurd en dat aan die organisaties is gevraagd mee te denken over hoe de islamfobie, die door een kleine groep in Nederland wordt geuit, het best – dat wil zeggen: op een vreedzame en rationele wijze – kan worden tegengegaan. In het artikel dat verweerders vervolgens op 9 maart 2008 hebben geplaatst, wordt echter zoveel mogelijk getracht de aandacht te richten op de terroristische activiteiten waarmee Al Qaradawi in verband zou kunnen worden gebracht. Volgens klager wordt hiermee andermaal door verweerders gepoogd hem in verband te brengen met terreurgroepen, terwijl het De Haas inmiddels duidelijk moet zijn geworden wat zijn standpunten en activiteiten zijn.
Ter zitting verwijst klager ter zake naar de door hem overgelegde verklaring van prof. dr. P.S. van Koningsveld, hoogleraar islamologie te Leiden.
Volgens klager proberen verweerders hem aldus systematisch af te schilderen als vertolker van de ideologie van de Moslim Broederschap, hetgeen niet juist en derhalve journalistiek onzorgvuldig is.
 
BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerders – ondanks het vonnis van de Voorzieningenrechter van 18 oktober 2007 – stelselmatig trachten klager, in zijn positie als vertegenwoordiger van de islamitische gemeenschap in Nederland en gesprekspartner van de Nederlandse overheid, te beschadigen door onwaar of in ieder geval tendentieus over hem te berichten.
 
Ten aanzien van het artikel van 28 november 2007 stelt de Raad voorop dat de journalist bij het publiceren van beschuldigingen dient te onderzoeken of voor die beschuldigingen een deugdelijke grondslag bestaat (punt 2.3.1. van de Leidraad van de Raad voor de Journalistiek). In het artikel wordt beweerd dat volgens Amerikaans onderzoek klager een belangrijke rol speelt in althans nauwe banden heeft met de Moslim Broederschap, waarvan de leden – aldus de publicatie – “onlangs nog door inlichtingendienst AIVD werden omschreven als de ‘grondleggers van het huidige radicale moslimactivisme’”. Aldus bevat het artikel een ernstige beschuldiging aan het adres van klager.
Blijkens de publicatie is deze gebaseerd op het zogeheten ‘NEFA-rapport’ van de heer Sandee. Dat rapport is, gezien de daarin genoemde bronnen, kennelijk mede gebaseerd op diverse eerdere publicaties van verweerders. Aldus kan dat rapport niet als voldoende – onafhankelijke – bron worden beschouwd, op grond waarvan verweerders tot publicatie van de beschuldigingen aan het adres van klager mochten overgaan. Nu niet is gebleken dat voor de publicatie tevens gebruik is gemaakt van andere – meer onafhankelijke – bronnen die de beschuldigingen aan het adres van klager zouden kunnen onderbouwen, is niet aannemelijk geworden dat voor die beschuldigingen een voldoende deugdelijke grondslag bestaat.
 
Met betrekking tot het artikel van 9 maart 2008 heeft klager onbetwist aangevoerd dat hij – naar aanleiding van het maatschappelijke debat omtrent de zogeheten Fitna-affaire – een groot aantal organisaties heeft aangeschreven met het verzoek om steun en samenwerking, ten einde te komen tot een vreedzame en rationele benadering van die affaire. In de brief aan Sjeik Yusuf al Qaradawi staat onder meer:
“Moslims in Nederland behoren tot een van de oudste minderheden in Europa. (…) Dat drukt op ons een belangrijke verantwoordelijkheid enerzijds richting ons land Nederland op grond van burgerschap en onze geografische aanwezigheid en anderzijds richting de islamitische gemeenschap waartoe wij op grond van zowel de religie als de beschaving op hetzelfde moment behoren. Wij achten veel belang bij het feit dat onze broeders in de islamitische wereld zich ervan bewust zijn van de dubbelzijdige gemeenschappelijke aard van deze kwestie. (…) Wij moeten de plichten van het burgerschap respecteren en aanspraak maken op de rechten die het biedt, op grond van het uitgangspunt van waardigheid en rechtvaardigheid. Wij verheugen ons op uw steun, ondersteuning en verrijking van deze rol, welke onze islamitische minderheid in staat stelt met haar aandeel in de opbouw en ontwikkeling van de interculturele en intercivilatoire communicatie van en naar beide kanten te leveren.”
In de publicatie hebben verweerders echter prominent gesteld dat klager aan Al Qaradawi ‘advies’ heeft gevraagd over de aanpak van islamfobie in Nederland. Door het gebruik van de term ‘advies’ wordt de indruk gewekt dat klager zijn opvattingen c.q. werkwijze ter zake afhankelijk zou hebben gemaakt van die van Al Qaradawi. In de publicatie is voorts onder meer over Al Qaradawi beweerd dat hij ‘uiterst omstreden’ is, kan worden gekarakteriseerd als ‘theoloog van terreur’ en door de fundamentalistische Moslim Broederschap ‘op handen wordt gedragen’. Aldus heeft de berichtgeving over (de brief van) klager een uitermate tendentieuze (negatieve) lading gekregen, terwijl niet is gebleken dat daarvoor voldoende rechtvaardiging bestaat.
 
Gelet op het voorgaande komt de Raad tot de slotsom dat verweerders – door over klager te publiceren zoals zij op 28 november 2007 en 9 maart 2008 hebben gedaan – klager zonder deugdelijke onderbouwing stelselmatig in een negatief daglicht hebben geplaatst. Verweerders hebben aldus de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.
 
BESLISSING
 
De klacht is gegrond.
 
De Raad verzoekt verweerders deze beslissing integraal of in samenvatting in De Telegraaf te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 18 november 2008 door mr. A. Herstel, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. A.C. Diamand, T.R. Harkema en mw. drs. J.X. Nabibaks, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.