2008/49 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek
inzake de klacht van
 
X
 
tegen
 
de hoofdredacteur van de Stentor
 
Bij brief van 6 augustus 2008 met twee bijlagen heeft X (hierna: klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Stentor (hierna: verweerder). Hierop heeft R. Krabben, adjunct-hoofdredacteur, geantwoord in een brief van 22 augustus 2008.
 
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 12 september 2008. Klager is daar vertegenwoordigd door zijn vader. Namens verweerder is voornoemde Krabben verschenen.
 
DE FEITEN
 
Op 26 juli 2008 is in de Stentor een artikel verschenen onder de kop “Spugen naar politie gepast? Rechter vindt van niet” en de onderkop “Kampenaar veroordeeld door rechter met boete van 200 euro”. De publicatie gaat over een strafzaak tegen klager.
 
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
 
Klager stelt dat in het artikel op onjuiste wijze verslag is gedaan van de zitting van de politierechter. Hij schetst in het kort het voorval en benadrukt dat hij in een opwelling naar een agent heeft gespuugd, nadat die agent hem had geduwd. Klager wijst erop dat hij is vrijgesproken voor vernieling c.q. baldadigheid, omdat de rechter aannemelijk achtte dat hij was aangereden door een politieauto. De rechter heeft hem verder slechts voorwaardelijk veroordeeld voor ‘eenvoudige belediging’, in plaats van een ‘gekwalificeerde belediging’. Klager is door het incident erg aangeslagen en door het gewraakte artikel komt alles weer naar boven.
Ter zitting wijst de vader van klager er verder op dat de verslaggever niet direct bij aanvang van de zitting aanwezig was en daardoor niet de hele gang van zaken heeft kunnen optekenen. De rechter heeft ter zitting niet gezegd dat hij het spugen van klager niet gepast vindt, zoals in de kop van het artikel wordt gesuggereerd, aldus klagers vader. Hij meent dat in het artikel ten onrechte de indruk wordt gewekt dat zijn zoon een raddraaier is.
 
Verweerder stelt dat in de publicatie recht is gedaan aan wat klager en zijn advocaat ter zitting naar voren hebben gebracht. Het artikel is objectief en zorgvuldig geschreven en van feitelijke onjuistheden is geen sprake.
Ter zitting voegt Krabben hieraan toe dat de kop van het artikel geen citaat van de rechter behelst, maar een samenvatting van de uitspraak; klager is immers voor het spugen veroordeeld. Wel erkent Krabben dat de onderkop ongelukkig is, omdat daarin niet is vermeld dat het een ‘voorwaardelijke’ veroordeling betreft, hetgeen overigens wel in het artikel is vermeld. Krabben kan zich voorstellen dat klager en diens familie verontwaardigd zijn, maar meent dat geen sprake is van een ontoelaatbare publicatie.

BEOORDELING VAN DE KLACHT
 
Kern van de klacht is dat verweerder op onjuiste, suggestieve wijze over de strafzaak tegen klager heeft bericht.
 
 
Voorts is het journalistiek gebruikelijk dat een artikel in de kop scherp wordt aangezet. Daarmee worden alleen de grenzen van journalistieke zorgvuldigheid overschreden als de kop geen enkele grond vindt in het artikel. Daarvan is hier – gelet op de context van het artikel – geen sprake. Voor de lezer is voldoende duidelijk dat de kop een parafrase is van de uitspraak in de strafzaak tegen klager.
 
Niet is gebleken dat het artikel relevante feitelijke onjuistheden bevat en evenmin dat sprake is van journalistiek ontoelaatbare subjectieve berichtgeving, immers het artikel bevat een zakelijke beschrijving van het verloop van de rechtszaak. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat in het artikel ruim aandacht is besteed aan het standpunt van klager en diens advocaat.
 
Alles overziend is de Raad van oordeel dat verweerder geen grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. (vgl. onder meer: RvdJ 2007/57)
 
BESLISSING
 
De klacht is ongegrond.
 
De Raad verzoekt verweerder deze beslissing integraal of in samenvatting in de Stentor te publiceren.
 
Aldus vastgesteld door de Raad op 14 oktober 2008 door mr. A. Herstel, voorzitter, prof. dr. M.J. Broersma, mw. A.C. Diamand, T.R. Harkema en mw. drs. J.X. Nabibaks, leden, in tegenwoordigheid van mw. mr. D.C. Koene, secretaris.